Afgelopen zondag was de tweede ronde in de verkiezingen voor een nieuwe burgemeester, dat wil zeggen: als er een tweede ronde nodig was. En dat was zo in Carcès (Var).
Alain Ravanello was burgemeester én de juwelier van het dorp. De laatste jaren ging ik in de zomer, rond mijn verjaardag, altijd even langs om te kijken welke nieuwe Lip-horloges hij weer had liggen. Lip is een oud Frans merk horloge, wordt gemaakt in Besançon en is bezig met een revival. In Nederland nauwelijks bekend. De Gaulle had er een en hij heeft er een cadeau gegeven aan Churchill. Het zijn goede en soms mooie horloges voor een zeer schappelijke prijs.
Zo heb ik hem leren kennen en zo raakten we ook altijd aan de praat over Carcès.
Een arm dorp in een arme streek. We hebben wel een regionale functie met een grote middelbare school waar de hele omgeving de jeugd naar toestuurt. En de markt op zaterdag trekt veel volk. Geen toeristen buiten het seizoen, maar lokale bewoners ook uit de omgeving van Carcès.
Het contrast met dorpen eromheen is groot.
Cotignac
Een dorp met minder inwoners maar met een levendigheid die enorm is. De markt op dinsdag is altijd druk en in het seizoen zo druk dat we wegblijven. Heel veel toeristen die op de markt maar ook op de schoonheid van het dorp afkomen. Want schoonheid is er. Er is een cours met terrassen en café’s, een is een mooi straatje naar het mooie plein bij het Hôtel de Ville. Er is in de loop der jaren veel bijgekomen: hotels, restaurants van heel eenvoudig pizza tot aan haute cuisine. ’s Avonds is het verlicht en het is dan een feest er gewoon rond te lopen.
Lorgues
Niet ons favoriete dorp maar wel een dorp dat veel te biedt. Een grote markt door het hele dorp heen, veel terrassen en restaurants en veel leven. Althans, in het seizoen. Daarbuiten is er niet veel te beleven. Afgelopen maand gingen we uit eten en er hing een arme sfeer. In de avond buiten seizoen is het uitgestorven. Veel Engelsen en Nederlanders in de zomer.
Entrecasteaux
Ja, heel erg klein maar prachtig natuurlijk. Uitzicht op het kasteel, een weg met wat café’s en een echt Provençaalse sfeer uit de boeken van Peter Mayle.
Carcès
En dan ons dorp. Het doet wat het moet doen. Er zijn wat café’s, twee bakkers, een supermarktje, een halal slager, een soort van groenteboer, wat restaurants en natuurlijk een grote pharmacie. Maar verder ontbreekt het aan verbeeldingskracht. Je zou zo veel meer kunnen met dit dorp. Het is heel oud en de Middeleeuwse stad is prachtig. Je moet hem wel vinden. Er zijn volop wijnboeren in de omgeving en de lokale coöperatie, Hameau, heeft het restaurant ernaast gekocht om een groot terras aan te leggen. Als we nou eens een of twee keer per jaar een grote foire aux vins zouden doen, inclusief een wijnroute die je kunt afleggen? Tijdens de campagne in het najaar een groot diner op de Place Respélido? In het seizoen wijn en streekgerechten proeven in het chateau?
Ik besprak het allemaal met de burgemeester. Een relatief jonge vent (vergeleken met mij) die dingen wil veranderen maar op een natuurlijk tempo. Een natuurlijk Frans tempo. Hij keek me aan en lachte. Ik wist, dit gaat nog wel even duren.
De verkiezingen
Het was niet eenvoudig: de eerste ronde was nek aan nek met zijn concurrent. Er moest dus een tweede ronde komen en die heeft hij gewonnen met bijna 47% van de stemmen. Hij mag dus weer. De burgemeester is dood, leve de burgemeester. Dat is mooi want zo krijgt het dorp ook wat continuïteit. Ik hoop dat in zijn plannen de ontwikkeling van Carcès een grote plaats krijgt. Iedereen zal ervan profiteren. Het zal nooit groots en meeslepend worden en dat hoeft ook niet, maar de stilstand die een langzame achteruitgang betekent tegengaan, zou wel mooi zijn. “Carcès en Avant”! Zo heet zijn lijst. Doen dus.
Praten is klanken uitstoten met als doel dat de ander mij hoort. Praten is je mening uiten met als doel dat de ander weet wat je ergens van vindt. Praten is afwachten dat de ander adem haalt zodat jij jouw mening kunt uiten. Praten is het vinden van een haakje in het verhaal van de ander om je eigen overtreffende-trapverhaal te vertellen.
Eigenlijk is dat allemaal geen praten. Althans, geen praten mét. Met een ander. Het is praten tegen een ander.
Praten kan en moet veel meer zijn, praten moet deel uitmaken van een gesprek.
Wat is een gesprek.
Als je de definitie van ‘gesprek’ opzoekt komt er iets uit als:
‘Een goed gesprek is een gelijkwaardige, open dialoog gericht op echt begrip, persoonlijke aandacht en verbinding, waarbij actief luisteren centraal staat zonder direct naar oplossingen te zoeken. Kenmerken zijn onder meer veiligheid, oprechte interesse, non-verbaal contact en de ruimte voor kwetsbaarheid en wederzijdse feedback.’
Er staat dus ‘een GOED gesprek’. En daarna komt er een hele uitleg die vooral gaat over interconnectiviteit, convivialiteit, verplaatsen in de ander, je goed voelen, veilig zijn, kwetsbaar zijn et cetera, enzovoort.
Dit herkenen we allemaal. Een lekker gesprek kennen we allemaal. Met vrienden eerst een beetje ouwehoeren, een wijntje erbij en dan komen misschien wel persoonlijke ontboezemingen. Omdat we ons geborgen voelen bij elkaar durven we dingen te zeggen die ons kwetsbaar maken. Gewoon om een keer je hart te luchten bijvoorbeeld, of te vertellen waarmee je omhoog zit. Persoonlijk of in je werk. Niet de diepte in maar gewoon even kunnen leeglopen. Zonder oordeel vanuit de ander.
Dat moeten we sowieso kunnen en doen.
Ik zou er nog een stap aan willen toevoegen: communicatief handelen.
We praten veel maar bereiken niets
Woorden zijn daden. Als ik op dit moment de tv aanzet, de radio, luister naar een politiek of maatschappelijk debat, dan hoor ik veel geluid, veel woorden. Mensen die tegen elkaar praten, wachten tot het moment dat de ander adem moet halen om er direct in te komen met de eigen mening, een jij-bak (Yeşilgös) of een verwijt. Het ergst zijn talkshows, praatshows. Daar mogen volstrekt ongeïnfomeerden, volstrekte nitwits, hun mening uiten over de aanvallen op Iran. Iedereen een mening. Iedereen praat. De deskundige van dienst wordt meestal het minst serieus genomen want de mening van de man in de straat telt meer. In de politiek geldt dat adagium ook: we moeten inclusief zijn en luisteren naar iedereen. En daar moeten we dan vervolgens wat mee doen. Dat is vreemd op zich. Als ik een kast wil maken luister ik ook niet naar iedereen. Ik luister dan vooral naar mensen die het al vaak hebben gedaan en er beter in zijn dan ik. Maar wij zijn eraan gewend geraakt dat iedere mening telt.
We luisteren naar iedereen en bereiken er niets mee.
Ik stel voor dat we stoppen met deze geestelijke luiheid. Het klinkt heel aardig die inclusiviteit, maar het is extreem lui. Onverschillig bijna. Waarom zou ik luisteren naar een gemiddelde mening over een moeilijk onderwerp? Gewoon, om geen gezeik te krijgen. Omdat de persoon met een mening, maar zonder visie zeker heel lui is, maar tegenwoordig ook beschikt over een enorme megafoon: social. De versterkte grote mond.
Laten we het anders gaan doen
Ik stel voor dat we elkaar weer meer serieus gaan nemen. Zo serieus dat we elkaars uitspraken beoordelen op drie onderdelen: waarheid, juistheid en legitimiteit.
Ik heb dit niet zelf bedacht, maar daar kom ik zo wel op terug. Voor nu wil ik heel kort uitleggen wat ik ermee bedoel en wat het betekent. Maar ook waarom het nodig is, maar niet zo modieus.
Wat ik zou willen is dat als wijzelf of iemand anders een uitspraak doet, we ons altijd afvragen: is het feitelijk waar wat er wordt gezegd, is het normatief juist wat hij zegt, weet hij waar hij het over heeft, en als laatste pas, mag die ander dat zeggen, meent hij het oprecht, is hij waarachtig?
Neem de politiek, gewoon een debat in de Tweede Kamer. Daar mag iedereen zeggen wat hij of zij wil. Daar ben ik overigens juist daar niet op tegen. De reacties op overduidelijke nonsens (er is een Deep State die ons wil onderdrukken) zijn altijd moreel en persoonlijk. Moreel omdat er met afschuw wordt gereageerd en persoonlijk omdat de legitimiteit van de spreker in twijfel wordt getrokken. Als Wilders weer eens zijn bekende riedeltje afdraait (overigens steeds vermoeider) dan is er onverschilligheid, verontwaardiging en soms ook de vraag “en wat heeft u dan bereikt in het kabinet?” Meer niet.
Waarheid, juistheid, waarachtigheid
Wat altijd moet gebeuren is eerst een zoektocht naar de feitelijke waarheid. Wat bedoelt u, hoe komt u aan de cijfers, wat zijn die cijfers, hoe werkt immigratie door op woningnood, werkgelegenheid etc. Vragen, vragen vragen. Vervolgens vragen naar concreet beleid: wat stelt u voor, hoe gaan we dat doen, hoe zit het met wetgeving, wat kost dat beleid, welke keuzes maakt u. Kortom: stel de feiten vast en kijk of er feitelijk een grond is voor de uitspraken. Pas daarna kun je een moreel oordeel vellen of vaststellen uitgaande van de feiten die kloppen. Feiten die geen feiten zijn kun je vervolgens negeren in het debat.
Een gesprek gebaseerd op deze drie uitgangspunten is altijd noodzakelijk. Ook in mijn werkzame leven gebruik ik het, om uit te vissen wat er precies aan de hand is. Als een collega zegt dat het niet goed gaat, begin ik altijd met de feiten: waar verwijs je naar, waarom gaat het niet goed, waaraan relateer je die uitspraak et cetera. Daarna stap ik over naar de juistheid van de uitspraak en de waarachtigheid van die uitspraak. In het begin leverde dit best gekke gesprekken op maar inmiddels is dit steeds de riedel die we aflopen: wat zijn de feiten, wat vinden we ervan (welke betekenis geven we aan die feiten) en zijn wij in staat er iets aan te doen, te veranderen? Heel concreet: als ik stel dat het niet goed gaat en dat oordeel klopt, en uiteindelijk ben ik als eindverantwoordelijke de oorzaak daarvan, dan is mijn waarachtigheid pas hoog als ik opstap. Zo’n gesprek is dus nooit vrijblijvend, laat staan relaxed.
Zoals gezegd, ik heb dit niet zelf bedacht. De onlangs overleden filosoof Jürgen Habermas heeft in twee dikke boeken in de jaren 80 uitgewerkt wat hij ermee bedoelde. Het voert te ver nu om daar uitgebreid op in te gaan. Wat mij toentertijd trof was de manier waarop hij het ideale (maatschappelijke) debat ontleedde en vorm wilde geven. Met deze drie eisen dus. Pas dan kom je tot common ground, waarbij je het niet met elkaar eens hoef te worden maar waarmee je wel een fatsoenlijk gesprek kunt voeren.
Mijn wens is dat we leren op deze manier met elkaar te praten. In het begin voelt het wat gemaakt aan, alsof je een lijstje afwerkt. Dat verdwijnt. En als dat verdwijnt merk je dat gesprekken beter worden. Dat je minder uit elkaar ligt dan je dacht. Dat je meer begrip krijgt voor de standpunten van een ander. Meer begrip voor de betekenis die een ander geeft aan een feitelijke gebeurtenis. En nog veel belangrijker, je krijgt meer vat op jezelf en je gedrag.
Mijn droom is dat in politiek tot aan talkshows dit wordt doorgevoerd. Het zal zeker ten koste van de kijkcijfers en de politieke ratings gaan. Het bekt minder lekker, opeens blijkt dat veel mensen met een mond vol tanden komen te staan en het duurt langer. Communicatief handelen bestaat niet uit one liners en slimmigheden of jij-bakken. Voor iedereen komt de lat hoger te liggen. Zeker. Maar we nemen elkaar ook serieuzer.
Ook bij mij in het dorp zijn er lokale partijen. Dicht bij de mens en men weet wat er leeft in Zeist. Sterker nog, men weet precies wat er leeft en wat dus het beleid moet worden.
Laat ik duidelijk zijn: grote onzin.
Wat is die onzin van lokale partijen?
Alle politici op alle lijsten zijn lokaal. Allen weten wat er speelt in dezelfde mate als de politici van lokale partijen. In die zin zijn alle partijen lokaal;
Politici van lokale partijen hebben geen enkele ingang in Den Haag, hoogstens op persoonlijk niveau. Er is geen connectie met de beleidsmakers in Den Haag. Noch ambtelijk, noch politiek;
Ze kunnen niet terugvallen op gemeenschappelijke kennis, kunde en ervaring binnen een partij. Dat betekent dat zij iedere keer weer opnieuw het wiel moeten uitvinden. Dag gaat ten koste van de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Als onderdeel van een grotere partij kun je terugvallen op successen én fouten in andere gemeenten, provincies of landelijke fracties;
Er is de suggestie van toegankelijkheid, direct bereikbaarheid. Maar dat geldt voor alle politici op gemeenteniveau: die zijn in gelijke mate bereikbaar. In kleine gemeenten directer dan in grote gemeenten, maar er is geen verschil tussen lokale partijen en landelijke partijen;
Ze bestaan vaak uit goedwillende en goedbedoelende burgers die politiek erbij doen. Zeker vanuit de juiste intenties, maar zonder het vangnet van een landelijke organisatie.
U ziet, ik ben geen voorstander van lokale partijen. Ik vind het een teken van de tijd: absurde versplintering van stemmen en aandacht waardoor de slagkracht verdwijnt. Hoe komt een raad met een groot aantal partijen die allemaal een stokpaard hebben tot goede gedegen besluitvorming? Niet makkelijk.
Ga stemmen! Niet op een lokale partij wat mij betreft. Maar als dat de enige reden is om te stemmen, dan maar lokaal. Altijd nog veel beter dat niet stemmen.
The post-Japan blues. Ik had er nog nooit van gehoord tot ik terug was uit Japan. Dat is nu een maand geleden en ik heb er nog steeds last van.
Natuurlijk, deze blog gaat over leren en daar kom ik zo ook echt op terug. Maar eerst even over die blues. Waarin uit die zich? Ja, heel kinderachtig, in een beetje wegdromen, de geluiden (die er veel zijn, vooral elektronische deuntjes) missen, de geuren missen, de winkels met kookgerei, de Izakaya’s. Kortom: alles missen en je afvragen waarom je niet gewoon teruggaat.
Dat hoeft namelijk niet eens. Ik heb chat gebruikt met de vraag hoe de blues te bestrijden en het antwoord was simpel: koop Japanse spullen en bezoek een Japanse winkel of tentoonstelling.
Ik heb iets anders besloten: ik leer Japans koken. Dat deed ik al af en toe, maar in Japan kwam ik erachter dat ik helemaal niet Japanse kookte maar meer iets tussen Korea en China in. Of zo.
En dus heb ik mijn kookboeken bij elkaar gezet in de keuken, er nog een stuk of vijf extra aangeschaft en sinds zes weken kook ik vrijwel iedere dag Japans. Ik leer iedere dag weer iets nieuws. Mijn gezin is er overigens al klaar mee.
Ik leer. Niet omdat het moet, maar omdat ik wil.
En het werkt. Mijn blues wordt minder. Naast kookboeken lees ik ook over Japanse filosofie, Japanse bedrijven (waarvan het oudste al bijna 1.450 jaar bestaat) en over de cultuur die én fantastisch én verstikkend is. Mijn mooie beeld wordt ingekleurd met feiten. Ik leer niet alleen steeds beter koken, ik leer ook meer realistisch te kijken naar Japan.
En ik moet zeggen, zo leren is heerlijk. Een combinatie van gewoon doen (koken) en gewoon nadenken en lezen. Mijn leven wordt nog rijker dan het al was.
Maar als leren zo mooi is, waarom is het dan zo moeilijk?
In alle gesprekken met klanten blijkt grosso modo steeds weer dat bedrijven heel graag investeren in het leren door medewerkers, maar dat het zo moeilijk blijkt om die medewerkers aan het leren te krijgen. Eigenlijk werken een paar dingen goed: verplichte trainingen en opleidingen die ervoor zorgen dat je werkgarantie hebt. Omscholing en bijscholing.
Er is natuurlijk niets mis met leren op die manier. Maar er ontbreekt wel iets wezenlijks: geheel diep intrinsieke motivatie. Van moeten leren naar willen leren en dan vervolgens niet willen stoppen.
Dat verplichte leren ken ik zelf ook. In het kader van de WFT of AVG bijvoorbeeld heb ik veel verplichte trainingen. Ik doe dat omdat het moet, om mijn kennis op niveau te houden. En vervolgens probeer ik er altijd iets in te vinden dat bij mij resoneert. Bij AVG is dat bijvoorbeeld hoe het precies zit met privacy in een wereld met AI. Daar wil ik dan veel meer van leren en dat doe ik dan ook. Steeds weer.
Daarmee is een verplichte training voor mij nooit een doel op zich, maar een middel om meer kennis op te doen, onbekende terreinen te betreden en lol te hebben in nieuwe dingen.
Werkgevers moeten leren leuk maken
Wanneer is iets leuk, kun je je afvragen. Is dat niet heel persoonlijk? Zeker, maar het mechanisme erachter is universeel. Hoe kun je leren leuk maken en toch gewoon een bedrijf runnen met harde afspraken, regels, hiërarchie, KPI’s et cetera?
Werkgevers moeten daarvoor letten op drie dingen
Ervaren medewerkers autonomie in hun keuze voor een opleiding?
Sluit het aan bij hun persoonlijke doelen en heeft het de juiste betekenis?
Worden ze aangesproken op en beloond voor hun competentie?
Autonomie wordt ervaren als mensen zelf keuzes kunnen maken en – heel praktisch – geen toestemming van de chef nodig hebben. Je hebt budget en kunt je gang gaan: kies wat je zelf juist acht, geef je budget gewoon uit.
De beloning volgt meestal achteraf, maar kan ook vooraf. Als een bedrijf stuurt op een nieuwsgierige cultuur, waar leren en elkaar positief uitdagen normaal zijn, zal er meer vraag naar opleiding zijn. Als je daar vervolgens voor wordt gewaardeerd, en dat kan klein zijn maar ook een stap in je loopbaan, dan zet dat aan tot nog meer leergedrag.
En als dat dan ook nog eens klopt met wie je wilt zijn dan is de cirkel rond. Dat kan overigens van alles zijn. Ik wil eeuwig de veellezer zijn, een ander de introverte specialist op de vierkante millimeter, weer een ander de avontuurlijke dwarsdenker.
Als je vrij wordt gelaten om te kiezen, zul je meer worden wie je wilt zijn. Leren werkt het best als er een verbinding is met je identiteit, met je diepste ‘ik’.
Dat klinkt zweverig, maar is het niet. Het is eigenlijk heel simpel voor werkgevers:
Faciliteer de medewerker met een breed, goed en toegankelijk Learning & Developmentplatform;
Geef een budget dat ruim genoeg is om te kunnen kiezen en krap genoeg om goed te moeten kiezen;
Stimuleer gebruik van de mogelijkheden en beloon ieders persoonlijke groei.
Pas als mensen zich gezien en gewaardeerd voelen, dan komen zij tot bloei.
Ryan & Deci (2017). Self-Determination Theory: Basic Psychological Needs in Motivation, Development, and Wellness.
Csíkszentmihályi (1990). Flow: The Psychology of Optimal Experience.
Baumeister et al. (2013). Some Key Differences Between a Meaningful Life and a Happy Life.Journal of Positive Psychology.
De bus leidde ons door de bergen, meanderende wegen, langs dorpen huizen, hier en daar een rijstveld, erin, meest oudere, mensen, gebogen
De lucht kraakhelder blauw, hier en daar sneeuw op de verre toppen, er heerste diepe, diepe rust, zelfs de bus leek geluidloos voort te gaan
In mijzelf gekeerd keek ik hoe de stad langzaam vorm kreeg, huis aan huis, draden ertussen gespannen als web bomen perfect gesnoeid, met een schaar
De stad, het voelde als een dorp van ooit, eindigde aan het water, ik stond aan de Japanse zee en voelde de afstand tot mijn huis
Nee, dit was niet het strand dat ik kende, hier geen rumoer, geen drank, mens noch terras, slechts zand en de branding, in de verte wat boten op zee, vissers
Pas later, bij de boeddha in het bos, het ruisen van wind en water nog in mijn oren begreep ik dat dit land, deze mensen, mijn gelijke zijn zonder te gelijken.
Ik hoor zacht geruis van banden als ik in een wachtruimte zit, iemand zegt 'er is iemand voor je', 'ja, dat weet ik, dat is Dick' je zwakgeworden stem spreekt boekdelen
In de rolstoel word je binnengereden jij, jij zit daar met grote ogen, een grijze baard en een wit t-shirt van het merk Joop Je bent klein. Ooit was je mijn 'man in black' en nu niet meer.
Tussen ons en de jaren her, staan woorden en herinneringen. De dingen die we deden, de wegen die we samen bereden in het begrijpen van de medemens, de avonden met veel wijn en bittergarnituur.
Wat heb ik van je gehouden, wat heb ik je gemeden, ontweken, om steeds weer met jou ergens uit te komen. Jij, altijd het grote gebaar alsof je alles begreep en vast kon houden in één vuist.
Ik vraag aan je waarom je er nog bent, doodziek, kanker, longontsteking en grauw. Niet voor mezelf, zeggen je ogen, je blik lijkt in een spiegel te kijken. Ik. 'Voor mijn kinderen' fluister je hees.
En dat is het. Meer niet. Het gestolde verleden is verstild, dit heb jij nooit gewild, en je pakt mijn hand. Onze vriendschap is een raadsel, zeg je, maar de liefde is echt. Ik knik ja, de liefde is echt.
Na uren zitten en praten en huilen en niet lachen zoals vroeger, rijd ik je terug naar je kamer met de andere stervenden. Ik kijk nog eenmaal om en zwaai, jij zwaait ook en ik voel je grote droeve ogen in mijn rug.
Ik open slaperig de gordijnen en zie, daar ligt de stad, straten, verkeer, lage en hoge gebouwen. Zoals iedere stad, maar daarachter zie ik voor het eerst in mijn leven de sneeuwkegel van Mount Fuji
En ik weet dat ik niets moet weten hier, dat ik niet gewoon verder leef, maar dan op een andere plek, de dingen doe die ik altijd al doe want waar ik ook ben, ik ben het in deze stad, maar zonder mij
Meer dan alle boeken die ik lees, alle woorden in mijn geest, deze stad als buitenkant wordt langzaam mijn binnenkant, als ik zie dat niets van mij hier werkt, en ik merk hoe ik alles vergeet
Daar in de buik van de stad, op een hoek, kijkend naar alle mensen wachtend op het geluid als teken om over te steken, steek ik over in mijzelf, en doe wat ik niet graag doe, ik laat het nieuwe, het onbekende toe
Die keuze wordt voor mij gemaakt in een taal die ik niet versta, maar wel begrijp, spreekt deze stad tot mij, door alle drukte, met zachte stem en lichte drang: laat jezelf los en kom, begin met een nieuw begin. Ik haal diep adem, en stort mij daarin.
Het zwembad bij ons huis is 23 jaar geleden aangelegd. Huis gekocht, bomen weggehaald, ruimte gecreëerd en aan het werk.
Er stond al een zwembad. Zo’n verplaatsbaar ding op een betonnen fundering. Zag er niet uit en was nog uit de Frans-Duitse oorlog. We wilden een echt zwembad, zo’n infinity pool met uitzicht over het dal en de bergen. Maar hoe kom je aan een goede bouwer? Via, via. De architect kende iemand, een goede. De beste man kwam, zag en overwon: hij ging het zwembad aanleggen.
Dat hebben we geweten.
Toen de eerste tegeltjes loslieten hebben we ons wat verdiept in de achtergrond van de beste man. En ja, achteraf kun je zeggen had je dat niet eerder kunnen doen, maar dat is altijd makkelijk. Wat bleek: ons zwembad was het allereerste zwembad in zijn gehele carrière. Wij waren de proeftuin.
We hadden gewaarschuwd moeten zijn toe bleek dat de ‘infinityrand’ niet helemaal recht was, maar goed, je zit in Frankrijk hè en het weer was prima, de zon scheen, het uitzicht prachtig. Maar we waren niet gewaarschuwd.
Nu, 23 jaar later, hebben we bijgeleerd. Vele malen is het zwembad gerepareerd: tegelmatjes opnieuw aangelegd, stukken weggehakt om het onderliggende betonijzer te herstellen zodat we geen bruine roestvlekken meer hadden, weer tegelmatjes, de rand die hersteld is. Et cetera enzovoort.
Het uitzicht is nog steeds geweldig en als ik ’s avonds op de rand hang en in de verte de lichtjes van Entrecasteaux zie flikkeren dan ben ik intens gelukkig. Het zwembad blijft.
We laten het nu in een keer goed restaureren.
Alles wordt eruit gehakt, de scheuren gerepareerd, er komt een nieuwe betonnen grondlaag en daar weer bovenop een aantal lagen zodat het weer jaren meekan. Deze bouwer hebben we goed gecheckt, deze keer niet met de portemonnee gekozen maar op basis van bewezen kwaliteit. We duimen op de goede afloop.
Hierna zijn de luiken overigens aan de beurt. Want ook die hebben betere tijden gekend. Een eigen huis is een boeiend bezit. Het houdt niet op. J’en ai marre intussen.
Een dag in oktober. Ik wandel van ons huis richting dorp, het is 8 uur in de ochtend. Het wordt licht, het is fris, de lucht vol zuurstof. Iets meer dan anderhalve kilometer wandelen, de berg af naar het dorp. Brug over, de lange toegangsweg, linksaf langs de Place Respélido, het oude tunneltje door en dan weer naar rechts. Ik loop altijd om, om aan mijn stappen te komen. De volgorde is steeds hetzelfde omdat ik van steeds hetzelfde hou: bakker, café, kerk, en dan weer terug naar huis. Ergens tussen een uur en anderhalf uur ben ik dan onderweg. Deze keer had Bar Le Central lampjes opgehangen aan de luifel.
Na de koffie en de kaarsjes in de kerk loop ik dezelfde weg weer naar huis. In mijn tas een baguette, een céreal en een sacristain. En als ik terug ben dan ben ik compleet gelukkig.
Het is ooit begonnen, 23 jaar geleden, toen ik voor het eerst een week in oktober in Carcès was. Na een lange hete zomer gingen we nog even terug. Ik wist direct dat ik volkomen thuis was.
Al die dingen heb ik in de zomer niet. De hitte is weldadig, het licht prachtig, de sfeer loom en snakkend naar een goede rosé. Maar dit haalt het niet bij de herfst.
Dit jaar zijn we naar Cannes gereden. Ook daar herfst. Minder druk, mooi licht en voor de lunch bij Plage Goéland aan het strand zitten. De kalme geluiden van de zee, de laagstaande zon op mijn gezicht, het rustige gepraat van de mensen op het terras, het gerinkel van glazen meest gevuld met rosé en de bediening die ook al heel relaxt is. Alles klopt.
De herfst in de Var mag wat mij betreft eeuwig duren. Een perfecte temperatuur, de geuren van gevallen blad en de rook van alle buren die hout en blad verbranden, de vroege schemering, het geluid van de jacht in de heel vroege ochtend en laat in de middag: alles vervult mij met geluk.