De boekhandel als tijdmachine

Je staart naar het heelal en je kijkt in het verleden. Op miljoenen lichtjaren afstand staan sterren en je weet dat wat je ziet er misschien niet eens meer is. Heel ver verleden. Maar ook dichterbij is het verleden aanwezig. Als de zon nu zou ontploffen merken we dat pas over 8,3 minuut. We leven kortom in een tijdmachine, waarbij ook mijn verleden er is op het moment dat ik dit schrijf. Het is alleen redelijk abstract. Je weet dat het zo is maar het overkomt je. Het is een gegeven dat we niet kunnen manipuleren.

Tijdmachines, zo leren we, kunnen niet bestaan. Echt?

Ik ben tot het inzicht gekomen dat mijn eigen tijdmachine bestaat en boekhandel heet. Concreter nog, de boekhandel in mijn dorp. Nog concreter: Boekhandel Kramer & van Doorn.

Als ik de boekhandel binnenga dan stap ik in een ruimte waarin zich allerlei deuren bevinden. Deuren naar het verleden, naar het nu, maar ook naar de toekomst. Deuren die ik ken, andere die ik links laat liggen en soms ook een nieuwe deur. En hoewel de boekhandel begrensd is in tijd en ruimte is de toegang tot die andere werelden oneindig uitbreidbaar.

Mijn route is altijd dezelfde. Ik loop binnen langs de tafels met bestsellers. Die bekijk ik nooit. Ik loop naar achteren en ga naar de kasten met filosofie. En daar gebeurt het. Die kasten gaan open met ieder boek dat ik zie. Ik kan heel ver terug in de tijd als ik een boek van Plato pak en opensla. Ik stap dan in het Griekenland van eeuwen geleden. Ik kan oppervlakkig kennismaken met hem maar ik kan ook ervoor kiezen de komende weken rond te dwalen in het oude Athene. Van recentere datum kan ik de laatste vertaling pakken van het werk van Kant. Met hem meelopen op zijn wandeling door Koningsbergen zo rond 1790, iedere dag dezelfde wandeling met steeds andere en diepere gedachten. Ik kan Savater pakken om na te denken over politiek in deze tijd. Of Žižek. En ik kan opeens een geheel nieuwe deur openen en voor het eerst een boek van Giorgio Agamben lezen.

Daarna ga ik altijd naar literatuur. En daar is het precies hetzelfde. Ik kan de oudheid in door de deur te openen die Dante heet. En ik kan over die andere oneindige bibliotheek lezen bij Borges. En soms word ik gegrepen door een titel die voor mij een opening geeft naar een nieuw stuk heelal. Een titel als een wormgat naar een voor mij onbekende dimensie. Zwarte Schuur was voor mij zo’n titel.

Vaak kies ik voor bekende deuren naar bekende delen van de ruimtetijd. Dan koop ik het laatst uitgegeven boek van Beauvoir bijvoorbeeld. In dát deel van het verleden vertoef ik graag. De jaren 60 en 70 van de vorige eeuw zijn in mijn verleden belangrijk. Ik hou die tijd graag dichtbij en door zo’n boek te kopen lukt dat me ook.

Door alles te lezen reis ik door de tijd. Door veel te lezen krijg ik niet alleen een beeld van al die eeuwen maar ik kan het ook bijna ruiken en voelen. De tijd is dichterbij gekomen en al dat verleden wordt ook mijn verleden.

Sterker nog: door te lezen word ik onderdeel van die tijd, van het nu en van de toekomst mét al die mensen. De auteurs maar ook de personages in al die boeken. Ik breid mezelf uit in het heelal.

Maar hoe zit het dan met de toekomst?

Ook die is toegankelijk. Ik loop naar de kasten Maatschappij of Wetenschap en daar kan ik toegang vinden tot de toekomst. Of beter gezegd: tot hoe we nu over de toekomst denken.

Ik heb toegang tot de toekomst van de multiculturele samenleving bijvoorbeeld, waarbij ik met een ander kan meelopen en praten en denken over voordelen en nadelen. Maar ik kan ook in gesprek gaan over de Snarentheorie als alternatief voor of verdieping op de elementaire deeltjes van de kwantummechanica.

De boekhandel stelt me zelfs in staat het verleden niet alleen te betreden, maar opnieuw te creëren. Ik neem een kookboek met recepten die al eeuwen bestaan en maak die thuis na. De geuren gaan door het huis. In het nu kan ik zo de wereld over reizen. Ik kook heerlijk Koreaans. Ik neem een recept, ga bij de toko Koreaanse kruiden en kruidenpasta’s koken en ga aan de slag. En als ik daarmee bezig ben, weet ik dat op enig moment aan de andere kant van de wereld ook iemand dit bereidt.

Ik kan zo doorgaan. De afdeling reisboeken. Theologie. Ik stap de deur door samen met Anselm Grün die me dichterbij Benedictus brengt. Mij met hem laat wandelen. Geschiedenis, om een van de vele biografieën van Churchill te lezen. Contact met de Boerenoorlog of met Duinkerken waar ik ooit op het strand stond.

Omdat de fysieke boekhandel mij dit allemaal geeft zal ik nooit online boeken kopen. Het is niet alleen een kwestie van je lokale winkelier ondersteunen. Het is veel meer. Het is een panopticum waarin ik stap bij binnenkomst en waar ik een paar maal per week een deur open en in mijn eigen tijdmachine stap. Zo had Bentham zijn panopticum niet bedoeld – dat ging om een gevangenis, om het uitoefenen van macht over anderen – maar het principe is hetzelfde. Ik sta op één punt, mijn leven, en zie alles om mij heen en meer. Ik heb de macht om door deuren te lopen en nieuwe werelden te ontdekken. Mijn panopticum draait om vrijheid en reizen in de tijd.

Wow, kun je denken als je dit leest. Dat een gewone boekhandel dit doet. Of je kunt denken, ‘die Koopman draaft wel wat door’. Mag allebei. Maakt me niet uit. Wat ik weet is waar mijn fascinatie voor de boekhandel vandaan komt en waarom ik er werkelijk iedere dag opnieuw, even gretig kan rondlopen. Omdat het mijn eigen tijdmachine is waarbij de wereld toegankelijk wordt gemaakt. En het goede nieuws is dat er geen einde aan komt. Er is altijd een nieuwe deur naar een nieuwe bestemming, of gewoon een nieuw inzicht achter een bekende deur.

Een dag niet lezen is een dag niet leven.

Een kerk als een damestas

Wat toeristen doen als zij in een buitenland zijn: kerken bezoeken. Waar de gemiddelde Nederlander nooit een Nederlandse kerk van binnen ziet, gebeurt wel in het buitenland. Ik doe niet anders als ik in het buitenland ben. Overigens zie ik Nederlandse kerken wel van binnen. Althans, in mijn eigen dorp.

Maar goed, ook in loop altijd een kerk binnen als ik er een zie. In de loop der jaren moeten dat er toch heel veel zijn. Van kapelletjes tot aan de grootste kathedralen. Ooit, lang geleden heb ik eens in een dorpje de kerk bezocht waarin ik een kaarsje aanstak. Bij het kistje met kaarsen stond een kaartje met de tekst: ‘steek een kaarsje op als teken dat je hier bent geweest en dat je aan iemand dacht’. Doe het dan maar eens niet. In ons dorp in de Var steek ik iedere dag een kaarsje op. Je weet maar nooit.

Zoveel kerken en kerkjes. Sommige oninteressant, andere weer onderdeel van het hele netwerk van kerken in Europa die ooit zijn gebouwd door de Tempeliers.

Ik wil het nu over één specifieke kerk hebben. Hoe kwamen we daar?

Het is alweer wat jaren geleden dat wij vertrokken, het was herfst, naar Picardie. Mooi glooiend landschap, niet al teveel te doen en dus vooral tot rust komen. We hadden wat gehuurd in een landhuis in Sainte Preuve, een gehucht. Een landgoed zoals je het je voorstelt: mooie oude muren, oprijlaan met bomen in herfstkleuren en een mooi oud gebouw. Prachtplek. Het werd gerund door heel aardige mensen die goed voor ons zorgden. Lekker eten, een fijn ontbijt en een prachtige suite.

Verder niet veel te doen inderdaad. Dat betekende in de auto en eerst naar Laon. Vanuit de verte zie je Laon liggen: kroontje op een heuvel. Een mooie oude stad maar wel arm. Veel winkels waren dicht en je voelde dat de goede geest er even niet heerste.

We stapten in de auto en reden naar het noordwesten, naar Saint-Quentin. Beetje rondrijden op zoek naar een parkeerplek en toen de stad in. Er was duidelijk meer leven dan in Laon en we lunchten wat. We gingen wandelen, liepen een hoek om en daar stond een kerk. Niet zo mooi en zeker niet imposant. Je ziet dat er enorm aan gerommeld is in de loop der jaren. De drukke weg tussen ons en de kerk in. We staken over en gingen naar binnen.

En dan gebeurt het.

Tegen mijn vrouw zei ik later dat het een kerk was als de tas van een vrouw: van buiten klein maar van binnen eindeloos groot. De kerk van Saint-Quentin is precies zo. Je stapt een kleine entree binnen en dan opent zich de oneindige ruimte die het geloof moet zijn. Dat wordt verder benadrukt door het kale interieur. Alsof de kerk is leeggehaald, zo ziet het eruit. Ik werd stil in de uitgestrekte ruimte waar je weinig afleiding hebt. Je kunt niet anders dan ondergaan wat het is: een verbinding tussen de aarde waarop je staat en de hemel waar je naar reikt. Je voelt je eigen nietigheid. Doordat alle drukte buiten is gesloten is de stilte immens. De verstilling.

Je kijkt omhoog en ziet de pracht van de gebrandschilderde ramen. De kleuren en het licht erdoor als nabootsing van de Stad Gods. Dan kijk je naar beneden en je ziet dat je op een labyrint staat. Als teken van het zoeken van de mens naar de kern van het leven. Geen opsmuk. Geen rijkdom of pracht en praal. Gewoon jij als sterveling in deze kerk die er al eeuwen staat, branden heeft overleefd en in WOI bijna vernietigd is. En je weet dat als jij er niet meer bent, deze kerk er nog steeds zal zijn. Ongenaakbaar.

Ik ken geen andere kerk die dit effect heeft op mij. Zeker: de verhoudingen zijn altijd zo gekozen dat je je prettig voelt. De Gulden Snede, de verhoudingen van de Ark des Verbonds, Fibonacci (\varphi ): alles is meegenomen in het ontwerp van kerken. Vooral de Tempeliers waren daar heel consequent en consciëntieus in. Dat maakt dat je een soort volmaakte ruimte binnenstapt. Maar zo volmaakt als in Saint-Quentin had ik niet eerder en heb ik daarna niet meegemaakt.

Nog steeds, na al die jaren, is deze kerk voor mij een soort archetype van de kerk. Ik heb er veel gezien met juist wel heel veel pracht en praal. In Frankrijk, Spanje, Rome, Duitsland, Zweden, waar niet eigenlijk. En ik ben erachter gekomen, dat naarmate de mens meer moeite doet om het geloof aan te kleden met van alles en nog wat datzelfde geloof op de proef wordt gesteld. Als je je eigen nietigheid wilt voelen in een gebouw dat al eeuwen bestaat, reis dan af naar Saint-Quentin en onderga het wonder van de damestas. Klein van buiten, van binnen oneindig groot.

Inmiddels is de voorgevel in 2006 gerestaureerd en ziet de kerk er minder rauw van buiten uit. Geciviliseerder, netter, meer als een kerk. Ik denk dat de ervaring binnen niet minder is geworden.

Frankrijk in de sneeuw

Het lijkt wel een vorig leven, maar het was afgelopen februari dat we in Les Menuires waren. Althans, een klein stukje verderop in Les Bruyères. Bij toeval ontdekt. Een heel klein dorpje dat als een croissant gebouwd is rond een aantal liften naar een oneindig aantal pistes. We waren in andere dorpen geweest maar geen ervan was zo aangenaam als dit dorp. Klein en gezellig. En vanuit het hotel op loopafstand van de liften.

Deze week moest ik opeens daaraan denken. De aanleiding lag in alle ellende die Frankrijk weer te verwerken heeft. Het houdt niet op en het komt van verschillende kanten. Macron is fermer dan ooit om de Franse cultuur te verdedigen tegen iedereen die daar een einde aan wil maken. En terecht. De sfeer is angstig en grimmig en ook vastberaden. Niemand die Frankrijk eronder krijgt.

En opeens dacht ik aan Les Trois Vallées, aan een tijd van onschuld, van rust en van met zijn allen in de rij staan voor de lift. Opeengepakt met tweehonderd anderen die allemaal naar boven willen. Om daarna overigens weer naar beneden te gaan. En dan ’s avonds in een uitverkocht restaurant aan de steak of een van die loodzware lokale specialiteiten. De Savoye is gemaakt van Reblochon.

Wintersport in fantastisch. ’s Morgens wakker worden, de gordijnen opendoen en de besneeuwde bergen zien. De kou en vooral de geur van de kou. De hele dag buiten en de zon voelen. Ongeëvenaard is dat.

En wat me in dat kleine dorpje opvalt is de relaxte sfeer. Niemand heeft haast, alles is ok. Tijdens de lunch zit je op een terras in de zon veel te lang te wachten op je frietje maar ook dat is prima. Je hebt de tijd.

Het is een week waarin ik altijd volkomen gelukkig ben. Ik kom helemaal tot rust, de rest is de ochtend volop aan het skiën en na de lunch opnieuw. Ik niet. Ik wandel en lees. Op het balkon, met de zon op mijn hoofd lees ik boek na boek. Tussendoor wandel ik naar de sauna en iedere dag open ik mijn laptop om toch even te werken. Alles is ok.

De schoonheid wordt vooral veroorzaakt door de stilte die sneeuw ook altijd is. Hier en daar wat geruis, de eerste krakende voetstappen na sneeuwval en die blauwe lucht boven de bergen. Alles klopt en alles valt op zijn plek.

Eigenlijk is die week totaal anders dan de tijd nu en tegelijkertijd is die heel erg hetzelfde.

Waar ik nu beperking en uitzichtloosheid ervaar is dat daar totaal anders. Er is ruimte, er is drukte, er is onbezorgd ’s avonds uit eten gaan bij dat ene toprestaurant waar je de mensen inmiddels kent. De lichtheid van je bestaan komt daar geheel tot uiting. Alles is goed.

Maar het is ook hetzelfde in die zin dat alle dagen op elkaar lijken. Ontbijt, dan een half uur aan de gang om überhaupt naar de piste te kunnen (overigens valt dat me altijd op: skiën is zo enorm veel gedoe met kleding, schoenen, stokken et cetera) en daarna de dag die eruit ziet als de vorige én de volgende dag. Het is dat op donderdagavond er altijd een vuurwerkshow is zodat je weet dat je weer naar huis gaat, anders zou je het niet weten.

Op andere momenten wandel ik lang de hellingen naar Les Menuires. Erg druk met enorm lelijke hotels. En wat ik heel gaaf vind: een soort ondergrondse shopping mall uit de jaren 70. Veel donkerbruin hout, gele en bruine tegels. Ooit was dat helemaal hip, nu niet meer echt. Ik loop daar graag rond. En ook daar weer wat terrassen waar je heerlijk kunt zitten in de zon. Op de terugweg even langs een wat vreemde kapel onder een wat vreemde kerktoren. Als ik mazzel heb zit mijn gezin in een lift die boven mijn hoofd de top op gaat. Veel geschreeuw en heel veel plezier. Iedere dag die wandeling.

Een leven, zeg maar zoals nu. Herhaling. Het grote verschil is dat die herhaling een einde kent die ik ook ken. Op zaterdag is het over, voorbij en rijden we weer 1100 kilometer naar huis. Het is een herhaling met uitzicht. En precies dat ontbreekt in deze Covid-tijd: uitzicht op betere tijden. Geen idee. Slechts hoop.

Zo hoop ik oprecht dat komende jaar de pistes open zijn en dat ik weer in de avond kan aanschuiven voor een heerlijke Croziflette met een heerlijke Mondeuse of Gamay erbij.

Ik heb daar een hard hoofd in.

Wat helpt is dat ik maar heel weinig moeite hoef te doen om te voelen wat ik daar in Les Trois Vallées voel, waardoor ik zo senang ben. En het zou helpen als we hier een mooie winter krijgen met sneeuw en ijs op de ramen.

We gaan het zien.

De Grootste Schrijver is 10 jaar dood.

Ik was 14 toen ik de bibliotheek binnenliep. En zoals zo vaak zocht ik naar niets en dus naar alles. Met mijn hoofd een kwartslag naar rechts gebogen liep ik langs de kasten en haalde er een dik boek met een blauwe rug uit. Ik zag de omslag en mijn hart maakte een sprongetje.

Dat kwam zo.

Laat ik beginnen bij Vesalius. Nee, niet de grootste schrijver maar wel de man die heel systematisch het menselijk lichaam in beeld heeft gebracht. De man die het eerste anatomieboek schreef.

Een facsimile-uitgave van dat boek heb ik al decennia in bezit. Ik weet niet meer hoe ik er ooit aan ben gekomen, maar ik weet niet beter of het is er. En al heel jong keek ik gefascineerd naar die prachtige etsen. Waar Piranesi de Geest heeft weergegeven in I Carceri, daar heeft Vesalius het lichaam in kaart gebracht.

Enfin, de bibliotheek dus. Het boek dat ik uit de kast had gehaald was ‘Wenken voor de Jongste Dag’ van Harry Mulisch. En op het boek was een afbeelding van Vesalius gebruikt, een van de afbeeldingen die ik bezat.

Dit boek kon ik om twee redenen niet laten liggen. Ten eerste natuurlijk Vesalius, maar ook vanwege de titel. In het begin van de jaren 60 hadden mijn ouders bange tijden gekend door de Cubacrisis. Even leek het erop dat er een atoomoorlog zou uitbreken en als voorbereiding daarop distribueerde de Nederlandse overheid een envelop met de titel ‘Wenken voor de bescherming van Uw gezin en Uzelf’. Mulisch’ boek verwees daar direct naar. En De Jongste Dag resoneerde even hard: als bijbelvaste puber wist ik waar dit over ging. Johannes op Patmos kwam via Mulisch en Vesalius tot mij.

Ik was 14 toen alles op zijn plek viel.

Ik heb het boek geleend en in één keer uitgelezen. En toen nog eens. Daarna was er geen houden meer aan. Vanaf mijn 14de jaar heb ik niet alleen alles van Mulisch gelezen, maar ben ik ook alles gaan verzamelen. Alle eerste drukken, roofdrukken, exclusieve uitgaven et cetera.

Wat mij vooral greep was zijn associatief denken, zijn bravoure, zijn onbevangenheid en de samenhang der dingen. En natuurlijk, niet alles heeft verband met elkaar maar het vreemde is dat als je de verbanden maakt ze er ook zijn. Dat leven in je hoofd, in je geest vond en vind ik zeer aantrekkelijk. Tot en met ‘De Compositie van de Wereld’ ben ik gefascineerd. Dat boek is werkelijk door iedereen neergesabeld als filologische quatsch van de bovenste plank. Maar zelfs nu als ik lees over het ‘corpus’ dan zie ik in 1980 dingen beschreven worden die nu werkelijkheid zijn. De samenvalling van het individu met de techniek. Het convergeren van kapitalisme en socialisme in een autoritaire staat (China). En het is geen orakelboek maar een systematische analyse gebaseerd op muziek en logica.

Laat het gekte zijn, het is wel geniale gekte.

Ik bleef dus lezen. ‘Voer voor psychologen’ en natuurlijk een van mijn lievelingsboeken ‘Het seksuele bolwerk’. Ik kan in diepe bewondering de lijst compleet maken maar dat wordt erg saai. Dat doe ik dus niet.

Op 29 april 1988 heb ik Mulisch ontmoet en de hand geschud. Het was bij Broese in Utrecht waar het verzameld werk van Jung werd gepresenteerd met een inleiding van Mulisch. En zoals het gaat als je je held ontmoet, heb je op zo’n moment niets te zeggen. Het bleek een alleraardigste voorkomende wat schuchtere man te zijn, net als ik, die volledig veranderde toen hij zijn voordracht begon. Daar waren de bravoure, de alomwetendheid en het aplomb opeens weer. Mulisch in de publieke ruimte bleek een ander mens te zijn, en ook weer niet.

Toen ‘De ontdekking van de hemel’ uitkwam heb ik ook dat boek in een ruk uitgelezen. Ik kwam alle bewoners van Mulisch’ universum weer tegen. Van Castro tot Donner. Weer was er sprake van een gesloten systeem waarin alles met alles samenvalt en alles met alles samenhangt. Je kunt het lezen als een compendium bij Mulisch. De jaren daarna schreef hij nog, zoals Siegfried, maar het werd minder. Langzaam zag je een uitdovend schrijverschap.

Tien jaar geleden parkeerde ik mijn auto voor een supermarkt toen ik hoorde dat ‘in zijn woonplaats Amsterdam de schrijver Harry Mulisch’ was gestorven. Ik ben maar even blijven zitten, voor me uit kijkend. Stil. Mulisch dood. Het bewijs was geleverd dat ook Mulisch dood kon gaan.

Dit jaar ben ik in Nice samen met mijn zoon op zoek gegaan naar de plaquette die daar is aangebracht in de ‘Jardin Albert I’. We hebben gezocht tot we een ons wogen. Niet gevonden. Twaalf jaar na dato konden wij hem niet meer vinden.

Mijn zoon en ik stopten met zoeken en besloten richting stad te lopen. De drukte in. Het was warm en stoffig. En het was alsof onze voetstappen kleine wolkjes as opwierpen. Het was goed zo.

De vakantie die niet doorging

Oktober, de maand waar ik altijd naar uitkijk. En waarom? Heel simpel, vanwege ieder jaar opnieuw een week in de Var. Na de zomer is het altijd twee maanden keihard werken, lange weken maken, jongens weer naar school en dan opeens is er die ene week in oktober.

Een week die er in grote trekken altijd hetzelfde uitziet.

Vrijdagavond rond 20 uur in de auto en de volgende ochtend ter plekke. Terwijl de familie het bed induikt loop ik dan vroeg naar het dorp (1,5 km) en ga de markt op. Geen toeristen en wel alle vast kraampjes. De kippenboer, de kaasboer die ook perfecte worst verkoopt. Ik wandel in de frisse ochtend de hoofdstraat omhoog, ga naar de bakker en loop weer terug. Ik neem een koffie bij Le Central en steek een kaarsje aan in de kerk. En wandel weer terug de heuvel op naar ons huis.

Thuis aangekomen stap ik in de auto en ga naar de Ecomarché en doe inkopen voor een paar dagen. Als ik dan weer thuiskom dek ik de tafel en ga ik met een koffie op het overdekte terras zitten. De rest slaapt dan nog.

Thuis.

De kleuren van het bos, de geur van de herfst. In de verte het geknal van de jacht in de wijnvelden. Af en toe een sliert brandlucht in je neus van het hout dat door een boer ergens wordt verbrand. De stilte, de wind door de bomen. De lage maar aangename temperatuur.

En dan langzaam wordt de rest wakker en gaan we ontbijten. Rond een uur of drie ’s middags komt dan bij mij de man met de hamer en moet ik een tukkie doe. Als het meezit in de middag nog even in de najaarszon aan het zwembad. En als het echt meezit een beetje zwemmen. Daarna lekker eten met goede wijn.

De dagen zijn gevuld met een bezoek aan de markt van Salernes bijvoorbeeld, of die van Cotignac. Een dag misschien naar Aix en daar ’s avonds een hap eten. Altijd in ieder geval naar Sainte Maxime of Toulon. En dan de boot naar Saint Tropez of Porquerolles. De boottocht die heerlijk is, volkomen vakantie en volkomen rust. Saint Tropez is dan ook prachtig en heel relaxed. De drukke zomer ligt achter ons en wat rest is een prachtdorp in de najaarszon. Hetzelfde voor Porquerolles: een eiland in perfecte rust waar je heerlijk kunt fietsen en genieten van de prachtnatuur.

Ik verheug me ook altijd op het weerzien met de bakker, de caféhouder, de pastoor en die ene vent op het terras die een verre neef is van Steven Seagal. Ik verheug me altijd op eten bij Patou en Seb. Kussen op de wang, een mooie begroeting en dan binnen zitten met een toppizza en goedkope wijn.

Op de pétanquebaan achter het huis met iets teveel drank op een balletje gooien met het gezin. Of lopen door de wijnvelden en hier en daar nog wat achtergelaten druiven zien hangen.

De wandeling achter het dorp langs waarbij je flink omhoog loopt en dan opeens weer het dorp ziet liggen in alle pracht. Het is niet veel, maar wat is het mooi. Het oudste deel, middeleeuws, ligt er mooi bij in de najaarszon. De wandeling is heerlijk, duurt een flink uur en dan zit je gewoon weer bij Le Central.

Op vrijdag pakken we de koffers en ergens in de loop van de middag rijden we weer weg. Maar eerst alles meubelen binnen zetten, het zwembad afdekken en alle luiken dicht. Winterklaar.

Twaalf uur later zijn we weer thuis en heb ik een perfecte week achter de rug.

Nou, die vakantie ging dus niet door. En wat mis ik het. Ik kom erachter dat die ene week in oktober een accu is. Weg van alle dagelijkse Nederlandse beslommeringen en je onderdompelen in een heel simpel vredig leven. Een leven waarin alles zijn plek heeft en een leven dat door de meedogenloze herhaling heel rustgevend is. Die rust mis ik.

Twee weken geleden kregen we het bericht dat het zwembad was leeggelopen. Bijna had ik een reden om toch te gaan en te zorgen dat alles weer in orde kwam. Ik heb iedere verleiding weerstaan.

De Var is donker oranje gekleurd. Het devies is nu heel eenvoudig ‘blijf thuis’. Eenmaal daar is het daar thuis en zouden we moeten blijven. En dat is geen optie.

Dus: de vakantie die niet doorging. 2021 wordt mooi, denk ik zo.

Klant zijn in Frankrijk: een vorm van oorlog. Deel 2!

Nou, dat heb ik geweten. Een blog plaatsen over hoe het is om klant te zijn in Frankrijk. Een stevige blog met reële ervaringen. Geen woord gelogen. Wel met een nadruk op de moeite die het kost om klant te worden. Daar heb ik over geschreven met in mijn hoofd de momenten dat het me enorm moeite kost om voor elkaar te krijgen wat ik zou willen. Of als antwoord ‘nee’ krijgen wat ook een antwoord is. De reacties op mijn blog zijn talrijk en soms niet mals.

Blijkbaar is de stevigheid van mijn woorden aanleiding tot twee soorten reacties:

  1. volstrekt herkenbaar. Frankrijk zit precies zo in elkaar en als klant heb je het moeilijk. Of:
  2. wat een onzin. Blijkbaar heeft deze meneer alleen maar slechte ervaringen en die herken ik totaal niet.

Nu schrijf ik heel vaak over Frankrijk en ik heb het al eens eerder een raar land genoemd. Maar waarom dan eigenlijk?

Omdat het zo divers is. Stug en hartelijk, afstandelijk en omhelzend, regenachtig tot verzengend heet, sophisticated tot aan boers tot op het bot. Alles is aanwezig, soms tegenstrijdig en af en toe verenigd in één persoon.

Dat allemaal los van het feit dat ik altijd weer thuiskom als ik Frankrijk inrij.

Maar dat laat onverlet dat ik er ook over schrijf in hyperbolen. Mijn liefde voor Frankrijk is altijd overtreffende trap en dat zijn mijn ergernissen ook. Klant zijn is een moeizaam gegeven. En in je dorp en streek lukt het nog aardig maar probeer eens door te dringen tot een grote corporate. Of erger nog: probeer het eens via internet. Ooit koploper in Europa met Minitel, nu het slechtste jongetje van de klas.

Het hoort er allemaal bij.

Ik ben een blij mens als ik er ben, ik zie de mooie dingen maar ik zie ook de dingen die veel en veel beter kunnen. Ik lijd daar niet onder.

Dus beste lezers, mocht je je niet herkennen in mijn woorden, dan is dat geen ramp. Ik herken me er ook niet altijd in. Het varieert per dag, per belevenis, per periode. Maar het blijven mijn woorden.

Ik groet jullie allen en mogen we hopen dat de wereld weer eens normaal wordt.

(Voor de geïnteresseerden in klantonderzoek: https://www.info-ecommerce.fr/8796/quelle-relation-client-pour-le-e-commerce-de-demain)

Klant zijn in Frankrijk: een vorm van oorlog

Klant zijn in Frankrijk is oorlog. Je moet een lange adem hebben, heel veel geduld en mettertijd heb je kans dat je goed wordt behandeld.

Op zich is het woord ‘klant’ tenminste neutraal en in het beste geval positief. Als een bedrijf klanten heeft dan is dat goed. Hoe meer hoe beter. En als je klant bent, kun je je gelukkig wanen want er zijn zaken genoeg waar je klant kunt zijn en spelen.

Als je eenmaal klant bent, dat wil zeggen dat je bijvoorbeeld iets hebt besteld of dat je een of andere relatie hebt met een bedrijf, dan voel je je ook een beetje bijzonder. Je mag klant zijn maar je brengt ook omzet binnen. Een mooie wederzijdse relatie dus. Klant en leverancier waarderen elkaar en zorgen voor elkaar.

Tot zover de theorie.

In Frankrijk ligt dat allemaal een tikkie anders. Laat ik een paar voorbeelden geven en klein en dichtbij beginnen.

De bakker in het dorp. We hebben er drie en ik ga altijd naar een van de drie. Al jaren doe ik dat. Toen ik 18 jaar geleden daar voor het eerst kwam werd ik niet aangekeken, kreeg ik mijn brood en werd het wisselgeld op een uitgehold plankje gelegd. Bam. Ik kwam de mevrouw tegen in het dorp, knikte en kreeg geen enkele respons. Pas na tijden, toen ik gewoon iedere keer terugkwam, was er iets van oogcontact. Vele bakkers hebben de boel overgenomen en ik kon iedere keer weer opnieuw beginnen. Ik hou vol. Uiteindelijk eindig ik altijd zeer gezellig en als vaste klant. En nu heb ik het punt bereikt waarop er ‘á demèng’ wordt gezegd. Op naar de volgende bakker.

De – heel goede – slager bij Les Mousquetaires. Lokaal vlees, prachtige delen van rund en varken, veel soorten worst en een raam met uitzicht op het achterdeel. Daar staan altijd twee slagers. Je gaat voor de vitrine staan, je wordt gezien en er gebeurt echt helemaal niets. Pas na minuten zwaait de deur open en met een ‘oui’ (uitgesproken als wèh) wordt je gevraagd wat je wilt. Er was een slager, de beste man is weg, die niets zei maar je gewoon aankeek. Pas na tijden, ik ben vaste klant, treedt herkenning op en ontdooit men. Inmiddels is er een gelaatsuitdrukking die ik maar als glimlach interpreteer.

Ik kan niet precies duiden waar de weerstand, het onvriendelijke gedrag vandaan komt. Alsof je door de eerste loopgraven heen moet, eer er iets van ontdooien begint.

Opvallend is ook de oude eigenaar van Maison de la Presse (inmiddels is er geen meer in ons dorp). De meest lompe onbehouwen kerel die ik ooit heb ontmoet. Ik kreeg de gekochte waar nog net niet naar mijn hoofd geslingerd. Dit was een man die klanten haatte. Hij verkocht de boel en ik kwam hem veel later tegen in het dorp. Bleek het een heel aardige vent te zijn, vrolijk, vriendelijk en zeer spraakzaam. Er was een last van de schouders. Ik was geen klant meer.

Maar goed, hier heb je nog éen op éen contact. Dat scheelt. Als blijkt dat je ook gewoon een mens met behoeften bent en ook gewoon vriendelijk dan komt er uiteindelijk iets van wederkerigheid.

Nee, dan de telefonische klantenservice! Iedereen die ooit eens een klantenservice heeft gebeld in Frankrijk maakt mee dat je er niet toe doet, niet bestaat, een hinderlijke onderbreking van de werkdag bent. Het hele systeem is erop gericht jou uiteindelijk niet te helpen.

Wij hadden twee jaar geleden bij een meubelwinkel in Aubagne acht stoelen besteld (en reeds afgerekend). We zouden gebeld worden over een datum en tijd waarop de stoelen geleverd zouden worden. Dat gebeurde niet en dus belden wij. We kwamen in een meerkeuzemenu dat ingesproken was door een dame met enorme haast. In minder dan tien seconden werd er een heel menu doorheen gejast met alle opties, en toen werd de verbinding verbroken. Weer gebeld. Zelfde riedel.

Afijn, ik ga het kort houden.

Na veel bellen op alle nummers die ik op internet kon vinden, kregen we iemand aan de lijn die de manager erbij ging halen want er was niets bekend van stoelen enzo. Na de mededeling dat we even moesten wachten werd de verbinding verbroken.

De stoelen zijn uiteindelijk geleverd, zo’n twee weken na aankoop op een tijdstip dat niet was afgesproken. Opeens reed een bestelbus de berg op, de stoelen werden op de weg gezet en de bus verdween weer. We durven daar alleen nog kleine items te kopen.

De lijst is lang. Elektra die uitvalt op de berg en dan de EDF bellen. Zelfde dame op hetzelfde tempo in eenzelfde meerkeuzemenu. De taxi die komt als het de chauffeur uitkomt. De hotelreceptie die zeer vriendelijk uiteindelijk niet helpt. De ober die wel tien keer zegt dat hij of zij zo komt. De caissière die langs je heen praat met collega’s en jou volkomen negeert. Gebeld worden door die jongen van de Intersport als de crossmachine er is, maar nooit gebeld worden. Van groot naar klein. Je bent klant en dat zul je weten ook. Jíj moet moeite doen, niet de leverancier.

Nog in 2019 is uitonderzoek gebleken dat slechts 3% van de Fransen aangaf een goede klantervaring te hebben gehad. Ik dacht dat het te maken had met het feit dat ik gewoon bezoeker ben, maar dit onderzoek duidt op iets structurelers. Het is ook niet aan het dorpse gebonden. Toen ik ooit in Parijs woonde was het niet veel anders. En toen was het verhaal dat dat kwam omdat Parijzenaars iedere niet-Parijzenaar haten. Nou, dan geldt dat voor de gemiddelde dorpse winkelier ook.

Maar er is natuurlijk ook heel erg goed nieuws! De kans om je te onderscheiden is heel groot! En dat gebeurt ook volop. Marie in het dorp die begonnen is met groenten en fruit en niets anders doet dan vriendelijk zijn. De caissières bij LeClerc in Brignoles die allen een cursus vriendelijk zijn tegen klanten hebben gehad en het ook menen. Het taxibedrijf dat het roer heeft omgegooid. Nieuwe auto’s aangeschaft, altijd op tijd is en je welkom heet in een blinkend schone taxi. De mevrouw die gegrilde kippen verkoopt en je altijd groet en vriendelijk is. Die andere jongen bij de Intersport die uiteindelijk wel terugbelt en alles regelt.

In een land waar klant zijn zo moeizaam verloopt, is het simpel je te onderscheiden. Simpel om mensen te laten voelen dat ze welkom zijn, dat je blij bent dat ze bij je kopen. Interactie met andere mensen positief oppakken en de wil hebben problemen op te lossen. En ik zie de huidige situatie maar als folklore met genoeg prima uitzonderingen.

Maar oorlog is het.

Een Franse elektricien

Met mijn zoon zit ik op het terras van Bar le Central. Comme d’habitude met een espresso en een Cacolac. En opeens zie ik Luc langslopen. Ik zeg tegen Sam ‘daar loopt Luc, onze oude elektricien’. Sam kent Luc niet en dat kan ook niet anders, want dat ‘oude’ slaat op jaren terug.

Waar ken ik Luc van?

Voor ik dat uitleg eerst even het feest der herkenning: werklieden in Frankrijk. We hebben alles meegemaakt. Zwembadaanleg door mensen voor wie, naar later bleek, het hun eerste zwembad was. Muurtjes net niet recht, tegeltjes net niet aansluitend, infinity-randen die scheef zijn zodat het water er maar in één hoek overheen loopt. Het verbouwen van het huis waar men op eigen houtje besluit een doorbraak om te bouwen tot een mooi rond poortje want dat past beter bij het huis. Frankrijk is een feestje én een grote zen-oefening. Kwaliteit en betrouwbaarheid zijn niet echt vast waarden.

Terug naar Luc. Luc is elektricien, zoals gezegd. Toen wij ooit in het dorp kwamen wonen moest er natuurlijk ook van allerlei elektra worden aangelegd. En na wat rondvragen kwam de naam van Luc naar boven. Dus Luc gebeld, afspraak gemaakt. Tot onze verbazing kwam hij niet alleen op de afgesproken dag maar zelfs op de afgesproken tijd. Een jonge vent met heldere blauwe ogen. Hij woonde in het dorp en had klanten in de hele regio. 

We vertelden wat er moest gebeuren, hij nam een en ander op en kwam met een offerte. Het was ons al gezegd, hij was niet de goedkoopste. Mais bon. 

Daarna liep alles zoals onze eerste afspraak. Luc belde vooraf wanneer hij kwam en wat er ging gebeuren. En dan kwam hij op tijd, deed wat was afgesproken en was op tijd klaar. Als hij vertrok werkte alles en hij liet nooit troep achter. Alles was top in orde. Luc bleek een onfranse vent te zijn.

Op een dag wilden wij verwarming voor het zwembad. Vooral in het voorjaar leek dat ons lekker. En hoe het is gebeurd kan ik niet meer voor de geest halen, maar de keuze viel niet op Luc maar op een ander die we weer via via kenden. Dat via via was een imker die soms het zwembad schoonmaakte. Een goede zachtaardige vent, maar een beetje een rommelkont. We hadden beter moeten weten.

De verwarming werd neergezet en aangelegd en alles werkte. Een week of twee. Toen bleek het mannetje niet van plan om er ook maar iets aan te doen. En onze ‘via via man’ kon ook niets betekenen. Helaas. Désolé. Toen hebben we met hangende pootjes Luc gebeld. Of hij wilde helpen.

Zijn antwoord was een duidelijk: ‘non!’

Wij hadden zelf gekozen voor een veel lagere kwaliteit en hij was niet op de wereld om de shit van anderen te herstellen. Dan hadden we maar bij hem moeten blijven. Niet goedkoop, wel betrouwbaar en heel veel zekerheid en service. We werden, heel terecht, afgeserveerd.

Daarna hebben we heel wat mannetjes voorbij zien komen. En steeds ging het hetzelfde. Aankomen, kijken, drie keer zuchten en ‘bof!’ zeggen. De volgende dag terugkomen met een verkeerd relais, weggaan, terugkomen met weer een verkeerd relais, ‘bof!’ zeggen, en uiteindelijk, na weken, de boel herstellen. Eenmaal een gesmolten elektrakast bij de zwembadpomp. Ach ja.

Inmiddels hebben we wel goede werklieden weten te vinden via een Nederlander die in de Var in het onderhoud van huizen zit. Als iemand niet op tijd is krijgt hij van hem geen klussen. Nederlandse aansturing en duidelijkheid dus.

De weg hier naartoe was een lange met slechts éen domme fout van onze kant. Als je in Frankrijk een goed iemand kent, blijf daarbij! Ga niet weg, ook niet als die goedkoper is. Kwaliteit is schaars en kost gewoon geld.

Als ik Luc zie lopen dan groeten we elkaar gewoon. Daar loopt een betrouwbaar mens, denk ik dan altijd.

We hadden beter moeten weten. Maar ja.

Dag 199 op het Narrenschip

Sinds het begin van mijn hyperintelligente lockdown hou ik de dagen bij. Met nummer en een korte aantekening in een dagboek. Aantekening variëren van ‘een blauwe hemel zonder vliegtuigen of condensstrepen’ tot aan ‘zin in vakantie’. Van alles dus.

Soms schrijf ik ook over hoe we met zijn allen omgaan met deze toestand. En ik ben oud genoeg om ouders te hebben die als jong volwassene de oorlog hebben meegemaakt en daarover wel eens spraken. Dat waren vijf jaren die nooit meer uit ons leven zijn verdwenen.

Het is nu niet eens een jaar maar het duurt wel lang. Ook naar mijn gevoel is het lang, hoewel ik me erop heb ingesteld. Ik werk thuis, ik doe voorzichtig boodschappen en ik hou afstand. Ik wil niet ziek worden maar ik moet er ook niet aan denken dat ik iemand anders ziek zou maken. En als gezin proberen we met elkaar ook goed op te letten.

Ik lees dus ook al 199 dagen kranten en kijk naar het nieuws. In het begin was het echt forse crisis. Alle seinen stonden op rood en de wereld werd een gesloten paviljoen met hoogst besmettelijke mensen. IC’s liepen vol en in mjin omgeving kwam al snel de eerste corona-dode. Dat had een enorme impact op mij en de mijnen.

Hoe anders is dat geworden in de loop der maanden. Er kwamen twijfels bij de aanpak. Twijfels die ik ook had maar ik kon mijn twijfels niet toetsen. Ik ontbeer eenvoudigweg de kennis om er een goed oordeel over te hebben. En dat is nog steeds zo. Ik heb dus geen oordeel.

Uit de twijfel rezen mensen die minder terughoudend in hun eigen beperkingen zijn dan ik. Mensen die opeens alles wisten. Meestal ook tegendraads op het RIVM en de regering. Mensen met de blik van mensen zonder verstand maar met een sterke overtuiging. Mensen waardoor het mij kil om het hart werd. Dansleraren, statistici, orthomoleculair kwakzalvers: een heel Narrenschip vol.

Deze mensen kregen tractie. Ze kregen aandacht in alle talkshows en zij konden hun verhaal doen zonder stevig tegengas. Opeens waren ze er en gingen niet meer weg.

Mensen gingen de straat op om te demonstreren tegen de dictatuur en gingen daarna weer naar huis. Niet doorhebbend dat zij in een dictatuur waarschijnlijk zouden zijn verdwenen.

En dan nu, na zoveel lange maanden wachten op een vaccin is daar opeens een groep BN’ers die oproept zelf wel te bepalen wat we moeten doen. En hun pay off is ‘Free the People’. Waarbij zij dat fonetisch uitspreken als ‘frie de piepel’ want een opleiding is niet bij iedereen blijven hangen.

Ik ga er verder niet op in omdat iedere aandacht teveel eer is. Wat wel zo is, is dat ik merk dat ik nauwelijks nog verbaasd ben hierover. En dat is verontrustend. Dat door alle gekken met zendtijd, ik de gekte zo normaal ben gaan vinden dat dit me niet meer verbaast. Tuurlijk, denk ik, dit kan er ook nog wel bij. En ik zie artiesten uit het schnabbelcircuit met lege blikken zich voordoen als verzetsstrijders. Ze hebben geen idee waartegen want dat kunnen zij niet bevatten.

En heel eerlijk, ik weet niet wat ik erger vind. De slechtheid van een dansleraar die voelt dat hij opeens beroemd is geworden en niet meer te stoppen is, of de grenzeloze domheid van dit stel C artiesten.

Wat ik wel weet is dat de kalmte en zachtheid van een geïnformeerd en overwogen oordeel als heel ouderwets wordt gezien. In het beste geval. In het slechtste geval wordt het gezien als bewijs van het grote complot.

En zo verliest de rede.

Dát is alles bij elkaar genomen nog het grootste verlies. Dat de rede die eeuwen geleden zich een weg vocht door de nadagen van de hermetisch zwarte middeleeuwen naar het licht, dat die rede verdacht is. Dat mensen niet alleen niet meer verlicht zijn maar ook niet verlicht willen worden.

Die situatie duurt nu in al zijn omvang al 199 dagen. De schade van deze geestelijke verschimmeling is op den duur groter dan de schade van Corona. Er komt een vaccin tegen Covid19. Er komt nooit een vaccin tegen geestelijke onttakeling.

En zo leven wij met zijn allen op het Narrenschip.

Helemaal klaar met Teams

Teams.

Het klinkt zo top. ‘Together Each Achieves More’ heb ik ooit ergens gelezen. Een acroniem na lang zoeken gevonden en waarschijnlijk gebruikt tijdens een teambuildingsessie ergens in een bos waarbij ook bruggen moesten worden gebouwd zonder spijkers. Of zo. Van die bijeenkomsten waar niet zoveel uit kwam omdat morgen het werk er nog steeds lag. En de collega’s bleven wie zij waren, net als jij.

Teams. Klinkt beter dat ‘alones’ of ‘groups’. Heeft iets ‘samen-ervoor-gaanderigs’, we regelen het wel, we zijn een team.

Teams klinkt ook beter dan afdelingen. Daar zitten tenslotte gewoon losse collega’s die ieder voor zich wat doen. Al dan niet belangrijk. En als het meezit werken ze aan eenzelfde doel. Als het meezit. Nee, dan een team. Dat zijn op elkaar ingesteld professionals die hyperfunctioneel lean&mean de targets gaan halen. Daar is de vijand en wij zijn een team, dus kom maar op.

Teams. Klinkt als een yell op een groepsbijeenkomst. We hebben en T, we hebben een E ……

Ik ben er helemaal klaar mee. Ik mis mijn echte, real time, in real life team. Mijn cluppie, mijn bedrijf.

We zijn een half jaar onderweg met Covid in dit bijzondere jaar 2020. Het is september en sinds half maart zitten we thuis. Gekluisterd aan beeld en smartphone zoeken we en hebben we contact. We zijn hiermee, nolens volens, in maart begonnen dus. Van de ene op de andere dag.

En dat ging ok. Zeker in het begin zat er iets van ‘we laten ons er niet onder krijgen, verdomme nog an toe’ in. Iedereen werkte zich een slag in de rondte, was on-line van de ochtend tot de avond, was scherp, gezellig et cetera. Technisch ging het ook ok, soms tot mijn verbazing. Door de super IT-collega’s van het moederbedrijf waren er geen haperingen. Zelfs niet in de beveiligde dichtgetimmerde omgeving waarin we moeten werken. Alles lukte.

De eerste maanden gingen voorbij in een sneltreinvaart. En natuurlijk waren er soms dingen lastig. Met elkaar ergens over nadenken gaat in het echt beter dan online. Vooral als je over iets nieuws moet denken en beslissen. Maar we kwamen er doorheen. Dat wisten we gewoon en we moesten deze periode aanpakken om een aantal zaken permanent te verbeteren.

De vakantie kwam. Alles wat ik voor de vakantie had bedacht ging niet door en ik was niet de enige. Iedereen kon zijn plannen in de la leggen. We hebben vouchers tot aan het jaar 2032. We zwermden uit naar de eigen tuin of Schoorl. Dat was het zo’n beetje. We gingen klussen en sommigen hadden net een nieuw huis gekocht. Anderen gingen tijd met elkaar doorbrengen. Tot rust komen. Lezen, Netflixen, sporten, tuinieren, BBQ’en.

De zomer ging voorbij.

En nu is het begin september. De vakantie ligt achter ons. De mensen komen weer terug en de schermen vullen zich weer met de bekende gezichten. Sommige wat bruiner, andere nog net zo bleek. Iedereen blij en gemotiveerd. We zijn blij elkaar weer te zien en bezig te zijn met de groei van ons bedrijf.

En toch is het anders. Er is een soort gelatenheid in gekomen. We zijn nog steeds op tijd bij de meetings en we doen nog steeds uitermate ons best. Er komen nieuwe ideeën en we werken aan groei. Allemaal top. En toch. We zijn er een beetje klaar mee. Moe van het staren. Hunkerend naar echt contact met elkaar. Naar een beetje oudehoeren over de wereld en het werk. Lachen, elkaar jennen, verder komen, stuk zitten, herrie maken, geconcentreerd zijn. Met elkaar in dezelfde ruimte. Fysieke nabijheid.

We zijn ook moe aan het worden over de duur van de vrijwillige afzondering. Voor de vakantie was er nog een soort optimisme dat we dit varkentje wel even zouden wassen. Langzaam kwam het besef dat dat wassen wel eens lang kon gaan duren. Dat de enige uitweg een vaccin is en dat het maken van een vaccin tijd kost. Veel tijd, want veel onderzoek.

En wat we nu zien is dat die onbestemdheid moeilijk te verteren is. Zeker als je werkt aan een start-up waarin je zelf verantwoordelijk bent voor in- en output, waarin je moet geloven in de maakbaarheid van de wereld. Die maakbaarheid is nu uitbesteed aan de farmaceutische sector, aan deskundigen waar we niet bij kunnen. We moeten afwachten. En dat doen we op afstand van elkaar.

Ik mis het zorgeloos ’s morgens in de auto stappen, de file in en nadenken over de dag die komt. Paar belletjes plegen en hoppa binnenstappen in het kantoor. Kijken wie er al is en kijken hoe de rest binnenkomt. Goede dag of een wat mindere? Kinderen ziek of alles ok? Dat soort faits divers.

Ik mis het. En dat terwijl wij wel elkaar nu en dan zien. We hebben voldoende ruimte om veilig met zijn vijven bij elkaar te zijn. Onregelmatig dat wel. En altijd aangekondigd. Zo zien we elkaar maar het is anders. Het is niet vrijwillig, het is zo omdat het niet anders kan.

Voorlopig gaan we dus door met Teams, het zal niet anders kunnen. Zo gauw het anders kan gaan we het helemaal anders doen. Dan komt de club eerst thuis bij mij eten om de bevrijding te vieren. Dan gaan we inhalen op alle gemiste momenten dat we elkaar nodig hadden om even te kletsen om verder te komen.

Teams, het is een technisch hoogstandje maar het is ook armoe.