AstraZeneca en Goede Vrijdag

Op Goede Vrijdag kreeg ik om 18:37 uur een oproep en toevallig stond mijn telefoon op geluid. Ik was aan het koken en verheugde me op het weekeinde. Ik nam op en het werd een gesprek van 22 seconden.

“Met Dick Koopman”

“U spreekt met de assistent van dokter XX. Wij hebben vaccins over, wilt u zich laten vaccineren?”

“Jazeker”

“Kunt u nu komen?”

“Jazeker!!!”

Ik deed het gas uit, sprong in mijn auto en 5 minuten later melde ik me bij de praktijk. Ik kreeg een formulier van twee pagina’s dat ik moest invullen. Daarnaast een bijsluiter die ik moest lezen. Bijwerkingen netjes op een rijtje. Het ging om het AstraZeneca vaccin.

Na het lezen kreeg ik de prik en mocht ik buiten in een tent 15 minuten wachten. Er zat een medisch geschoolde oppasser die mij tegenhield toen ik na 5 minuten wegwilde. 15 waren het er! Naast mij waren er nog twee patiënten die gebeld en gevaccineerd waren. Ik vroeg waar de bitterballen waren en of dit een vrijmibo nieuwe stijl was.

Mijn gevoel voor humor werd niet gedeeld.

Na een kwartier werd ik vrijgelaten en ging ik naar huis, verder met koken.

Toen mijn gezin thuis kwam werd ik vol ongeloof gefeliciteerd en we constateerden dat de vaccinatiegraad 25% was. Althans, in dit huis.

Had ik bijwerkingen? Een beetje. Ik werd moe en ik voelde me wat misselijk. Na twee dagen was dat voorbij.

En nu ben ik gevaccineerd en ben ik zo blij als een baby. Ik gedraag me nog steeds hetzelfde, ik hou rekening met alles en ik doe geen gekke dingen. Ik voel me veel minder kwetsbaar. Vrijer in mijn hoofd en hart. Dit is het enige middel om uit onze situatie te komen. De enige. De rest is allemaal symptoombestrijding.

Ik gun iedereen op heel korte termijn een vaccinatie. Op naar een gezamenlijke vrijheid.

Dag 9: het begin

De eerste weken na het afscheid zijn vreemd. Leeg, zoals voor mij de eerste januari altijd is. Alles achter de rug en het nieuwe is nog niet begonnen. Koude leegte. Ook bevrijd overigens. En dan de momenten dat je denkt ‘even mijn moedertje bellen’ en dat niet meer kunt.

Het einde van iemand die je liefhebt is een nieuw begin van en voor jezelf. Veel moet je opnieuw uitvinden en het afscheid van alles wat was kan lang duren. En op een dag krijg je rust.

Dit is het negende en laatste gedicht van De Reis.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Het begin

Nu, na maanden van dwalen

Sta ik hier

Aan de kust. Het waait,

Het is december in dit land.

Ik ben gelopen tot het

Einde in zicht kwam,

De meeuwen, zielen

Van hen die mij zijn

Voorgegaan, zeilen in de

Wind. Ik zoek een 

Aandenken en vind

Drie schelpen.

Ik sta te 

Huilen als een kind

Dat de handen nooit

Meer gevuld weet,

U ruist door de wind

U vliegt voor mij langs

U bent in de grijze lucht.

De dood, dag 8: achterblijven

De eerste dood en begrafenis die grote impact op mijn leven hadden, was in 1993, net voor Kerst. De dag na de begrafenis was leeg, kaal en heel vreemd. Ik kon niets meer doen of betekenen voor degene van wie we afscheid hadden genomen. Daarna had ik dezelfde ervaring met onze moeders en in 2007 met mijn vader. Mensen die zo belangrijk voor je zijn en die opeens weg zijn, begraven of gecremeerd. In een roes doe je alles wat je moet en kunt doen en dan opeens ligt alles achter je. Je wordt wakker met het besef dat die leegte die je voelt blijvend is. Je blijft achter met alle andere achterblijvers. Daarover gaat dit, voorlaatste, gedicht.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Het achterblijven

Wat moet er gebeuren

Nu de reis ten einde is,

En wij hier met lege handen.

Het perron wordt leger en leger, de

Mensen keren huiswaarts,

Geen huis zal ons nog bergen

Noch beschutting bieden.

En uw ziel zal dwalen

Zolang wij dwalende zijn

Uw ziel zal dolen

Zolang wij verscholen zijn

In het verdriet, en niet

De wereld de onze maken.

Ons leven verzaken.

Door te doen alsof wíj

Gestorven zijn 

En niet u, o vrouw.

De dood, dag 7: de Aankomst

“Gaat het wel goed met je”, vroeg een vriend. “Al dat geschrijf over de dood!” Het gaat heel goed met me en de reden dat ik dit doe is steeds dezelfde: woorden geven aan het gemis van twee moeders. En een beetje een monument oprichten voor hen, hoe klein ook.

Dus hou vol!

Na alle stappen die je meemaakt na het verlies van een dierbare, komt ook de dag van de begrafenis of crematie. Een rare dag die later voelt als een gat. Op die dag zelf doe je alles wat je kunt om nog liefde te tonen, om zorgvuldig te zijn en te laten zien waar je liefde zit voor degene die je begraaft. Nog wat woorden en te veel spanning voor echt verdriet.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

De aankomst

Over uw aankomst hebben

We samen gesproken: u

Wilde gedragen worden,

Omdat u niet meer zou lopen

Langs het smalle pad waar u

Zo vele malen was.

En ik draag u op mijn schouders

Ik voel de last,

Mijn spieren vertellen mij

Wie u voor mij was:

O, oneindig liefhebben

Tot voorbij ons kleine leven.

En in de kerk achter ons

Zingt een koor van Jerusalaïm,

Stad van het licht.

Uw leven is verdicht

Tot een dunne lijn.

Waar u reeds woont

Zullen wij weer samen zijn.

De dood, dag 6: De Bestemming

Sacramenten zijn belangrijk. Natuurlijk voor Rooms-Katholieken alle Heilige Sacramenten, van Doop tot Ziekenzalving. Maar als je een sacrament ziet als een heilige of betekenisvolle handeling dan herken je natuurlijk veel meer sacramenten. Of je gelovig bent of niet. Op zondag altijd samen ontbijten om de dag te beginnen met het gezin, elkaar altijd gedag kussen voor je de deur uitgaat. Ik zie ook dat ieder van ons rituelen heeft: ik begin de dag altijd met twee sneden brood en vijf espresso. Geen dag zonder. Mijn leven zit vol rituelen maar die zijn zo ingesleten dat ze gedachteloos voorbij gaan. Een sacrament zonder religie is bijvoorbeeld die kus bij het weggaan. Dat doe je niet gedachteloos, op automatische piloot. Je geeft welbewust waarde aan die handeling.

Bij onze moeders werden handelingen tot routines tot sacramenten. Mijn kus op het voorhoofd van mijn moedertje bij komen en gaan. Iets langer dan nodig aangehouden zodat er een moment samen ontstond. Een heilig verbond.

Bij mijn schoonmoeder waren er vele. Zij was heel gelovig en liet op enig moment de pastoor komen voor de ziekenzalving. Wij waren daarbij aanwezig.

Dit is na het gedicht van gisteren, De Reis, het zesde gedicht van negen.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

De bestemming

De avond voor uw aankomst

Zijn wij tezamen, de priester

Spreekt in vervlogen taal

En met eeuwenoude gebaren,

Dit geloof moet u bewaren

Voor de angst in de bestemming

Die sterven heet.

U ligt in bed,

De handen opengevouwen

Wachtend op de zalving van

Een Heilig Sacrament,

Is dit dan wie u bent,

Of hebt u ons nu al verlaten,

Voor een ander leven:

Als de priester uw handen raakt

En de woorden zegt die we zullen

Vergeten, kijkt u nog eenmaal

Mij aan: u bent er weer,

Zij het voor slechts heel even.

De dood, dag 5: De Reis

En zo beseft iemand die weet dat het einde komt dat er echt een reis aan zit te komen. Een reis waarvan je niet eens weet waar die precies naar toe gaat en waarvan je niet eens weet hoe die reis verloopt. Ik heb het meegemaakt bij beide moeders. Ik zal niet zeggen dat er een soort berusting was, integendeel soms. Enorme opstand en boosheid. Dat heb ik gezien. Maar soms ook wel berusting. Omdat het onafwendbaar was wat er kwam.

Mijn schoonmoeder had in een bos in Salland en bepaalde boom waar zij troost uit putte. Een verbinding tussen de aarde met een nietig mens en de hemel. Daarover gaat dit gedicht.

Gisteren schreef ik over het moeten vertrekken, vandaag over de onontkoombare reis. De Reis is ook de titel van deze hele reeks gedichten.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

De reis

Het bos waarin we gaan

Is groot en vochtig

De bomen waken alle jaren

Over deze aarde,

Uw voeten bewegen

Het heelal, en plots 

Zet u alles stil.

Er is een van hen

Met wie u praten wilt,

De handen op de bast

De ogen gesloten

Reist u naar de toppen 

Van de boom,

Van daar ziet u uit

Over de wereld

Naar het strand, de zee

Waar het leven ooit begon,

Uw reizen is een reizen

Dat niet van deze wereld is,

Ik kijk naar u, ben stil, en weet

Dat ik u nu reeds mis.

De dood: dag 4.

Het zal ergens september 1999 zijn geweest. Mijn moeder lag in bed, doodziek. Ik kwam haar slaapkamer binnen en de geur was een andere dan ik gewend was. Er hing een soort acetongeur die ik niet eerder had geroken. Mijn moeder werd wakker en kwam overeind. Ze had last van haar maag en ik pakte een maagtablet en maakte die klein zodat het makkelijker was om door te slikken. Ze ging op de rand van haar bed zitten, wetend wat er zou komen, en vroeg aan me “ik ga het jaar 2000 toch wel halen hé?” Ik zei “al moet ik je persoonlijk de nieuwe eeuw induwen” en lachte wat. Ze heeft het jaar 2000 niet gehaald.

Een jaar eerder: mijn schoonmoeder werd wakker uit een koortsachtige droom. Ze werd wakker met grote, wat paniekerige ogen, en zei: “ik zag mijn moeder, ze wenkte naar me”. Alsof het hiernamaals zich aandiende.

Beiden wisten dat het vertrek nabij was.

Je leest van mensen, Mulisch bijvoorbeeld, die nieuwsgierig zijn naar het sterven en wat daarna komt. Of niet. Je hoort van anderen, zoals René Gude die ik nog altijd mis met al zijn optimistische wijsheid, die met een blijmoedige onbevangenheid het einde tegemoet treden. En er zijn er die met grote angst iedere stap voorwaarts zetten.

Ik weet niet tot welke groep ik zal behoren.

Dit is gedicht 4, na gedicht 3 van gisteren. De hele reeks heet De Reis.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Het vertrek

De paniek in uw ogen,

Soms,

Als ik bij u ben,

Maar neem de tijd,

Ik rust op de rand van het bed.

Als u bent gewekt

Uit een diepe droom,

‘De dood trok aan mij,

ik zag om en zag mijn  moeder’,

Uw woorden pakken mijn hand,

Klam, zitten we hier samen en

Praten over plaatsen zonder namen

Wat komt daarna, vraagt u.

En ik stel u teleur

Waar u zult gaan ben ik

Nimmer geweest,

En alleen mijn geest raakt de uwe,

Dit vertrek heeft alleen voor mij

Een deur.

De dood: dag 3

Als je eenmaal weet dat er kanker in het spel is ga je door alle bekende stadia: van ongeloof naar opstand naar wanhoop naar berusting naar opstand et cetera. Geen dag is meer zoals ooit daarvoor. En in het geval van onze moeders was het een kroniek van een aangekondigde dood. Weten wat er komt, maar niet wanneer.

En op sommige dagen lijkt het leven gewoon door te gaan alsof er niets aan de hand is en er niets te gebeuren staat. Soms zijn er zelfs feestjes, bijeenkomsten, mensen bij elkaar die doorgaan met hun eigen leven. In een ander parallel universum.

Gisteren gedicht 2, vandaag gedicht 3.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Het feest

Behoedzaam loopt u de trappen op

Naar de zaal, waar de anderen

Reeds wachten, en u kijkt

Scherp om u heen, weten, ach,

Maar vóelen dat het leven

Eindig is, in dat gevoel bent u

Op dit feest alleen.

U beloofde mij een laatste dans

En u leidde mij door de menigte

Naar buiten nu, het terras

Waar de avond, voorbode

Van alles dat komt. Nooit

Eerder heeft u zo gesproken 

Met de nacht,

En terwijl de mensen binnen

Het feest opnieuw beginnen,

Met een geestdrift die eens

De uwe was,

Spreekt u tot mij als een vrouw

Die reeds vertrokken is,

Een ander dan u bent.

De dood: gedicht 2

Zoals ik gisteren schreef zijn in de laatste jaren van de vorige eeuw mijn moeder en schoonmoeder overleden. Beiden aan kanker en dus min of meer aangekondigd. De maanden die komen na die aankondiging kennen up en downs. Soms heb je het gevoel aan een onbekende reis te zijn begonnen met elkaar en soms verval je in diepe droefenis.

Na die periode heb ik een aantal gedichten geschreven met als titel De Reis.

Gisteren gedicht één, vandaag gedicht twee.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

De voorbereiding

Hoeveel koffers

Voor hoeveel bagage

Als je weet waarheen de reis

De bestemming bekend

Maar niet wat daarna,

Na een aankomst.

Welke voorbereiding voldoet,

De vraag aan uzelf gesteld:

‘wat neem ik mee als ik,

stel..’

Als u hier staat, een perron.

In uw handen, uw vingers

Tellen de kralen aan het koord,

Iedere kraal is een oord

Waar uw geest wil wonen.

De dood, een gedicht.

Kerst 1997 hoorden wij dat mijn schoonmoeder ongeneeslijk ziek was en nog maximaal negen maanden te gaan had. Op 3 september 1998 overleed zij. Ze was toen 58 jaar oud. In dat jaar hoorden wij dat mijn moeder ook kanker had, en precies 1 jaar, 1 maand en 1 week na mijn schoonmoeder overleed ook zij. Ze was 78 jaar oud. Beiden hebben de eeuwwisseling niet meegemaakt.

In korte tijd verloren wij onze moeders aan kanker. De sluipmoordenaar in je lijf noemde mijn moeder dat. Hij was er, maar je wist nooit wanneer hij toesloeg.

Ik heb toentertijd een aantal gedichten geschreven met als titel De Reis. Als je er middenin zit, beduusd en verslagen, gaat de tijd niet lineair. Sommige weken gaan razendsnel en andere tergend langzaam. Het einde, de bestemming staat vast. De reis is onbekend. Dat heb ik proberen te pakken in deze negen gedichten.

Dit zijn ze:

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Vandaag het eerste gedicht.

De Reis

De aankondiging

Door de gangen klonk geschreeuw

Iemand had gesproken

Wat Uw lichaam steeds fluisterde,

En – hoewel het leek alsof

U niet luisterde – 

U herkende de woorden in de nacht,

Het bericht zoals u reeds

Lang had verwacht: “kom we gaan,

De tijd is gekomen,

De reis moet beginnen”.

De reis is begonnen, diep

Verborgen in uw lichaam

Is de bestemming gegroeid

Uw innerlijk zal zich uiten,

En nogmaals de woorden, nu al

Licht vermoeid, “kom,

We moeten gaan”.