De politiek voorbij: geen bed, geen bad laat staan brood

Tags

, , , , , ,

In de jaren tachtig van alweer de vorige eeuw schreef Jean Baudrillard een boek: In de schaduw van de zwijgende meerderheden. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean_Baudrillard)

Dit boek maakte op mij grote indruk. Echt Frans. Moeilijk te doorgronden neologismen, zoals simulacra, en dwingend geschreven. Maar dat was niet de reden waarom ik onder de indruk was. Dat kwam vooral door de observaties van Baudrillard over de afstand tussen politiek en burger. En zijn woorden hebben niets aan kracht verloren.

Wat zegt hij hierover?

Allereerst zegt hij dat wat wij allen zien als de werkelijkheid, helemaal niet werkelijk is. Wij zien een door ons geconstrueerde werkelijkheid. Woorden verwijzen altijd naar iets anders. Tegenwoordig zouden we dit framing noemen als het gaat over politiek. Het compromis over de bed, bad, brood regeling wordt gepresenteerd als een inhoudelijk goed compromis waarin Nederland weer op de goede weg is. Beide partijen kunnen vertellen hoe zij geheel volgens eigen uitgangspunten een goed compromis hebben behaald. Beide partijen komen als winnaar uit de bus. Zo creëren we met elkaar een nieuwe werkelijkheid die de echte werkelijkheid probeert te verbergen. Dat gebeurt steeds weer.

Politici en spindokters blinken hierin uit. Verhalen komen tot stand, met een eigen jargon. We “voeren oorlog” tegen ideeën van anderen, “eerst het zuur, dan het zoet”, “Nederland is een tè gek land”, de rijksbegroting is eigenlijk “een huishoudboekje”, een nederlaag is eigenlijk winst omdat de nederlaag minder groot is dan verwacht. Et cetera.

Baudrillard komt met een prikkelende stelling over de kloof tussen politiek en burger. Politici zeggen continu dat ze de burger blijkbaar nog niet goed genoeg hebben uitgelegd wat zij bereikt hebben. Immers de burger stemt niet meer op hen, dus moet er iets niet goed gaan. Er gáát ook iets niet goed maar anders dan politici denken lopen burgers niet hijgend achter de politiek aan, zij zijn de politiek al lang voorbij.

De burger heeft de politiek achter zich gelaten. Dat is de kern.

De keizer herkent het frame, herkent de verbloeming van de werkelijkheid, herkent ook het gebrek aan oprechtheid. Niet uit onbegrip of uit ongeïnformeerdheid maar juist doordat hij compleet is geïnformeerd. De woorden hebben iedere relatie met de werkelijkheid van alledag verloren en dus is wat gezegd wordt niet meer interessant of legitiem.

Plat gezegd: kiezer denken klets maar raak in je eigen wereldje, mijn wereld is een andere. De politiek loopt hijgend achter de burger aan maar weet dat nog niet.

Er zit maar één ding op voor de politiek: zeg hoe het is, verbloem niet. Verlies is verlies, een compromis wordt bereikt om macht te behouden, standpunten worden uitgeruild om met elkaar door te kunnen gaan. Wees helder om weer bij de kiezer in de buurt te komen.

Dat zou in ieder geval opleveren dat de ruimte voor extreme opvattingen minder wordt. Op links en op rechts. Die opvattingen zijn namelijk altijd gemakzuchtig simpel. De wereld is niet simpel. De kiezer is ook niet simpel. Die wil gewoon serieus worden genomen en op ooghoogte verder kunnen praten.

Iedereen weet dat het huidige compromis over bed, bad en brood geen enkele relatie met de werkelijkheid heeft. Als ik dit schrijf zeggen burgemeesters op televisie gewoon dat ze doorgaan met hun eigen opvang. Zij benoemen de werkelijkheid zoals die is. Die werkelijkheid is dat er illegalen in Nederland zijn en blijven komen, die opgevangen moeten worden, op welke manier ook. Anders krijg je zwervende mensen en dat wil niemand. Dat weet de landelijke politiek ook.

Kortom: praat de burger, de kiezer niet na in een poging zijn gunst te krijgen. Kom met het eigen verhaal zoals het is, precies zoals het is. Ook als het niet modieus is. De onverbloemde werkelijkheid maakt meer indruk dan verbloemende taal en framing. Mensen krijgen respect voor dat verhaal, zelfs als zij het er niet mee eens zijn.

Doen.

Ik heb dit niet geschreven: neuromarketing voor sceptici

Tags

, , ,

Een jaar of 12 geleden las ik een boek van een Deens wetenschapsjournalist, Tor Nørretranders: ‘Het bewustzijn als bedrieger’. Nørretranders gebruikt experimenten uit de neurologie om plausibel te maken dat niet ‘ik’ maar ‘iets’ in mij al een besluit had genomen tot handelen voordat ‘ik’ dat doorhad. Uit onderzoek bleek namelijk dat als ik mijn arm optilde er in mijn brein al een zogenaamd actiepotentiaal te meten was dat een halve seconde voorliep op mijn bewustzijn. Dat is raar. Mijn brein besluit dus zaken buiten ‘mij’ om. Dat het ging over onschuldige zaken zoals het optillen van mijn hand of een kopje. Het besluit tot het afsluiten van een aflossingsvrije dan wel lineaire hypotheek, bleef buiten beschouwing. Laat staan het besluit of ik met mijn hele gezin in New York ga wonen vanwege een nieuwe baan.

Neuromarketing: hot en hip
Een inzicht was geboren. Op dat inzicht is de laatste jaren vrolijk voortgeborduurd. In ‘Ben ik dat’ onderzoekt Mark Mieras wat nieuwe inzichten kunnen zijn als je met een fMRI in je brein kijkt. Dick Swaab (‘Wij zijn ons brein’) en vooral Victor Lamme (‘De vrije wil bestaat niet’) zijn niet meer onderzoekend maar stellend. Er is geen twijfel meer mogelijk: vrije wil is een illusie. Echte besluiten vinden plaats in ons brein. Door inzicht in de werking van ons brein, via een fMRI (plaatjesmachine), kunnen we afleiden wat we gaan doen.
Ook in ons marketingvak is dit doorgedrongen. Neuromarketing is hot en hip. Niet dat wij zijn gepromoveerd op de werking van de hersenen maar het is wel spannend. Een kijkje nemen in de kathedraal van je ‘ik’ is zoiets als de eerste beelden uit de ruimte zien.

Ontbreken van vrije wil
Enige tijd geleden woonde ik een symposium bij over neuromarketing. Het was druk. Victor Lamme sprak en liet zien welke gebieden in het brein geactiveerd dan wel geïnhibeerd worden door bepaalde prikkels. De zaal was opgewonden want dit was eindelijk het antwoord op dé vraag van iedere marketeer: hoe zorg ik ervoor dat mensen mijn product kopen?
Het was een nogal eenzijdige sessie. Ik zag wel dat er iets gebeurde in het brein, maar wat betekende dat voor mij in mijn werk als CMO. Hoe ga ik dat toepassen zonder een fMRI-scan in mijn kamer? Natuurlijk was er meer. Lamme bleef stellig over het ontbreken van de vrije wil. Op mijn vraag wie zijn boek dan had geschreven en wie daartoe besloten had bleef het stil.
Dat is natuurlijk de kern van de zaak. Als aankopen tot stand komen in een onbewust proces, van een simpele aankoop tot een complexe, hoe weet ik dan wat de redenen en motieven tot aankoop zijn en vooral, hoe kan ik die beïnvloeden? Vanuit mijn vrije wil als marketeer, zal ik maar zeggen.

De kunst van het simpel maken
Gelukkig sprak Paul Postma ook op dat symposium. Paul verstaat de kunst van dingen simpel maken op een ironische manier zonder op de stoel te willen zitten van bijvoorbeeld de neuroloog. In zijn boek ‘Anatomie van de verleiding’ geeft hij een geslaagd overzicht van alle neuromarketinginzichten – naast fMRI-scans – over het gedrag van de consument.
Allereerst erkent hij het belang van neuromarketing. Het brein speelt een grote rol bij het tot stand komen van beslissingen. Hij beschrijft zeer overzichtelijk de stand van zaken en de betekenis daarvan voor ons marketeers. De kern van zijn betoog is dat het maken van keuzes met behulp van neuromarketing nauwkeuriger zijn dan zonder. Ga niet uit van logica, luister niet naar wat de klant zegt en schakel je eigen voorkeuren uit: drie pijlers van betere besluiten. Vervolgens gaat Postma in op de structuur van ons brein. Wat hij knap doet, is inzichten uit de neurologie steeds vertalen naar betekenis daarvan voor de marketeer. Wat kun je ermee en wat kun je er niet mee? Dat levert een goed leesbaar en met voorbeelden gelardeerd betoog op.

Verplichte kost
De echte toegevoegde waarde zit in de kern van het boek. Postma beschrijft echte mensen waar je als marketeer wat van wilt snappen. Hij maakt duidelijk dat neuromarketing veel rijker is dan de plaatjesproducerende fMRI. Hij stelt daarbij de vraag “..hoe leer ik de werking van het brein kennen door (1) de persoon waar te nemen, door (2) de reactie te meten, en door (3) in het brein zelf te kijken?” Hij geeft in heldere taal een overzicht van alle methoden die er zijn. Verplichte kost voor marketeers.
Postma gaat in op de toepassing van al die inzichten. Hij legt commerciële processen langs de mogelijkheden van neuromarketing om ze op die manier te verbeteren en verrijken. Het leest lekker en is zeer informatief. Wat mij betreft een goede toevoeging op zijn eerdere boek over ‘Personal sales management’.
Tenslotte vindt de lezer onder ‘Cases, praktijk en ervaringen’ een veelheid van voorbeelden uitgewerkt met conclusies waar iedere marketeer iets mee kan. Over de opzet van teksten, een website, kidsmarketing et cetera. Postma brengt de beschreven inzichten samen met zijn rijke kennis van ons vak. Treffend en goed geschreven neemt hij de lezer mee in verrassende inzichten.

Evenwichtig overzicht
Het boek van Paul Postma is wat mij betreft een must read. Tegenover modieus geleuter – nu weten we echt hoe het zit – is er eindelijk een evenwichtig overzicht van de stand van zaken met voldoende cases en toepassingen. Eenmaal uitgelezen heb je het gevoel dat je op de hoogte bent en dat je er iets mee kunt in je dagelijkse werk. Zoals Postma zelf schrijft: “De kracht van neuromarketing (..) laat dingen zien die je niet wilt weten. Maar soms is scepsis terecht, want er wordt intussen ook veel onzin geventileerd onder het mom van neuromarketing.”
Ik blijf overigens wel zitten met de vraag wie of wat besloten heeft uit mijn naam dit boek te recenseren?

Lekker beledigen

Tags

, , ,

Kun je iemand beledigen? Dat vroeg ik me laatst af.

De aanleiding was natuurlijk de enorme hoeveelheid mensen die zich beledigd voelen. De ene keer door opmerkingen, de volgende keer door te weinig aandacht voor het verleden, een andere keer door het gebruik van een cartoon. De wereld zit vol met beledigde mensen. Als je niet beledigd bent hoor je er gewoon niet bij zo lijkt het.

Dus: kun je iemand beledigen?

Stel je voor. Je bent erg trots op je nieuwe auto. Die is heel mooi en heel duur. Je hebt er moeite voor gedaan. Gespaard, hard gewerkt. Noem maar wat. De buurman komt op zaterdag een kijkje nemen en vindt die auto helemaal niks. “Dat je die hebt gekocht!” Ben je dan beledigd?

Je gaat naar een feestje met een cadeau. Een boek zou dat in mijn geval zijn. Je geeft het aan de jarige en die blijkt het al te hebben. Beledigd? Of: de jarige bekijkt het en vindt het helemaal niks en zegt dat ook. Beledigd? Of nog erger: de jarige pakt het niet uit en gooit het op een stapel oude kranten in een krantenbak. Dit komt al wat meer in de buurt van een beledigende handeling.

Stel je voor dat je altijd vrijwilligerswerk doet maar een beetje onder het maaiveld. Mensen weten dat niet echt van je. Nu zegt iemand dat het tijd wordt dat je eens iets voor je medemens gaat doen, omdat je altijd alleen maar aan jezelf denkt. Beledigd?

In de straat wordt Sinterklaas gevierd. Je kind wil bij Sint op schoot klimmen. Sint, in wie jij je buurman herkent, zegt dat hij dat niet wil omdat je kind een ettertje is.

Hmmm. Dit zijn nog maar futiele voorbeelden. Ik heb het niet eens over Zwarte Piet of over Charlie Hebdo. Eigenlijk gaat het nergens over maar we herkennen het wel als situaties waarin men zich beledigd kan voelen.

Er zijn bij opmerkingen, handelingen grosso modo twee mogelijkheden: ze zijn waar of ze zijn niet waar.

Stel je kind ís ook een ettertje, waarom voel je je dan beledigd als iemand dat zegt? Het is immers waar. Of iemand zegt het terwijl het niet waar is. Waarom zou je dan beledigd voelen. De ander kletst immers uit de nek.

Je kunt inhoudelijk een discussie hebben over het waarheidsgehalte maar dan houdt het ook op. Je kunt ook zeggen dat je het niet leuk vindt.

Iemand die zich beledigd voelt weigert dat gesprek en kiest voor de makkelijke gemakzuchtige weg, die van emotionele beïnvloeding. Beledigd voelen is geen reactie op iets dat gebeurt, maar een actie om dat gebeurde naar je hand te zetten. De beledigde wil de situatie zo manipuleren dat de ander in het diskrediet komt en hij als overwinnaar uit de bus komt. En hij doet dat vanuit een ethisch standpunt: het is slecht mij te beledigen. Beledigen is sowieso slecht, daar is iedereen het mee eens.

Tot je het omdraait. Het is onmogelijk iemand te beledigen die niet beledigd kan worden. Die er voor kiest zich niet te laten beledigen. Daarmee blijkt het absoluut mogelijk je beledigd te voelen door wat dan ook. Maakt niet uit wat er gebeurt, mensen voelen zich beledigd.

Lekker beledigen bestaat niet eens. Het recht op beledigen is een leeg recht. Wel bestaat het recht op alles zeggen wat je wilt, vrijheid van meningsuiting. En dat recht is absoluut en altijd. Daarnaast bestaat het recht van iedereen om zich beledigd te voelen. Dat ook is absoluut. Doe alleen niet alsof het de schuld van de ander is.

Beledigen doe jezelf.

Deeleconomie: frame of werkelijkheid?

Tags

, ,

Wij zijn zo blij met elkaar dat er iets is ontstaan dat deeleconomie heet. Een sympathieke naam voor een sympathiek verschijnsel. We gaan dingen delen zoals we eerder ervaringen met elkaar deelden. Dat is een stuk sympathieker dan al dat gedoe waar geld tegenover moet staan.

Intussen valt er veel onder de deeleconomie en noemen we nieuwe verschijnselen, meestal internet-based, deeleconomie. Maar het wringt wel bij mij. Want wat verstaan we er nou onder en wat niet.

De kern is dat ik iets deel met een ander en niet dat ik iets produceer om vervolgens te verkopen. Het gaat niet om een bedrijfje bijvoorbeeld dat fietsen maakt en die vervolgens verkoopt. Het gaat om mij die het een ander mogelijk maakt gebruik te maken van mijn fiets als ik die zelf niet nodig heb. Mijn fiets, mijn maaimachine, mijn hogedrukpan. Maar ook bijvoorbeeld het eten dat overblijft nadat ik met mijn gezin heb gegeten. Of mijn auto die meestijds ongebruikt voor de deur staat. Ik deel mijn eigendom met een ander. Er schuilt iets altruïstisch in.

Het is ook sympathiek en slim. Omdat wij allen in ons leven de overvloed delen hoeft er minder te worden geproduceerd. Die overvloed delen we met een ander. Als je dit structureel zou doen zou er, logischerwijs, minder gekocht worden en minder overproductie zijn.

Eigenlijk heel ouderwets. Van de tijd dat niet iedereen het breed had en je zorgde dat de buurvrouw ook te eten had. Of boeren die samen tijdens de hooibouw het hooi binnenhalen. Vandaag bij mij, morgen bij jou.

Niets mis mee.

Toch is dit romantische beeld niet kloppend met de werkelijkheid. Veel initiatieven die deeleconomie worden genoemd zijn in feite nieuwe verdienmodellen binnen onze economie. Stel je voor dat ik mijn auto uitleen aan mijn buurman die eens in de week zijn moeder bezoekt in het verpleeghuis: dat is deeleconomie. Stel je nu eens voor dat ik die verhuur van eigen auto’s inclusief chauffeur breed organiseer via een platform en een app. Dat ik daarmee volume bereik niet alleen bij mij in de straat maar over de hele wereld. Dat is gewoon een nieuw verdienmodel met eigen spelregels.

Spelregels die ouderwets simpel zijn. Wie niet werkt zal ook niet eten en je moet zelf regelen dat je niet in de problemen komt. Ouderwets omdat ons economisch systeem ooit zo is begonnen -individuele afspraken tussen mensen- en simpel omdat je weet waar je aan toe bent.

Zo zijn er volop initiatieven die deeleconomie worden genoemd die het niet zijn. Dat is niet erg maar het is wel goed om hier duidelijk over te zijn. Al was het alleen al omdat de echte deeleconomische initiatieven daarmee recht wordt gedaan.

Er zijn dus drie soorten economische interactie tussen mensen.

De eerste is die wij het best kennen omdat die al heel oud is: bedrijven produceren goederen, diensten, ervaringen die wij tegen betaling afnemen. We verdienen geld, spenderen dat en consumptie en productie zijn gescheiden.

De tweede is het echte delen. Ik produceer niets, ik hou iets over. En dat wat ik overhou schenk ik aan een ander. Variërend van tijd (ik zorg voor een ander) tot spullen (ik leen mijn hark uit) tot expertise (ik doe de belasting voor een ander). Er ontstaat een soort wederkerigheid om niet. Er ontbreekt een financiële relatie. Op een ander moment kan ik wellicht wat lenen van de ander.

De derde noemen we deeleconomie maar is een nieuw soort peer-to-peer kapitalisme. Mogelijk gemaakt door een derde partij, dus niet zuiver peer-to-peer, die daar geld aan verdient. We delen niets maar verkopen datgene we over houden. Als ik op vakantie ben hou ik voor drie weken mijn huis over. Dat kan ik verhuren via een derde partij. Ik hou mijn auto over en verkoop die voor een bepaalde periode. De ruil is er een tussen mijn teveel en het geld van een ander. Waar de echte deeleconomie een morele dimensie heeft ontbreekt die hier volkomen. Ik betaal en daarmee uit.

Dit derde soort is momenteel wel interessant omdat het bestaande regels overhoop gooit. Niet alleen is er geen scheiding meer tussen consument en producent maar het onttrekt zich ook aan allerlei regelgeving, zekerheden en gebaande paden. Dit nieuwe laagdrempelige, nauwelijks gereguleerde kapitalisme is een uiting van een gedemocratiseerd kapitalisme.

Ik volg het dan ook nauwlettend omdat het schuurt met de status quo. Disruptiveness wordt dit ook wel genoemd. Maar wat het eigenlijk is is het ontstaan van een nieuwe economische wereld met nieuwe regels en met nieuwe problemen. Het feit dat iedereen de kans heeft producent te zijn schept mogelijkheden. Internet maakt deze nieuwe economische orde snel en eenvoudig toegankelijk voor iedereen. De oude wereld voelt het wringen. Toetreden tot een branche of sector blijkt opeens veel eenvoudiger dan de bestaande partijen dachten en er ontstaat onzekerheid. Het blijkt dat je opeens via internet een nieuwe krachtige speler in bijvoorbeeld de reisbranche kunt worden.

Mijn verwachting is dat een fusie zal ontstaan in de komende jaren tussen oud en nieuw. Snelheid en durf uit de nieuwe economie gecombineerd met zorgvuldigheid en doordachtheid van de oude.

Deeleconomie is dus veelal een frame dat afleidt van waar het werkelijk om gaat: een revitalisering van het kapitalisme. Deeleconomie is werkelijkheid waar het gaat om mensen die elkaar willen helpen en ten dienste willen zijn. Nauwelijks opgemerkt omdat er geen geld mee wordt verdiend.

Brecht dichtte al:

Denn die einen sind im Dunkeln
Und die andern sind im Licht.
Und man siehet die im Lichte
Die im Dunkeln sieht man nicht.

V&D als voltooid verleden tijd

Tags

, , , ,

Als klein kind kwam ik bij V&D in Utrecht, in de Lange Viestraat. Mijn moeder werkte er op de koekjesafdeling als verkoopster. Tijdens de Sinterklaastijd stond de etalage vol met bewegende pieten en Sinterklaas. Volop verlicht ook. Mijn vader reed eerst langs de etalage, parkeerde en dan gingen we even naar binnen, naar mijn moeder.

In mijn herinnering was het er gezellig en warm. Een warenhuis vol met mooie spullen en ook een aapjesorkest in het trappenhuis. Mijn moeder stond in een carré-opstelling tussen de koekjes. Betere kwaliteit en beter gesorteerd dan die van de bakker in de buurt maar niet over de top.

Dat was het geheim van V&D: bereikbare kwaliteit voor de gewone man. In een sfeer van enerzijds de schoonheid van het leven en anderzijds van doe maar gewoon. Dat is nog lang zo geweest maar ergens in de jaren tachtig veranderde er iets. De HEMA kroop dichterbij en zorgde voor allerlei designverrassingen voor weinig. Vrolijke winkels, licht, design en dat voor een aangename prijs. Het aanbod van V&D werd onduidelijker. Waarvoor ging je nu precies naar V&D?

Aan het eind van de vorige eeuw was het geen pretje meer om naar V&D te gaan. Ik woonde inmiddels in een grote plaats met een eigen V&D. Ik gebruikte de winkel vooral om van de ene kant van de winkels naar de andere te komen, een passage. En steeds viel  mij op dat er geen enkele reden gegeven werd te stoppen. Mijn oog werd nergens naar toe getrokken. Ik vroeg me af hoe dat kwam.

Kijk goed naar het assortiment. Nog steeds is de echte V&D een winkel van bruin- en beigetinten. Kleding vooral maar iedere etage straalt een gebrek aan ambitie uit. Op geen enkele plek word je geprikkeld, of denk je na over wat je ziet. Wil ik het hebben of niet? Heb ik het nodig? V&D heeft de dingen die je overal kunt krijgen maar dan wél in vrolijke modieuze kleuren. Uitzondering hierop zijn nu juist de niet-V&D onderdelen: La Place, Rituals, de parfumafdeling. Daar vind je nog iets vaneen heldere formule, bezieling, lol in het werk, focus op kwaliteit. De relatief kleine gespecialiseerde formules doen het wel goed. De grote bruine V&D niet.

V&D is een reliek uit het verleden. Een groot warenhuis voor de gewone man. Die gewone man bestaat niet meer als algemene categorie. De gewone man vindt op internet wat hij zoekt en koopt daar. Gaat naar prijsstunters voor de low-interest zaken en spaart daarmee geld uit om andere dingen te doen. Gaat naar de Bijenkorf voor het gevoel van luxe. V&D is stuck in the middle en zal daar niet meer uitkomen. Hoe er ook wordt onderhandeld over geld en financiering, het is voorbij.

Het drama is wel groot overigens. De mensen die er werken doen dat met hart en ziel. Mijn woonplaats zal een groot leegstaand pand erbij krijgen. Nog een. De dynamiek in het straatbeeld wordt weer minder. De grote steden zullen vervangende winkels krijgen. Dat zal bij mij niet het geval zijn. Mijn woonplaats is niet groot en interessant genoeg voor een andere keten. Is het jammer? Ik weet dat niet.

De wereld verandert en V&D is niet meeveranderd. Wel aanpassingen gedaan maar niet met overtuiging, met visie. Geen idee wat het DNA van V&D meer is. En als dat onduidelijk wordt dan blijven de klanten weg. Onduidelijke formules zullen verdwijnen. En dat is niet anders voor V&D.

Pegida: het verhaal Europa.

Tags

, , ,

Bijna honderd jaar geleden verscheen een boek waarvan de titel niet echt het beste voorspelde: “De ondergang van het Avondland”.

De schrijver, Oswald Spengler, conservatief, een kop uit graniet, voorzag het einde van onze beschaving. Niet door het inslaan van een meteoriet, niet door een Tweede Wereldoorlog maar door het verdwijnen van onze beschaving (voor geïnteresseerden: http://nl.wikipedia.org/wiki/Der_Untergang_des_Abendlandes). Spengler geloofde niet in vooruitgang maar in een levenscyclus van beschavingen: geboorte, volwassenheid en aftakeling. Zijn boek werd een groot succes.

Honderd jaar geleden waren er in Duitsland redenen voor dat succes. De Eerste Wereldoorlog was smadelijk verloren, herstelbetalingen ruïneerden de economie, de democratie was een onoverzichtelijk rommeltje, de werkloosheid was hoog.

We zijn honderd jaar verder en nu is er dus Pegida. Patriottische Europeanen tegen de Islamisering van het Avondland. Door relatief kleine groepen mensen wordt gedemonstreerd in -vooral het voormalige Oost- Duitsland.

Ik volg het met grote aandacht. Allereerst omdat de term Avondland wordt gebruikt. Dat alleen al wijst op een verlangen naar een verleden dat er nooit was. Een Avondland waarin recht recht was en krom krom. Overzichtelijk met een cultuur die eenheid en eenduidigheid uitstraalde. Duidelijkheid verschafte. Goethe, Schiller, Heino en natuurlijk de Mark. Een wereld kortom die er nooit is geweest maar die vastzit in de beleving van mensen.

De wereld nu is een geheel andere. De samenleving is open, de grenzen zijn open. Wat er ook gebeurt in de wereld, binnen tien minuten zijn we op de hoogte via social media. Oude ankers zoals religie of politieke stromingen zijn diffuser geworden in de loop der decennia. Nieuwe culturen zijn binnengekomen. De vraag of we een multicultureel Europa willen zijn is een onzinvraag: Europa is multicultureel, altijd al geweest. Pegida demonstreert tegen een zelfgecreëerd beeld, een frame dat wel heel sterk is.

Het Avondland zal opnieuw niet ten ondergaan. De Westeuropese cultuur zal veranderen al was het alleen maar omdat verandering een constante is.

Maar er is wel iets anders wat aandacht verdient. Naar mijn mening zijn Pegida en alle andere protestbewegingen zeer serieus te nemen. Het is een protest tegen de technocratisering van onze cultuur en samenleving. Waarbij alles in geld en waarde wordt uitgedrukt. Zelfs zittenblijven op school kost geld, zo blijkt uit onderzoek.

Het is een protest tegen het ontbreken van een antwoord op gebeurtenissen in de wereld. Geen technocratisch antwoord maar een verhaal over Europa. Niet over de Europese Unie maar over Europa. Wat zijn de gemeenschappelijke bronnen? Wat de gemeenschappelijke waarden? Wat zijn uitgangspunten die we hebben en die leidend zijn in onze beschaving. Van Zweden tot Griekenland. Een raamwerk waarmee de actualiteit kan worden geduid en begrepen.

Iets daarvan, van zo’n verhaal, werd zichtbaar tijdens de ‘je suis Charlie’ demonstraties. Vrijheid van meningsuiting is dus gemeenschappelijk. Vrijheid van demonstratie dus ook.

Als een politicus, een leider, opstaat met een inhoudelijk verhaal dan zullen mensen geboeid worden. Een verhaal over een humanistische beschaving waarin ieder individu telt. Waarin je vrij bent te denken en te zeggen wat je wilt. Waarin een democratische politiek normaal is. Waarin respect de boventoon voert. Respect voor andersdenkenden en dus ook hun respect voor jou. Waarin verschil van mening normaal is. En waarin de rechter uiteindelijk uit mag maken of iemand over de scheef is gegaan of niet. Een verhaal waarin niets wordt uitgedrukt in geldelijke waarde maar alles in waarde voor de mens.

De binding tussen mensen zit in de gemeenschappelijke droom. In de gemeenschappelijke toekomst. Het verbinden van mensen loopt tenslotte nooit via een economische grafiek.

Kan de gemeente de burger nog zien als individu?

Tags

, , , ,

Het is vijf januari. Vijf dagen in dit nieuwe jaar waarin er voor heel veel mensen wat gaat veranderen. Altijd verandert er wel iets, en het betreft ook altijd veel mensen maar ik heb het over een mega-operatie: de decentralisatie van de WMO.

Al jaren aangekondigd en in 2014 werd het een steeds belangrijker onderwerp. Kon dit kabinet nog verrukt spreken over de participatiesamenleving, in het najaar stapelden de doemscenario’s zich op. Mensen zouden in de kou komen staan, het was een platte bezuiniging, hulpbehoevenden wisten niet waar zij aan toe waren et cetera. Kwam bij dat uit onderzoek blijkt dat gemeenten er helemaal niet klaar voor zijn.

Je kunt je er van alles bij voorstellen. Zorg is iets anders dan beleid maken. Uitvoering en handhaving van bouw- en woningwetten is van een andere orde en vergt andere competenties van ambtenaren dan het hebben van een gesprek over zorgbehoevendheid. Ik snap alle commotie. Sterker nog: ik denk dat er een kern van waarheid in zit. Dát er mensen tussen wal en schip komen, dát gemeenten er niet klaar voor zijn en dát budgetten ontoereikend zijn.

Maar stel nu dat het perspectief wordt gekanteld. Dat gemeenten niet zozeer de WMO overnemen maar er nu eens echt voor zorgen dat alles wordt georganiseerd rond de burger.

De centrale overheid heeft de natuurlijke neiging alles te categoriseren en van daaruit, vanuit dat systeem, burgers – onderdanen – te benaderen. Gemeenten daarentegen hebben nu de mogelijkheid hun burgers centraal te stellen, dienstbaar te zijn aan hen. Een schok voor vele gemeenten, een mogelijkheid voor die gemeenten die willen.

Dan is er wel een aantal zaken nodig dat geregeld moet worden:

  1. communiceer snel en accuraat in normale taal over alle wijzigingen in het algemeen, stop alle jargon
  2. stel een communicatiedeskundige in staat alle jargon uit alle communicatie te slopen
  3. zorg voor individueel inzicht in iedere zorgvraag, ken je burger
  4. regel continuïteit in de bestaande zorg, geen grote onzekerheid
  5. koop zorg in bij kleinschalige initiatieven en niet bij grote conglomeraten (dan komt een en ander weer op afstand)
  6. maak een groep mensen (ook bestaande ambtenaren maar niet alleen hen) vrij om in het eerste kwartaal met iedereen te spreken
  7. noem dit niet gezellig keukentafelgesprekken maar gesprekken
  8. voer die gesprekken in alle openheid en eerlijkheid, benoem wat je waarneemt en bespreek dat. Ook mogelijkheden en twijfels
  9. ga snel over tot inzicht in het besluit dat genomen is, bespreek dat met ieder individu opnieuw en implementeer hard op de feiten maar vooral zacht op de mens.

Ik zie de decentralisatie als een grote kans voor gemeenten om samen met burgers te participeren in een grote reis, die naar individuele mogelijkheden en kansen. Gemeenten moeten dat wel de lef hebben zich anders op te stellen, uitzonderingen te zien als kans en te stoppen met alles in te delen in categorieën en kaders.

Ik ben oprecht benieuwd welke gemeenten hiermee bezig zijn en welke stress dat oplevert bij ambtenaren en beleidsmakers. Nieuw kan zomaar beter zijn.

Verbeter je communicatie op twitter (en überhaupt)

Dick Koopman's avatarDick Koopman

We kennen allemaal deze situatie: je krijgt kritiek op iets en het eerste dat je denkt is ‘ja en jij dan?’. Voorbeelden te over: kijk een avond tv en ze komen voorbij, de eeuwigdurende jij-bakken waar overigens niemand van beter wordt.

Nou zijn dat nog programma’s waar een mens wat tijd heeft. Maar neem nu social in zijn algemeen en Twitter in het bijzonder. In mijn timeline barst het van de jij-bakken. Soms grappig maar meestal niet. Veel verwijten zonder in te gaan op wat de ander zegt. Altijd hetzelfde stramien: iemand beweert iets, anderen vallen over hem heen en proberen ‘m onderuit te halen.

Dat kan anders. De gevoeligheid en oppervlakkigheid voorbij, zeg maar.

Daarvoor haal ik een oude bekende van stal: Jürgen Habermas. Hij heeft geschreven, al decennia geleden, dat er drie criteria zijn voor goede communicatie. En goed is dan doeltreffend.

De allereerste vraag die je je moet…

View original post 250 woorden meer

Verbeter je communicatie op twitter (en überhaupt)

Tags

, , , , , , ,

We kennen allemaal deze situatie: je krijgt kritiek op iets en het eerste dat je denkt is ‘ja en jij dan?’. Voorbeelden te over: kijk een avond tv en ze komen voorbij, de eeuwigdurende jij-bakken waar overigens niemand van beter wordt.

Nou zijn dat nog programma’s waar een mens wat tijd heeft. Maar neem nu social in zijn algemeen en Twitter in het bijzonder. In mijn timeline barst het van de jij-bakken. Soms grappig maar meestal niet. Veel verwijten zonder in te gaan op wat de ander zegt. Altijd hetzelfde stramien: iemand beweert iets, anderen vallen over hem heen en proberen ‘m onderuit te halen.

Dat kan anders. De gevoeligheid en oppervlakkigheid voorbij, zeg maar.

Daarvoor haal ik een oude bekende van stal: Jürgen Habermas. Hij heeft geschreven, al decennia geleden, dat er drie criteria zijn voor goede communicatie. En goed is dan doeltreffend.

De allereerste vraag die je je moet stellen is die naar de waarheid van de uitspraak. Gewoon: klopt het? Is het waar of klopt het niet? Daar moet je wel wat voor doen. Je kunt niet gewoon roepen ‘dat is niet waar’. Je zult dat met tegenargumenten moeten komen. Vergt inspanning en kennis.

De tweede vraag die je je moet stellen is, ‘is het moreel juist?’ wat wordt beweerd. Dat betekent dat je iets van een idee moet hebben over je eigen normen en waarden. Dat je je moet kunnen verplaatsen in die van een ander. Dat je kunt nadenken over tegenstrijdigheden daarin.

De allerlaatste vraag is ‘mag jij dat eigenlijk wel vinden?’. Met andere woorden, ben je geloofwaardig.

Stel dat een zeer slordige partner tegen je zegt dat je je kleren eens op moet ruimen. Hoe reageer je dan? Juist: ‘dat moet jij zeggen, jij ruimt nooit iets op’.

De vraag kan natuurlijk ook zijn: is het waar dat ik er een klerezooi van maak? Check. Dan: klopt het dat wij geen klerezooi in huis willen? Check. Opruimen dus! En daarna het gesprek over het gedrag van je partner.

Stel nu eens dat wij allemaal op social en twitter dit patroon zouden volgen. Is het waar wat er wordt beweerd? Is het juist dat dit punt nu wordt gemaakt? En pas als laatste de ander erop attenderen, dat als hij dat ook echt vindt, het geloofwaardig zou zijn daarnaar te handelen.

Stel dat de hele Zwarte Pietendiscussie zo zou verlopen, zou het dan beter zijn gegaan?

Plasterk en zijn Grondwet

Tags

, , ,

Minister Plasterk wil dus onderzoeken of het mogelijk is te voorkomen dat Tweede Kamerleden die een fractie verlaten, op eigen houtje door kunnen gaan. Qua timing een vreemd onderzoek als net twee PvdA kamerleden uit de fractie zijn gezet.

Ik kan hem dat onderzoek besparen: je kunt het niet voorkomen.

In onze Grondwet, en dus ook die van Plasterk (Minister van Binnenlandse Zaken!) is vastgelegd dat de leden rechtstreeks worden gekozen (art. 58) en dat zij zonder last mogen stemmen (art. 67). De TK bestaat dus volledig uit individuen die ieder voor zich gekozen zijn om te kunnen stemmen zonder overleg of wat dan ook. Gewoon helemaal vanuit de eigen overtuiging en achtergrond.

Het feit dat er partijen bestaan, wordt met geen woord over gerept in de Grondwet, is een handigheid. Een organiserend principe. Het maakt de boel overzichtelijk, het brengt mensen bij elkaar, je kunt stemmingen organiseren et cetera. Die partijen kunnen echter niet voorkomen dat ieder van de 150 leden er zit op eigen mandaat.

En nu snap ik ook wel dat dit lastig is. We hebben verkiezing waarbij vooral op partijen wordt gestemd. De opiniepeilingen geven een beeld van hoe de partijen ervoor staan. Een partij, met leiding en bijbehorende bureaucratie, maakt het functioneren van de TK eenvoudiger. Et cetera, et cetera. Maar dat zijn alle operationele overwegingen.

Als morgen alle 150 leden zich van elkaar afsplitsen en er 150 partijen ontstaan dan is dat grondwettelijk helemaal ok.

Het land wordt onbestuurbaar en er zijn zo nog wat problemen die zich zullen aandienen. Maar het kan. En niemand, ook of moet ik zeggen zelfs Plasterk kan dat voorkomen.

Het zou mooi zijn en ook tot voorbeeld dienen als politici nadenken voor ze wat roepen. Nadenken over haalbaarheid, wenselijkheid, tijdigheid van plannen of uitspraken. Het voorbeeld is dan dat, ook al baal je ergens van, tot tien tellen en nadenken meer waarde heeft dat onuitvoerbare ballonnen oplaten. Plasterk en andere politici laten daarmee zien dat keuzes maken soms nadenken vereist. Meestal trouwens.