Een leider is wat hij doet. Een persoonlijk verhaal.

Mijn allereerste managementbaan, ergens in de jaren 90, kreeg ik via via. Ik was docent sociologie en filosofie en werd gebeld. Of ik manager wilde worden in Amsterdam. Dat leek me wel wat. Ik aan de slag met manager spelen. En eigenlijk deed ik maar wat. Ik kwam erachter dat de mensen van de afdelingen waaraan ik leiding gaf (het waren er vier) prima in staat waren het werk te verrichten wat gedaan moest worden. Mij vonden ze een onverwachte toevoeging: een docent. Nou ja, we gingen het met elkaar proberen. Ik had een grote kamer met een mooi bureau en in een la een kist sigaren. Het ging prima en het was een mooie plek om alles te leren. Maar je wil door.

Zo in de loop van de decennia loop je toch tegen alle grenzen aan die in jezelf zitten. Grenzen die je tracht te ontkennen, want zwakte is niet iets wat je wilt uitstralen. Als baas.

Ik deed hier en daar een workshop of een opleiding. Die waren nooit heel erg goed. Ik kwam terecht in een circuit van trainers en coaches zonder keurmerk, zal ik maar zeggen. Iedereen kon het worden en je had een job op het moment dat je in het netwerk zat van de opperbaas met budget. Sommige trainingen waren overigens wel prima. Maar dat was meer uitzondering dan regel.

Ik ging ook naar het buitenland. Ik leerde Zweden kennen en hun manier van doen. Ik heb gewerkt in Warschau en leerde daar de starheid in het bedrijf en de spiritualiteit van de mens kennen. Ik heb bij een startup de commercie mogen doen, tot in de UK. Londen maar ook the black country: dagen praten met managers in Birmingham en er na heel veel thee achterkomen dat zij eigenlijk niets konden beslissen.

Op Ashridge en INSEAD heb ik me volgezogen met kennis, kennis en nog eens kennis. En ongegeneerd veel plezier gehad.

Ik groeide als manager, ik werd beter door ervaring en ook door kennis. Maar altijd nam ik ook gewoon mezelf mee met mijn eigen biografie. Een biografie die geïmpregneerd is door een jeugd op Zuilen, Utrecht. Een harde jeugd in een harde wijk. Stofzuigers door ramen en daarna weer een borrel drinken met elkaar op de bank op straat, om de ruzie bij te leggen. Een leven met strijd. Onderling maar ook strijd met het leven. Armoe. Altijd weer de teleurstelling dat er gespaard was voor iets en er dan achterkomen dat het toch niet lukte. In mijn familie was ik de enige die de middelbare school had afgemaakt. Eerst de MAVO (een harde school) en daarna HAVO en VWO (heerlijk). Veel gestudeerd, ook als eerste in de familie. Toen ik mijn doctoraal deed was ik verbaasd dat ik dat had gehaald. Mijn familie was nog verbaasder.

Leren, leren, leren en leven

Met die sedimenten kun je opleiden wat je wil, maar het leven blijft strijd en iedere vooruitgang moet je bevechten en is in zijn uitkomst onzeker. Zuilen verdwijnt nooit meer uit mij.

Al mijn trainingen, workshops stonden voor mij in het teken van winnen. Daarom vond ik die ook nooit zo goed. Wat de trainer ook zei, ik wist het beter. En overigens was dat ook vaak het geval. Maar daar ging het niet om.

Op een moment in mijn leven ontdekte ik Benedictus. Kort samengevat: Benedictus schrijft in circa 350 AD een Regel, waarin hij schetst hoe je leiding geeft aan een klooster. De kern is dat je met aandacht en liefde de dingen moet doen. Nooit afraffelen, nooit zomaar iets doen, altijd concentreren en met aandacht zijn in wat je doet. Je dag zo indelen dat je geen stress ervaart, maar tijd hebt voor alles wat je doet. Tussen twee bezigheden altijd tijd nemen om te ‘migreren’ van de ene naar de andere activiteit. En als Abt moet je je oor altijd neigen naar de jongste (dat wil zeggen degeen die er het laatst is bijgekomen) in het gezelschap want die ziet de dingen zoals ze zijn. Besluiten neem je helder en je communiceert duidelijk daarover. En wees altijd eerlijk en betrouwbaar. Zacht op de mens, hard op de discipline.

Ik besloot Benedictijns te gaan leven, met succes. Ik heb weinig stress, ik heb altijd tijd voor dingen et cetera. De jongen van Zuilen leefde opeens met structuur en rust.

Maar nu komt het: ik deed de dingen op een andere manier, maar ik deed nog steeds dezelfde dingen. Ook als manager. Alles willen weten, alles controleren om zeker te weten dat ook gebeurt wat je hebt afgesproken, je overal mee bemoeien.

Een keerpunt, met dank aan mijn club

Tot het moment dat een team jonge professionals, die al hun tijd, talent en energie gaven om een startup van de grond te krijgen, mij vertelden dat ze wilden dat ik dingen anders ging doen.

Niets workshop, niets opleiding, niets boek, maar gewoon topmensen die mij net zo goed kenden als ik hen. Levende mensen die mij vertelden dat ik moest veranderen. Ze hadden last van mijn gedrag. Niet van mij, integendeel. Ze waardeerden mijn kennis, mijn karakter, mijn aandacht en mijn wil tot winnen. Maar wat kwam het er af en toe slecht uit.

Dat team heeft mij toen geleerd dat de vraag die je als leider altijd moet stellen is: ‘waarmee kan ik je helpen?’.

De kern van hun opmerkingen was deze: wat zij nodig hadden was een heldere visie, een duidelijke focus en een punt in de tijd waarop een en ander klaar moest zijn. Grote dingen dus, niet op detailniveau. Wat ze ook van mij nodig hadden was mijn goede humeur, herrie en optimisme. Waarmee ik hen in de weg zat was het bemoeien met details en werkpakketten. Overal een mening over hebben is niet erg, ze altijd uiten wel. Want hoe ik het ook wende of keerde, voor hun was ik de baas. En een baas met bemoeienis is een lastige baas.

Ze wilden geholpen worden.

Waarmee kan ik je helpen

Ze hadden gelijk. Sinds die bijeenkomst ben ik in de helpende stand gaan staan. Bij moeilijke besluiten met grote impact leg ik uit wat er gaat en moet gebeuren en wat het doel daarvan is. Mijn vraag is dan direct hoe ik hen kan helpen hier zelf vorm aan te geven. Ik waardeer hun expertise en kennis, ik waardeer wie zij zijn en het enige wat ik doe, is zorgen dat zij tot hun recht komen. Ieder gesprek begin ik met de instelling ‘hoe kan ik je helpen?’. En dan opeens blijkt er een heel mooie dynamiek tot stand te komen waarbij mensen veel meer talent maar ook meer vragen hebben dan je dacht. Zekerheid en onzekerheid wisselen elkaar af.

Dit klinkt simpel en je zult denken ‘dat doe ik ook altijd’, maar kijk eens goed naar jezelf. Ik dacht ook dat ik het goed deed, tot mijn team mij de spiegel voorhield.

Je moet er wel wat voor over hebben. Zo heb je het gevoel grip te verliezen omdat je niet ieder moment van alles op de hoogte bent. Dat gevoel verdwijnt snel. Wat blijkt is dat mensen om je heen je tijdig waarschuwen voor positieve en negatieve uitschieters. Je bent nog steeds op tijd. Daarnaast moet je heel helder zijn in doelstellingen. Heel concreet en duidelijk. Er vooraf over praten wat de gevolgen zijn, voor ieder afzonderlijk. Je moet altijd heel scherp zijn op randvoorwaarden: heb je alles geregeld? Hebben de mensen bijvoorbeeld een goed contract met een juiste beloning? Is helder wat van hen wordt verwacht? Moeten ze bijgeschoold worden? Is het een goed, collegiaal en veilig team? Is het team divers genoeg? Hebben ze de juiste hulpmiddelen?

Eigenlijk ben je als leider een facilitair manager op vele fronten. Een factotum.

Het allerbelangrijkste is altijd je beloftes nakomen, altijd duidelijk zijn in je communicatie en beoordeling van mensen. Helder verwoorden wat zij goed doen en wat niet. Als je als leider betrouwbaar bent en men weet dat je te vertrouwen bent kan zomaar de dag komen dat je team je tot de orde roept. Dat is een geschenk dat je moet omarmen. Ook al voelt het alsof je op je sodemieter krijgt van je moeder. Want een standje voelt altijd diep. Ook een standje van je team. En terecht.

Slechts wat diep raakt verandert de mens. Ook mij dus.

Herfst in Frankrijk

Carcès, oktober 2020

Niets dan fijne gevoelens en mooie herinneringen: Frankrijk in de herfst. Nu ben ik altijd graag in Frankrijk maar de herfst is altijd speciaal. Ik zal een paar herinneringen ophalen om dat te illustreren: waarom die drang na de zomer om terug te gaan?

Carcès

Laat ik maar beginnen in de Var, in Carcès. Een dorp van niks maar met alles wat een mens nodig heeft. Vriendelijke mensen en op zaterdag een fijne markt. En dan opeens is de zomer voorbij en wordt alles wat kleiner, ingetogener. De markt halveert ongeveer en toeristen, die sowieso schaars zijn hier, zijn er niet meer. Oktober is zo’n maand waar de temperatuur nog top is, 20-24ºC, laagstaande zon. Maar er is meer.

’s Morgens vroeg word je wakker door het verre geknal in de wijnvelden: de jacht. De geur van brandend hout omdat er altijd wel ergens een boer hout aan het opstoken is. Als ik dan in de vroege ochtend naar het dorp wandel dan voelt de wereld weldadig aan. Ik ben totaal op mijn plek. De geur van het vochtige bos waar ik loop. De straten die leeg zijn tot je in het dorp bent. Een paar terrassen. Kleiner, intiemer dan in de zomer. Een kop koffie en gewoon genieten van het feit dat je je eigenlijk te koud hebt gekleed.

’s Middags wandelen in de wijngaarden van Saint-Louis de Thoronet, net achter ons huis. Uren. Vroeger toen de jongens nog klein waren gingen ze oude jachtgeweerpatronen zoeken. Tassen vol. Thuiskomen en lekker lunchen. Dat lunchen brengt me op de volgende oktoberpracht.

De Hypermarché

Zo aan het eind van het jaar, beginnend in oktober, vullen de supermarkten zich met andere producten. In Carcès zijn er opeens allerlei soorten bloedworst. Top met een gebakken uitjes en een appeltje erbij. Mijn gezin gruwt ervan. Het aantal soorten worst is sowieso groter dan eerder in het jaar. De truffelman heeft ook betere truffels dan in de zomer. De lunch die je hier bij elkaar kunt scharrelen is veel lekkerder en rijker dan in de zomer.

Er is een tijd geweest dat ik in deze tijd naar Roncq reed, een kleine 250 kilometer, om daar bij de Auchan boodschappen te doen. Dozen wijn maar ook een half lam in een tempex-doos. Zakken met groenten voor pot-au-feu, wortel, prei, navettes, ui, selderij, noem maar op. Je kon de bouillon al ruiken. Kistjes met allerlei soorten paddestoelen. De auto zakte ver door de veren bij de terugreis.

Overigens kocht ik toentertijd nog de lekkerste sigaret ooit in Roncq. Tegenover de kerk zat de tabac die Boyards maïs verkocht. Ik nam dan een paar sloffen mee. De sigaretten zijn op enig moment door Brussel verboden. Te lekker waren ze.

Een andere herinnering aan een supermarkt is in l’Aigle, Normandië. Daar hadden we ooit een huisje gehuurd in de herfst en gingen boodschappen doen bij de lokale E.Leclerc. Er stond in de supermarkt een afgesloten glazen kast waar je jachtgeweren kon kopen. Dat vond ik heel mooi. Het idee dat je zelf je eten bij elkaar schiet en dus ook een directe band heb met het dier dat jij doodt. En zo’n geweer koop je gewoon de E.Leclerc.

Parijs

Tja Parijs. Parijs in de herfst is het allermooist. De geur die dan in de parken hangt is hemels en verleidt je om altijd weer terug te komen. Het gevallen blad geeft een zoete geur af, de paden zijn altijd wat vochtig en de mensen bewegen zich nog langzamer voort. Een beetje zitten in de bleke najaarszon op een bankje, liefst met je geliefde. Stil.

De maanden in Parijs heb ik doorgebracht wandelend van park naar park. De Bd Saint-Germain af naar de Jardin des Plantes. Onderwijl boodschappen doen op de Place Maubert, wijn, brood, kaas en worst. Slenteren door de straten is in de herfst heerlijk.

Ben je iets later in het jaar dan verandert Parijs in een uitbundige Kerststemming. Lichtjes, bomen, de geur van kastanjes op straat.

En overigens is het ook heerlijk om als het vroeg donker wordt te winkelen. Niet alleen de grote warenhuizen maar ook wandelen over de Rue du Faubourg Saint-Honoré is voor mij de ultieme najaarstractatie. Ergens een marc drinken als het te koud wordt en licht aangeschoten weer verder gaan.

En altijd even naar het graf van Sartre en Beauvoir natuurlijk. Zeker in de herfst.

L’Automne dus

Ik geef toe: de herfst is sowieso mijn favoriete tijd van het jaar. De warmte verdwijnt langzaam, de dagen worden korter, het licht wordt anders en de geur is heerlijk. Ik had dat als kind al. Maar sinds mijn verblijf in Frankrijk weet ik dat het ideale land in de herfst gewoon zuidelijk van ons ligt. Zo ver is het niet eens en als je de moeite neemt om wat te rijden kom je in een andere sfeer. Wat ik al schreef: gewoon een dag op en neer naar Lille bijvoorbeeld om daar van de stad te genieten en op de terugweg even stoppen in Roncq.

Een hotelletje boeken in Parijs en een paar dagen je laven aan een ander Parijs, een stad met een ander tempo. Maar ook een tikkie verder langs de Loire een reisje maken en kastelen bezichtigen. De Bourgogne waar in de herfst eigenlijk niks te doen is maar waar je fantastisch kunt eten.

En dus altijd weer in oktober naar Carcès. Als ik eenmaal van de snelweg afga en langs Brignoles en Le Val zo naar huis rij, word ik heel gelukkig. Gewoon zíjn en verder niets. Dat is mijn streven. En dat lukt daar volop.

De Côte d’Azur is niet alleen heet, saai en over the top. (*)

De natuur, de mooie stadjes en alle culinaire genoegens langs de Côte d’Azur kunnen je zomaar afleiden van allerlei culturele hoogtepunten. Er is al zoveel te zien! En toch nodig ik je uit voor een trip langs de Côte waarin grote en kleine cultuur centraal staan. Mijn subjectieve keuze en er is natuurlijk veel meer. We beginnen in Marseille en reizen een driehonderd kilometer.

Dag 1: Marseille.

Met zo’n 300 kilometer voor de boeg snuif ik de zeelucht op. Links van me zie ik de oude haven van Marseille, druk, levendig, warm. Tegenover me zie ik het Palais du Pharo en als ik naar rechts kijk zie ik de blauwe Méditerranée. De zee waarlangs we de komende dagen zullen rijden. Het begint hier en het eindigt in Monaco. Op zoek naar kleine culturele verrassingen.

Ik zie dit allemaal vanuit een grote culturele verrassing: het Mucem. Aan de kop van de haven lijkt het een groot blok zwart metaal. Een prachtig gebouw met altijd mooie exposities. Mucem is niet heel groot en dat maakt het zo aangenaam. Je kunt alles tot je door laten dringen zonder de uitputting van bijvoorbeeld het Louvre. Mucem legt ook altijd de connectie met Noord-Afrika, de Maghreb. Altijd verrassende exposities. Vaak prachtig, soms helemaal niet. Ben je er klaar mee? Gewoon wat drinken op het aangename terras en van binnen door het skelet naar buiten kijken. 

Als we naar buiten gaan lopen we richting de oude haven en daar links naar boven, Le Panier in. De oude wijk waar je veel street art vindt en hier en daar ook kleine galerietjes. Sommige vol met kitsch, sommige met verrassend mooie kunst. De sfeer is hier altijd top. Maar ik kom ook voor een ander museum: La Vieille Charité. Je zou er zomaar voorbijlopen, maar doe dat vooral niet. Door de poort naar binnen en je komt in een soort enclave van prachtige architectuur met altijd interessante kunst. De laatste keer dat ik er was hingen er hallucinante doeken van vijf bij zeven vol kleuren. Het was prachtig. En als de kunst wat tegenvalt dan is er genoeg te zien aan de barokgebouwen.

Weer naar buiten, richting haven en weer naar links. Op weg naar cultuur? Zeker. Naar een museum? Niet echt, maar wel een soort van: Maison Empereur. Een winkel, een quincaillerie van bijna tweehonderd jaar oud. Meer dan duizend vierkante meter van aaneengeregen “winkeltjes” waar al die tijd weinig aan is gewijzigd. Als je iets van Marseille wil voelen moet je hier naartoe. Alles kun je er krijgen. Een tijdmachine is het. 

Na een goede lunch in de haven stappen we op de boot naar Château d’If. Een oud fort (1531), lang gebruikt als gevangenis in de zinderende hitte. Als je er rondloopt kun je je voorstellen hoe het moet zijn geweest als gevangene. In de verte Marseille en geen enkele kans om daar te komen. Er is een kleine expositie over een literair werk, De graaf van Monte-Christo. Pure fictie met dit fort als plaats van handeling. Van filmposters tot een ets van Dürer, het is hier allemaal te vinden. Vreemde plek eigenlijk. Wel erg leuk om te bezoeken, al was het maar vanwege de boottocht.

Maar we moeten door.

Dag 2: Îles de Porquerolles

Na een goede nacht in een hotel aan de haven rijden we langs de kust. Een korte stop in Cassis voor een koffie, heerlijk als altijd. Even langs de Calanque de Port-Miou voor het prachtige uitzicht en dan door naar Toulon. Hier is niet zoveel te vinden, hoewel de haven wel heel aangenaam is. We rijden nog zo’n dertig kilometer door naar het uiterste puntje bij Giens, La Tour Fondue, om daar de boot te nemen naar Porquerolles. Ook een vast stekkie. Fiets huren en je kunt in een dag het hele eiland zien, inclusief wat forten, de vuurtoren en strand. Ga in ieder geval naar de Batterie des Mèdes, op het uiterste noordoostelijke puntje van het eiland. Het is een eind lopen maar zeer de moeite waard. Een prachtig bouwwerk en een adembenemend uitzicht. Bezoek ook de Église Sainte-Anne de Porquerolles, een kleine mooie stemmige kerk. En daarna wat drinken bij een van de restaurants op de Place d`Armes.

Wat voor mij als fervent lezer ook van belang is: Georges Simenon heeft hier gewoond en een van zijn boeken speelt zich hier af: “Mon ami Maigret”. Niets meer van terug te vinden, maar als je het boek leest proef je sfeer van dit eiland. Een oase in de zee. 

Een dag op het eiland maakt je rozig; we varen terug naar Giens om daa in de buurt te overnachten.

Dag 3: Saint-Tropez en Saint-Raphaël

De volgende dag gaan we richting Saint-Tropez, de D559 af. Dorpjes onderweg om van te smullen en dan het liefst tijdens een lunch. Gegrilde sardientjes of dorade met een petit blanc en je kunt weer een hele middag verder. 

Saint-Tropez bezoeken we vooral voor het stadje achter de haven en buiten het hoogseizoen. De haven is een tourist trap, terwijl als je iets verder doorloopt merk je hoe relaxed het hier kan zijn. Ik hou vooral van de wijk rond de voet van de Citadel. Rustig, een paar goede restaurantjes en een mooie klim naar boven. Maak die klim vooral! Vanaf de citadel heb je een geweldig uitzicht over de baai van Fréjus tot Sainte-Maxime. Eenmaal boven is er een klein leuk museum, het Musée d’histoire maritime. Mooi vormgegeven én je krijgt een inkijkje in het oude Saint Tropez. Philippe Starck heeft een van de ruimtes ingericht. 

Verder door Sainte Maxime naar Saint-Raphaël. Hier gaan we overnachten in een hotel aan de boulevard. Tja, los van zon zee en zand, is er in Saint-Raphaël iets te beleven? Je kunt naar het Musée Louis Funès natuurlijk, maar ik heb daar niet heel veel mee. Zijn films hebben me nooit kunnen bekoren. Maar er is een festival in Saint Raphael dat heel cultureel en dierbaar is.

Jaren geleden liepen we het stadje in vanuit datzelfde hotel. De boulevard Félix Martin in en toen hoorden we muziek, oude muziek en zang. Op de Place Pierre Coullet was een Provençaals muziekfestival gaande. Een toevalstreffer, maar je kunt het dus gewoon treffen. Muziek, eten, drinken, weinig toeristen en heel veel lokale bewoners. De sfeer was top, warm en zoel, de mensen gezellig en gastvrij en het werd een mooie zomernacht. En nee, dit is geen museum maar wel een kijkje in de culturele rijkdom van de Provence. Men zong er liederen in het Provençaals, wat zacht en rond klinkt, en we konden volop dansen. Dat was toen, maar het is een jaarlijks festival. Kijk op de site van de stad wanneer het precies is en zorg ervoor dat je het net zo treft als wij toentertijd. 

En het hotel is weer prima met vanuit het bad zicht op de zee.

Dag 4: Cannes en Nice

Na het ontbijt op naar Cannes. Dat is voor ons altijd een feestje. Natuurlijk is het heel toeristisch maar daar kun je doorheen kijken. Op de Rue d’Antibes lopen lokale bewoners van allerlei snit in de schaduw van de bebouwing. Stokoude chique vrouwtjes die langzaam voortgaan, zakenlui die haast hebben. Hier, en niet op La Croisette zie je het oude Cannes. We gaan altijd naar twee plekken: de Marché Forville en Le Suquet. 

De overdekte Marché is heel Frans. Alles kun je er kopen voor een prijs per kilo. Je gooit alles in een mandje, het wordt gewogen en je rekent af. Je vindt hier de culinaire cultuur van de Provence. Truffels, allerlei soorten boontjes (flageolet de coco) en poeder van cèpes. Kost wat, maar koop dat vooral. De rest van het jaar smaakt alles beter. Le Suquet is een prachtig stukje Cannes. Krap, overvol en authentiek. En als je van oudheden houdt bezoek dan het Musée de la Castre. Sowieso een mooie plek met mooi uitzicht maar ook een heel prettig museum.

Oh, en vergeet niet naar Ladurée te gaan om de lekkerste macarons ooit te kopen!

Vanuit Cannes is het zo’n veertig kilometer naar Nice. Hier gaan we overnachten in een fijn hotel in het centrum. Na inchecken gaan we de stad in, wandelen. We lopen richting de Promenade des Anglais en dan langs de zee naar het Negresco. Voor het eerst stappen we naar binnen de bar in. Een museaal hotel dat ruikt naar vergane glorie. Nog altijd prachtig maar zeer gedateerd. De reden dat je toch moet gaan is dat het prachtig is. Een heerlijke cocktail bestellen en wat rondlopen in de grote koepelzaal. Vol met kunst waar je stil van wordt. Zelfs de toiletten stralen rijkdom, historie en extravagantie uit. We relaxen en genieten.

Dag 5: Nice

De volgende ochtend gaan we wandelen. We hebben niet helemaal beseft waar we aan zijn begonnen. Ver is het niet maar het is flink klimmen. Waar we naar toe gaan? Een van de mooiste en fijnste musea die we hier kennen: het Musée National Marc Chagall.

Samen met Mucem is dit het omrijden waard. Waar veel andere musea je een inkijkje geven in de geschiedenis of een overzicht bieden van allerlei werk is dit een archetypisch museum. Geheel Chagall en als je binnen bent merk hoezeer Chagall onderdeel is van ons collectief geheugen. Je herkent alles direct, ook al zie je het voor het eerst. Trek hier echt tijd voor uit. Ga zitten op een bankje en kijk gewoon naar één werk. Lees erover. Leer over het merkwaardige leven van de man. Adembenemend is dit. Het museum zelf is heel mooi en licht en er is een fijne tuin. Hier moet je de tijd voor uittrekken, lezen over al het werk, alles op je in laten werken. Prachtig.

Later op de dag huren we fietsen en rijden we de stad uit richting de Colline du Château. Langs de Marché aux Fleurs (mooi stukje Nice) helemaal naar boven tot aan de twee kerkhoven. Prachtig uitzicht en een fijne rit. En als we terugfietsen doen we twee kerken aan. De kathedraal van Sainte-Réparate die groot, mooi en imposant is, en de Église Saint-Jacques-le-Majeur de Nice. Veel bescheidener qua omvang maar zo rijk qua inrichting. Een devote katholieke plek. Dat voel je aan alles.

Dag 6: Monaco

Op onze laatste dag gaan we naar de laatste stop: Monaco. Voor de musea? Nou, niet echt. Sterker nog, voor mij is Monaco een levend museum van overweldigende rijkdom. Je kijkt om je heen en je ziet een automuseum bij het Casino, een botenmuseum in de Port Hercule en natuurlijk een mensenmuseum van de zeer rijken. Maar als je dan toch iets van kunst wil meemaken, ga dan naar de tuin achter het casino. Prachtige beelden en objecten. Mooi en verrassend, gewoon in de open lucht. Je kunt door de kunst heenlopen. En natuurlijk met schitterend uitzicht op zee. Loop ook even het casino in. Het kan en daarom moet je het doen. 

Er is één museum dat ertoe doet, het oceanografisch museum. Spectaculair gebouwd aan zee en een koddig onderzeeërtje voor de deur. Een leuk informatief museum met een mooie collectie. Van levende vissen tot aan gigantische skeletten.

De wijk rond het paleis is zeker heel druk maar wel de moeite waard om gewoon eens doorheen te gaan. Het paleis op zich vind ik wat tegenvallen maar de ambiance is bijna dorps. En je vindt er een van de mooiste panoramische punten die ik ken. In één blik overzie je een heel land. Best bijzonder. Je kunt er ook lekker eten bij een achtergebleven Amerikaan, Tony. Prima plekje en tegenover het paleis. 

We zijn er. De driehonderd kilometer vanaf Marseille zitten erop. Hadden we meer kunnen zien? Vast wel. Kathedralen die we niet bezocht hebben, het Musée de la Légion Etrangère in Aubagne dat we links hebben laten liggen, het Musee Renoir in Nice en ga zo maar door.

Toch was onze trip een mooie mix van hoge en lage cultuur, van geest en lichaam en steeds vol liefde voor Frankrijk.

  • Mucem, 1 Esp. J4, 13002 Marseille
  • La Vieille Charité, 2 Rue de la Charité, 13002 Marseille
  • Maison Empereur, 4 Rue des Récollettes, 13001 Marseille
  • Calanque de Port-Miou, 50 Avenue des Calanques, 13260 Cassis
  • La Tour Fondue, 83400 Hyères
  • Église Sainte-Anne de Porquerolles, Place d’Armes, 83400 Hyères
  • La Citadelle de Saint-Tropez – Musée d`Histoire Maritime, 1 Mnt de la Citadelle, 83990 Saint-Tropez
  • Musée Louis de Funès, rue Jules Barbier, 83700 Saint-Raphaël
  • Website Saint-Raphaël: ville-saintraphael.fr
  • Marché Forville, Rue de Marché Forville, 06400 Cannes
  • Musée de la Castre, 6 Rue de la Castre, 06400 Cannes
  • Ladurée, 79 Rue d’Antibes, 06400 Cannes
  • Le Negresco, 37 Prom. Des Anglais, 06000 Nice
  • Musée National Marc Chagall, Av. Dr. Ménard, 06000 Nice
  • Cimetière de Château, All. François Aragon, 06300 Nice
  • Cimetière Israélite, All. François Aragon, 06300 Nice
  • Marché Aux Fleurs Cours Saleya, Cr Saleya, 06300 Nice
  • Cathédrale Sainte-Réparate de Nice, 3 pl. Rosetti, 06300 Nice
  • Église Saint-Jacques-le-Majeur de Nice, 1 Rue du Jésus, 06300 Nice
  • Casino de Monte-Carlo, Place du Casino, 98000 Monaco
  • Musée Océanographique de Monaco, Av. Saint Martin, Monaco

(*) ook gepubliceerd in En Route, nummer 177, Nazomer 2022.

Een stille begrafenis.

Carcès is een klein dorp dat steeds kleiner wordt. Een krimpende gemeenschap. Sinds 2015 is het dorp met zo’n honderd mensen gekrompen tot 3380 inwoners.

Jongeren trekken weg naar Aix, Toulon of Marseille. Op naar een goede opleiding of werk. De jonge mensen die achterblijven werken wat in de schaarse lokale horeca en retail of in de wijnbouw.

Ouderen zijn er volop en gaan op een dag dood. Na een meest lang en gezegend leven. Vaak in niet al te beste materiële toestand maar wel in goed welzijn. Het dorp is vergevingsgezind voor hen die er blijven. Het tempo is laag, het klimaat lekker en de dag beginnen met een koffie en een croissant is prima. En op een dag zit het leven erop en sterft iemand.

Ik heb in de loop der jaren al veel uitvaarten meegemaakt, van een afstandje, dat wel. Ik loop dat ‘s morgens naar het dorp en op weg naar Bar Central zie ik de zwarte uitvaartbus al staan. Het is altijd een bus. Vijf mensen erbij minimaal. Vier om de kist te dragen en een om voor te gaan. Wachtend.

Dan luiden de klokken, loom en gepast. De pastoor komt in vol ornaat naar buiten, de kist wordt uit de bus geschoven, de pastoor zegent de kist en schouders gaan eronder. De kist wordt de kerk ingedragen met erachter iedereen die de uitvaartdienst wil bijwonen.

De laatste keer vond ik verdrietig. Niet meer dan tien oude mensen stonden te wachten en liepen de kerk in. Tien. Ik heb uitvaarten gezien met meer dan honderd mensen gezien, luidruchtige uitvaarten met vijftig motorrijders. Dit was de kleinste ooit.

Ik zat op het terras met mijn jongste zoon en we spraken over het waarom van die heel kleine uitvaart. Waarschijnlijk een heel oude persoon met nog maar een heel klein netwerkje. Een vol leven dat eindigt als een stipje in de geschiedenis.

Het zet je aan het denken hoe het jou zal vergaan.

De koffie en de cacolac waren op en we gingen naar huis. Later die dag nog teruggegaan om twee kaarsjes aan te steken. Een, zoals altijd, voor al mijn geliefden en de ander voor die voor mij onbekende.

Droogte in Frankrijk

Vlakbij ons dorp ligt een meer, het Lac de Carces. Het is zo’n 2,5 kilometer lang en op z’n breedst 700 meter. Een kronkelige weg gaat er langs en het is er altijd druk. Zwemmen mag je er niet en erop varen is ook ten strengste verboden. Vissers vind je er volop. Een mooi meer, bedoeld als watervoorziening in de Var tot en met de stad Toulon. Een belangrijk meer dus ook.

Er zijn jaren dat het water laag staat maar zo laag als dit jaar hebben we het nog niet eerder gezien. Meters onder het normale peil. Er zijn zoveel stukken geheel drooggevallen dat die veranderd zijn in groene weiden. Het enige dat ontbreekt zijn de koeien.

Het is droog in de Var. Al maanden heeft het er nauwelijks geregend en als het al regent, zoals afgelopen week, dan verdampen de dikke druppels op het moment dat ze de grond raken.

Het is zo droog dat de lokale bewoners niet gewoon klagen, want dat doen zij bij ieder weer, maar bezorgd zijn. Een beetje hete zomer is goed voor de wijn, meer smaak, meer gecorseerd, maar deze zomer is toch echt anders dan de eerdere, zo zegt men. Het is niet gewoon warm maar onrustbarend warm.

We hebben zomers meegemaakt waarin de temperatuur opliep tot 40 graden plus. Op sommige dagen. Die temperatuur is dit jaar redelijk normaal. De nachten zijn niet meer koel, zo rond de 16 graden maar warm. 23, 24 graden gemiddeld. Iedere nacht weer.

Ik heb een boek laten liggen op een vensterbank en dat boek was door en door warm de volgende ochtend. Echt warm.

Weer is geen klimaat, klimaat kun je vaststellen door langdurig het weer te bestuderen, te volgen, en te vergelijken met eerdere periodes. Aan de hand van een jaar voortdurende droogte en hitte zal ik geen uitspraak doen over klimaatverandering. Sterker nog: ik ben geen klimatoloog en ik heb er dus geen verstand van.

Wat ik wel weet is dat de lokale bewoners verontrust zijn. Dat zij iets zien dat zij niet eerder hebben meegemaakt. Iets dat niet goed is.

Ik relativeer dingen graag om niet overal een crisis in te zien, of de ondergang van het Avondland. Ik relativeer de hitte in de Var dus ook en ik wil er geen voorbode in zien van iets dat onbeheersbaar is en daarmee zware gevolgen zal hebben.

Maar ik ben er niet gerust op.

Diep in Frankrijk, waar niets gebeurt?

Een typisch Frans dorp, ver weg van Parijs, diep in het zuiden. Mensen om half elf ’s morgens op het terras achter een biertje of een p’tit blanc, kletsend, rokend. Lome sfeer omdat het wederom een warme dag zal worden. Hier en daar een verdwaalde toerist met een croissant achter een kop koffie. Zich verbazend dat je hier je meegebrachte croissants gewoon op het terras mag opeten. In je eigen land zou je weggejaagd worden.

Een hoofdstraat met drie boulangers, een slager, twee kleine supers en nog het een en ander. Veel is het niet.

Veel is het wel geweest. Er was een Presse, met een kale altijd goedgehumeurde eigenaar die kranten verkocht van over de hele wereld. En speelgoed. En pennen en papier. En asbakken. En snoepgoed. En de Gala. Hij verkocht van alles, behalve sigaretten. Daarvoor moest je naar een van vier buralistes die dat wel mochten. De kale eigenaar had er altijd goede zin in. Tot op een zekere dag hij dat niet meer had. Les Mousquetaires, de supermarkt net buiten het dorp, verkocht opeens ook tijdschriften. Niet veel later stopte hij ermee. Hij vond het niet meer leuk. Zijn winkeltje werd overgenomen door de eigenaar van de supermarkt die het weer aan zijn dochters gaf. Alles werd verbouwd, de dochters bleken geen enkel talent te bezitten (of het moet het volstrekt negeren van klanten zijn geweest) en niet veel later was de winkel leeg.

Er zit nu een makelaar.

Van de vier buralistes zijn er nog twee over. Annex barretje, dat helpt. Er was ook ooit een speelgoedwinkel. Hadden veel Lego en de zonen konden er naar hartelust rondkijken. Soms kocht ik wat voor hen en de eigenaren waren leuke kindvriendelijke mensen. Ze stopten ermee en toen kwam er een jongere dame die het niet op kinderen had. Zelden in een speelgoedzaak zoveel chagrin tegengekomen. Ze kreeg het voor elkaar dat de zonen er niet meer naartoe wilden. Exit speelgoedzaak. Even heeft er nog een hamburgertent gezeten, maar hier eet men liever pizza. De pizzatent is er nog, Totolina.

Een echt Frans dorp dat ooit vol leven was. Restaurants, winkeltjes, ontmoetingsplekken, drukte. Maar de wereld verandert. Toeristen willen meer luxe, meer winkels bij elkaar met een breed assortiment. En ook de lokale bewoners kopen liever bij de Ecomarché omdat dat voordelig is. Alle crises hebben hier flink toegeslagen. Het inkomen is laag en iedere euro is er een. Dus ook de salle à manger op de foto is reeds lang gesloten. Het grootste hotel, het enige hotel van het dorp is dicht. Het wordt nu verbouwd en de gevel doet vermoeden dat er weer groots gelogeerd kan worden op termijn.

In de loop der jaren is het dorp minder druk geworden met winkeliers en andere neringdoenden. Af en toe een toerist die graag goed brood koopt en zich God in Frankrijk waant op het terras van Le Central.

Maar er is meer. Er komen weer nieuwe zaakjes terug. De groenteboer die ermee was gestopt, geen opvolging, liet een lege zaak achter. Ene Marie is gekomen en heeft er nu weer een bloeiende zaak van gemaakt voor de lokale bewoners. Net zo duur en vaak goedkoper dan de supermarkt: Chez Marie Fruits et Légumes. Er is een koekjeswinkel gekomen waar je allerlei lokale lekkernijen kunt kopen. De lokale ‘troisfoisrien’ is er ook nog steeds. Telkens een andere mevrouw die de scepter zwaait, maar je kunt er voor een habbekrats van alles en nog wat kopen.

Het dorp is veranderd. En het oude dorp zal niet meer terugkomen. Vroeger is dood, dus het is hoe het is.

Als je goed kijkt zie je door alles heen ondernemingsgeest, zorg voor de lokale economie en de wil om er iets van te maken. Dat hebben ze hier volop. Niet bij de pakken neerzitten, maar doen. En intussen stemt een meerderheid op RN. Dat dan weer wel. Een meerderheid van een minderheid die is gaan stemmen. Met wantrouwt Parijs en vindt tegelijkertijd dat Parijs meer moet doen voor de lokale economie.

Er gebeurt dus veel maar in zo’n laag tempo dat je het bijna niet waarneemt. Goed opletten en blijven kijken dus. De vertraging verdragen, dat moet je wel kunnen.

Wat makkelijk is als het hier al meer dan twintig jaar komt.

De dood en de levenden

Onlangs schreef ik over de dood van mijn vader. Over hoe hij in de oorlog uit Oostenrijk naar Bretagne was gelopen met een stel kameraden. Ik schreef dat ik een kleine foto heb van die tijd in Bretagne, hoe hij een koe zit te melken.

Het geheugen is een van de minst betrouwbare bronnen om op terug te vallen en te vertrouwen. Die foto bestaat, genomen door mijn vader en hij staat er dus niet op. Wel heb ik een foto van hem gevonden in het struweel, gekleed in te grote vuile kleren.

Omdat sinds de dood van mijn vader ik tot de levenden behoor die hem nog koesteren: hierbij die foto. Genomen ergens in de buurt van Quimperlé, Bretagne.

De populistische oncoloog

Je zit bij de oncoloog omdat een uitslag negatief is. Je hebt kanker. Een zwaar oordeel en wellicht het einde van je toekomstdromen. De arts probeert heel genuanceerd uit te leggen wat de uitslag is, wat de verwachtingen zijn, wat de mogelijkheden zijn en dat het een lang proces gaat worden. Dan opeens zwaait de deur open en komt de populistische oncoloog binnen!

Bam! Lawaai. Wat een entree. Hij doet de pc van jouw arts uit en zegt dat foto’s van je binnenste niet je binnenste zelf zijn! Dat je er over heen kunt groeien, dat kanker een kwestie van perceptie is en sinds wanneer geloof jij nou de medische elite? Daar kun je toch niks van verwachten? Worden ook allemaal betaald door medifarma’s die jou bang willen maken en daarna dood. Ben je gek geworden? Zie je niet wat er gebeurt? Loop maar met mij mee want wat jij hebt komt heel vaak voor en is doodgewoon. Gezonder gaan leven en iedere dag 12 liter water drinken en de mail van het ziekenhuis niet meer openen! Je zult zien, binnen drie maanden zijn je klachten weg.

Hij kijkt je aan. Brutale blik met ogen die geen tegenstand dulden noch verwachten. Wat ga je doen, lijken ze te zeggen: een beetje de wetenschap volgen die vol zit met schimmige theorietjes of wil je beter worden? Echt beter en geen mak schaap in de handen van het ziekenhuis.

Tja, daar heeft hij een punt. Je buurvrouw kent iemand die alleen maar zieker werd van de behandeling en ook doodging. Na heel veel jaren, maar toch. En een kennis van een kennis heeft ook veel water gedronken en die leeft nog steeds. En laatst las je op FB van die neef van 51 die opeens dood was na een prik in het ziekenhuis. En je wilt niet ziek zijn, je wilt je goed voelen. Je wilt geen vragen van een arts, je wilt oplossingen.

Je groet je eigen arts en loopt achter de populistisch oncoloog aan. De gang door, het ziekenhuis uit een ander gebouwtje in en daar blijkt het enorm vol te zitten. Mensen met aandoeningen die zichtbaar zijn. Jouw kanker is niet zichtbaar en ja, ja bestaat die kanker eigenlijk wel? Nu je het zegt, je voelt al een stuk beter. Je neemt plaats tussen alle anderen en komt erachter dat jouw oncoloog wordt betaald door een groot watermerk. Posters aan de muren en een heel groot waterapparaat.

Eindelijk ben je aan de beurt. Je gaat naar binnen en wordt ontvangen met een brede lach. Zo, dus jij schaart je achter de grote beweging. Beweging? Welke beweging. Die van opstand tegen de gevestigde elite die er alleen maar op uit is mensen ziek te maken door onderzoek. Onderzoekt u me nog, probeer je voorzichtig? Nee, natuurlijk niet. Alles wat je onderzoekt levert altijd een negatief resultaat op en het is onzin, je moet vertrouwen op je eigen gevoel. Hoe je je voelt? Prima eigenlijk wel, nu je erover nadenkt. Zie je! Nog twee gesprekken en 12 liter water per dag en je bent er doorheen. Mindset, framing, elite, woorden die hij gebruikt. Je vraagt hoelang hij al arts is. Arts? Nee, natuurlijk niet. Dan hoor je erbij, bij die elite. Nooit. Een beetje lid zijn van een beroepsvereniging en moeten vergaderen. Vergaderen en de tijd nemen en onderzoeken lezen is precies wat ze willen. Zo word je monddood. Je moet nooit vergaderen of dingen lezen, je moet actie voeren. Oppositie voeren, en dat doe je je vanuit de buitenkant. Uitgaan van je eigen kracht!

Een beetje overdonderd vertrek je naar huis. Je hebt een vouchercode voor de eerste 24 flessen water. Gratis! Je voelt de energie van die vent die geen arts is. Nou ja, die hebben toch ook geen clou en zitten er altijd naast. Hij heeft gelijk, als die onderzoeken zijn er om je om te toveren tot een mak schaap. Je neemt er een borrel op en je gaat slapen.

’s Nachts word je wakker van een zeurende pijn in je maagstreek.

Bij de dood van mijn vader

Vaderdag 2022. Deze rede heb ik uitgesproken op de begrafenis van mijn vader die op 6 februari 2007 is overleden. Bedoeld eigenlijk voor alle vaders, overal. 

Voor U staat een wees van 47 jaar oud. In minder dan 8 jaar heb ik mijn beide ouders verloren en ben ik zelf vader geworden van twee zonen. Sinds dinsdagnacht ben ik zelf geen zoon meer.

Vandaag begraven we mijn vader, Ben Koopman. Zijn voornaam betekent “sterk, moedig als een beer”.

Ik wil U graag wat meer over hem vertellen en over zijn leven. Gewoon omdat ik dat wil, maar ook omdat er achter deze grote, vaak zwijgzame, man een leven zit dat vol en volledig genoemd mag worden.

Mijn vader was een man met wat we tegenwoordig een hoog EQ noemen. Heel veel gevoel en een groot inzicht in wat de mens drijft. En altijd een wijs oordeel. Was mijn moeder voor mij een inspirerend twistpunt, mijn vader was voor mij altijd een ijkpunt als het ging over de keuzen in mijn leven. Het was ook een man van maar drie boeken, maar die drie boeken hebben hem wel gevormd. Het waren de Bijbel, De Ziener van Patmos en Wout de scheepsjongen.

Uit dat laatste boek wil ik graag iets voorlezen.

Dromen van heldendom.

Wout is een jongen die naar zee wil. En, zoals dat hoort, zijn moeder is daar op tegen maar uiteindelijk krijgt hij haar zegen om te gaan. Op zee vinden zijn kameraden dat hij nergens voor deugt, hij is niet handig en ze laten hem een beetje links liggen. Tot er een storm komt en hij op kracht en wilskracht een kind, Dora, redt. Hijzelf haalt het maar net en dan komt de kapitein bij hem kijken:

“’Ja ja mijn jongen, je was toch een zeeman..een held; ja, maar we wisten het niet. Ik zal je bij je moeder brengen als je beter wordt. ’t Oude mensch mag trots zijn op zoo’n jongen.. God zij gedankt dat hij mij zoo’n jongen gaf op mijn schip… ‘Wout hoort het niet. In wondermooie droomen ligt zijn ziel gevangen.” Wout slaapt, uitgeput.

Mijn vader is altijd mijn held geweest, ook al wist niet iedereen dat. En man om ongelooflijk trots op te zijn en nu ligt zíjn ziel in wondermooie dromen gevangen.

Dit boekje heeft mij vader gelezen na 1933. In 1936, hij is dan 13 jaar oud, wordt hij matroos bij Damco. In 1939 gaat hij varen bij rederij De Tijdgeest. Op 28 maart 1940 zet hij de stap naar de grote vaart en krijgt zijn eigen monsterboekje. En dan opeens breekt de oorlog uit. ‘Den oorlog’ zoals hij altijd zei. De droom van Wout de Scheepsjongen houdt op.

De oorlog.

De oorlog die hem voor de rest van zijn leven heeft getekend. Hij is opgepakt voor de Arbeidsinzet, is ontsnapt, kwam in Wenen terecht waar bij op een tram reed en bokste. Gevlucht uit Oostenrijk is hij met een aantal kameraden naar Bretagne gelopen. Ik heb nog een heel klein fotootje waar je een aantal jongens een koe ziet melken. Mijn vader zit daarbij. Terug in Nederland weer werd hij opgepakt voor verzetswerk en kwam terecht in Kamp Amersfoort. Gevangene nummer 8017. Ergens in 1943 moet dat zijn geweest. In 1944 stond hij op een lijst om getransporteerd te worden naar Buchenwald. 

Dat is duidelijk niet gebeurd. Ik sta hier immers. De toenmalig directeur van het SAZU heeft hem gered uit het kamp. Op 28 mei 1944 is hij door commandant Berg ‘Entlassen’, en op 7 augustus 1944 is hij gaan werken in het ziekenhuis, nu het UMC, waar ik precies 15 jaar later geboren ben en hijzelf deze week is gestorven.

Op 16 juni 1945 meldt hij zich aan bij de Binnenlandse Strijdkrachten waar hij chauffeur wordt. Tot zijn grote ergernis zitten bij de BS ook lieden die hij nog kent uit de oorlog, toen niets deden en nu opeens de held uithingen. Mijn vader had de pest aan schijnheiligheid. Over heiligheid zo meer.

Ik ben stil blijven staan bij de oorlog. Over dat deel van zijn leven werd altijd gezwegen thuis. Ik kan me niet voorstellen hoe het moet zijn om op je 17de in een oorlog terecht te komen, in het verzet te gaan, op transport te worden gesteld, te vluchten, te lopen naar Bretagne, weer te worden opgepakt en dan maanden te moeten overleven in een van de wreedste kampen van Nederland.

Een waarlijk wonder is het dat mijn vader, in zijn zwijgen over de oorlog, altijd een opgeruimd en vooral een positief mens is geweest. Ondanks alles.

Door met leven.

Nu dan nog iets over heiligheid. Mijn vader is grootgebracht met het geloof. Niet een beetje losjes, maar zeer streng. Allerlei geloven zelfs. Op 24 augustus 1947 is hij gedoopt en heeft belijdenis gedaan voor de Kerk der Zevende dag Adventisten. Zijn binding met die kerk duurde niet erg lang.

In 1951 leerde hij mijn moeder kennen en heeft hij de kerk volledig de rug toegekeerd. Misschien was het wel zo dat wie met mijn moeder leefde, geen God nodig had. Zijn oudtestamentisch gevoel voor goed en kwaad heeft hij altijd behouden.

In 1953 zijn mijn ouders getrouwd. Mijn zus was er in 1956 en ik in 1959. Mijn vader was voor mij mijn rots in de branding. Hij was niet meer de man van de grote vaart, niet van de grote daden in het verzet of van de opbouw van Nederland. Wat was hij wel voor mij?

Op de vierkante meter van het gezin was hij er altijd, zonder voorbehoud en zonder voorwaarden. Hij nam mij zoals ik wilde zijn, ondanks zijn eigen mening. Die liet hij altijd horen maar van mij verwachtte hij geen gehoorzaamheid of zo. Eenmaal kreeg ik een inkijkje in zijn geloofsachtergrond. Ik was een jaar of 18 en werd lid van de CPN. Ik vertelde mijn ouders dat. Hij keek me aan en zei ‘die partij is van de Satan’.

Verder was zijn vraag altijd ‘ben je gelukkig?’ Als het antwoord ‘ja’ was, was het ok. En bij ‘nee’ ging hij zitten en luisteren.

Hij was er altijd. Maakte ’s morgens de kolenkachel aan zodat we warm konden worden. Hij had voor mij een kuil aan de rechterkant van zijn lichaam waarin ik lekker kon zitten. Op een zeker moment had hij vier banen (meteropnemer, bladenman in de avonduren, scholen schoonmaken samen met mijn moeder en twee nachten per week bij de Lubro brood bakken) om op vakantie te kunnen. 

Dat deden we volop. Eerst in de scooter met zijspan naar Limburg. Later met de auto naar Italië. 

Mijn vader was een fysieke man. Ooit werd ik bedreigd door een buurman en ik belde mijn vader of hij mij en mijn vriendin kon komen halen. Hij kwam en belde bij de buurman aan. Door de brievenbus zei mijn vader dat hij even wilde praten. De buurman deed open. Het was een bovenhuis. De deur ging open en mijn vader sloeg de man de trap op met de woorden ‘van mijn zoon blijf je af’. 

Mijn vader was de held over wie hij las als kind. Of hij nou op een boot zat of niet: als er storm was zorgde hij ervoor dat ik uit de brand werd geholpen. Steeds weer.

Het einde en verder moeten.

De avond van zijn dood vroeg ik aan hem hoe het met hem ging. Hij zei “Je hoopt er het beste van. En als de hoop ijdel blijkt te zijn dan zien we wel weer verder”.

De hoop bleek ijdel en wij moeten verder zien. Wij zijn wees, mijn zus en ik, en moeten verder zonder onze vader. Ik moet verder zonder mijn ijkpunt.

De eik is geveld. Ik heb altijd gedacht dat dat niet kon. Ben hoort dit alles waarschijnlijk niet. In wondermooie dromen ligt zijn ziel gevangen. Ben slaapt. Uitgeput.

Ik heb wel een schrale troost. Als ik in de spiegel kijk zie ik steeds meer mijn vader. En ook ik zet ’s avonds alles klaar voor het ontbijt. En ook ik ben liever te vroeg dan te laat. En ook ik hou van gevulde koeken, gangmakers en bloedworst.

Voor mijn vader dan ook nu een prachtig nummer van Neil Young, Old Man.

Rust zacht pa en dank voor alles. Ik kan met alleen maar liefde aan je denken.

Het ligt allemaal aan de Tweede Kamer (en niet aan Rutte)

Afgelopen week weer een verheffend ‘debat’ in de Tweede Kamer bekeken. Iedereen weet inmiddels dat Rutte een oude mobiel heeft omdat hij daarmee sms’jes kan versturen. Iedereen weet inmiddels ook dat hij nog maar een paar jaar geleden het tegendeel beweerde. Iedereen weet inmiddels dat waarheid in de handen van onze premier een fluïde begrip is. Een land dat wordt geleid door iemand die zich of niets herinnert, of zegt dat hij weliswaar betrokken is bij alles maar niet betrokken is, of aankondigt radicaal nieuwe ideeën te hebben over de werking van het politieke bedrijf, iemand die van alles zegt maar uiteindelijk niets van dat alles doet heeft zijn eigen bullshit baan gecreëerd.

Nu kwam er veel over me heen op Twitter toen ik nogal kritisch was op Rutte. Van het argument dat hij toch al 11 jaar de boel bij elkaar houdt (die opmerking vond ik nogal paradoxaal en ironisch) tot aan het argument dat we een parlement hebben met 150 kwezels.

Is dat zo? Is het parlement gevuld met kwezels?

Tenminste is het zo dat wat er ook gebeurt, Rutte kan doen wat hij wil zolang hij kan steunen op een kleine meerderheid. Geen van de vier partijen zal tegen hem stemmen. Hoe stoer D66 en CU ook doen: uiteindelijk heeft men slappe knieën. Maar goed, dat is het ultieme monisme: kabinet en regeringspartijen zijn één entiteit. Dat is al langere tijd zo.

Maar de oppositie dan?

Tja, je zult maar oppositie zijn in deze Tweede Kamer. Strijdend tegen een blok beton, gesloten rangen van regering met fracties. Dan kun je niet veel anders dan nu toch?

Ben ik toch anders over gaan denken.

Ik vond het debat de zoveelste déconfiture van Rutte, laat ik daar helder over zijn. De man is leeg. Maar wat pakte te oppositie het dom aan.

Laat het me uitleggen. Het gaat me niet om als die een- en tweemansfracties. Dat is gewoon een abberatie in ons systeem. Het zijn Hadjememaars van het zuiverste soort. Lekker rellen en geen enkel coherent idee. Jammer, maar ze zijn er nu eenmaal.

De grote oppositiepartijen bakten er helaas helemaal niks van. Zoals dat tegenwoordig wordt gezegd: ze gingen mee in het Nokia-narratief over de sms’jes. Dat hadden ze nu juist niet moeten doen. Wat dan wel?

Oppositie voeren tegen een gebrek aan beleid en een gebrek aan visie. Oppositie voeren tegen de geestelijke leegte die Vak-K is. Duidelijk zeggen dat de tijd van de volksvertegenwoordiging heel kostbaar is. Duidelijk zeggen dat ze het juist niet over die sms’jes gaan hebben omdat er een achterliggend probleem is dat veel groter is: burgers die massaal in de steek worden gelaten en worden gewantrouwd. Dat het wantrouwen waar Rutte zo Groep Krul-achtig op reageert (en nu stoppen hoor want ik vind het niet meer leuk) de standaardhouding van de overheid is richting burger. Daarover had het moeten gaan.

En ik weet dat iedereen op zoek is naar de soundbite die ’s avonds op tv wordt herhaald. Maar kies andere soundbites. Breng een motie in dat je wilt dat dat wat Rutte voor zichzelf opeist, blind vertrouwen, de standaardhouding vanuit de overheid moet worden. En ga dan niet over tot de orde van de dag. Hamer erop. Maak Rutte boos, zorg dat hij daarover uit zijn vel springt en niet wegkomt met slap ge-oh. Sta voor de mensen die het nodig hebben. Praat over huisvesting, zorg, werk, inkomen, energie, veiligheid. Het gaat helemaal niet over sms’jes, het gaat over vertrouwen dat ten diepste is geschonden. Benoem dat. Geef de mensen in het land die de politiek niet meer geloven een stem.

Dat gebeurde niet. Het werd steeds gekker. Eerst moest er direct uitleg komen, toen zegde Rutte een brief toe (wat handig is) op korte termijn (geen idee wat dat is) en het eindigde met Klaver die eiste dat om 18.00 uur die brief er moest liggen. Het was op dat moment rond 16.00 uur. Ik heb geen idee of die brief er is gekomen. Wat blijft is het beeld: opgewonden drukke politici die steeds verontwaardigder worden en eisen stellen die qua uitkomst niet meer controleerbaar zijn. Een premier die zegt ‘ik moet nu echt weg’ en joviaal zwaaiend de TK verlaat.

Het wordt tijd dat de oppositie een visie ontwikkelt en die gaat benadrukken. Reageren op de waan van de dag is niet alleen doodvermoeiend maar zinloos. Dat weten de potentiële stemmers ook. Die hebben immers met de waan van de dag te maken (bijvoorbeeld je energierekening) en zullen op politici stemmen waarvan ze verwachten dat ze de macht die ze hebben zullen inzetten om hun leven beter te maken.

Het debat van afgelopen week was dus inderdaad ook een déconfiture van de Tweede Kamer. Rutte is er sterker uitgekomen, CU en D66 zijn de vazallen van de macht en de overige partijen pakken niet door. Integendeel.

Het ligt aan hen en niet aan Rutte.