Porquerolles

Herfst in de Var betekent meestal koude nachten en in de middag schaamteloos blauwe luchten bij een temperatuur van boven de 20 graden. Als je niet uitkijkt doe je niet al te veel. Genieten van het weer en ’s avonds ergens wat eten is dan genoeg.

Niet voor ons. We besloten weer eens naar Porquerolles af te reizen. Anderhalf uur rijden, de auto neerzetten bij La Tour Fondue en de boot op. Alleen dat al is een vakantie binnen een vakantie. Het was prachtig weer, de lucht was inderdaad zeer blauw en de zon scheen volop.

In het stadje hebben we drie e-bikes gehuurd en zijn we de hele oostkant van het eiland over gereden. Ieder weggetje, ieder stukje hebben we gezien. Veel van de fiets af, stukken lopend om op prachtige plekken uit te komen. Een echte aanrader zo’n elektrische fiets. We zijn eerder op een normale fiets gegaan en dan kom je toch minder ver op de een of andere manier.

Ik herinnerde me nog dat ik een vorige keer enorm honger kreeg onderweg en dat er niet veel te vinden is buiten het dorp dus zijn we eerst maar wat gaan lunchen op het plein. Beetje vette hap maar voldoende voor een dag rondfietsen.

Aan de noordkant van het eiland zijn we richting Plage Notre Dame gereden en van daaruit naar de Batterie des Mèdes (uit de eerste helft van de negentiende eeuw), een werkelijk prachtige plek die ik nog niet kende. Laatste kilometers gewandeld, steeds hoger. Wat een uitzicht en wat een mooie kust.

Langzaam weer omlaag gelopen, de fiets gepakt en door de wijnvelden naar de vuurtoren op de zuidpunt van het eiland gegaan en uiteindelijk weer terug naar het dorp. Wat gedronken, fietsen ingeleverd en weer de boot op. In totaal een kilometer of 16 gefietst en 7 kilometer gelopen. Een mooi rondje.

Als je het zo opschrijft is het allemaal een beetje suf en bedaagd maar dat is het helemaal niet. De sfeer op het eiland is heerlijk zomerend en dromerig. De geuren, al die geuren zijn heerlijk. Steeds andere geuren! En er zijn zoveel mooie plekken om rond te lopen, uit te kijken, gewoon even de zee inlopen dat het oneindig lijkt. Druk is het in oktober nooit en dat is lekker. Er zijn anderen, natuurlijk, maar die zijn al net zo relaxt als dat je zelf bent.

Porquerolles is een aanrader en eenmaal geweest kom je hier altijd weer terug.

Saint-Germain-des-Prés

Je kunt het niet missen in Parijs: alle wegen leiden hier naartoe. De terrassen zitten vol toeristen die nog een beetje de sfeer van de jaren 60 willen proeven. Hier kwamen de grote filosofen van die tijd bij elkaar. Praatten met elkaar, aten met elkaar, werden dronken en kregen ruzie. Natuurlijke Sartre en Beauvoir die hier hun audiënties hielden in Café de Flore of Les Deux Magots. En naast filosofen als Merleau-Ponty, Aron en Camus kwamen hier ook kunstenaars vanaf de jaren na de oorlog. Picasso, Giacometti, Boris Vian en de schrijver Jean Genet. Wie kwam er niet, kun je beter vragen.

Een plek om naar toe te gaan en wat rond te lopen. Zoals ik al decennia doe.

En nu opeens was de kerk open. De oudste kerk van Parijs. De kerk waar Descartes begraven ligt. De man aan wie we de verwarrende scheiding tussen lichaam en geest te danken hebben.

In alle jaren dat ik hier kom was de kerk nooit open geweest. Ja, natuurlijk, vast wel, maar niet als ik er net was. Aslof het geloof op deze existentialistische plek verborgen moest blijven.

En nu dus open. Wat een wonderbaarlijk mooie kerk is dit. Zoals alle kerken is hij van binnen veel groter dan van buiten. De versieringen, de kleuren, alles is er nog gewoon. Het interieur deed me denken aan de grote kerk in Kevelaer: ook daar is alles beschilderd en versierd om de rijkdom van de Roomse kerk te vieren.

Eenmaal binnen verdwijnt de drukte van de Place. Hier geen verkeer, geen gebabbel, geen getoeter of geschreeuw. Hier de rust en de inkeer die tot een kerk horen. Een kerk die er al duizend jaar is en nog duizend jaar zal zijn. Een kerk die alle intellectuelen heeft overleefd. Een kerk die ten diepste is gebouwd op de scheiding tussen lichaam en geest. Dertig minuten in deze rust en je bent weer helemaal klaar voor de wereldse verleiding die Parijs is.

Door Covid is er natuurlijk geen wijwater aan het begin van de kerk waarin je je vingers kunt dopen om jezelf te zegenen. Snel, met een kort kordaat gebaar. Al die bakken staan nu leeg. En terecht.
Mocht het zo zijn dat er ooit weer water in die bakken staat, ook hier in Parijs, en je komt er langs bij binnenkomst: doop snel je vingers erin, sla een kruis waarbij je begint op je voorhoofd en zegen jezelf.

Het schijnt ook te werken als je er niet in gelooft.

19 Rue Cujas, Paris

Het was ergens in de jaren 80 dat ik naar Parijs vertrok met liefdesverdriet. Het was september. Herfst. Goed idee leek me dat. Na twee dagen had ik door dat dat helemaal geen goed idee was want nergens voel je je meer alleen dan met liefdesverdriet in Parijs. Wist ik veel.

Om te overnachten had ik een kamer geboekt in het Grand Hotel Saint Michel in de Rue Cujas, een zijstraat van de Bd. St. Michel, tussen de Sorbonne en het Pantheon in. Die kamer bleek een kamer en suite te zijn op de derde etage. (Op de foto de twee ramen rechts boven de ingang). Het hotel werd gerund door Mme. Salvage (als ik het me goed herinner). Een klein vrouwtje dat me aansprak met ‘mon pauvre’ en iedere dag een verse pan soep klaarmaakte. ’s Morgens trok de geur door het hele pand.

Een kamer kostte toentertijd Ffr. 10,–, wat omgerekend Hfl. 3,– per nacht was. Voor honderd gulden kon ik er een maand wonen. Ik bleef er vier maanden.

Ik keek uit op de daken van de universiteit, mijn kamer had openslaande ramen en twee grote leren fauteuils. Uren bracht ik daar door met onder anderen mijn beste vriendje. We rookten Boyards en dronken whisky. Veel geld hadden we niet maar sigaretten kostten toen niet veel en met één Boyard haalde je het equivalent van een hele slof Barclays naar binnen.

Om boodschappen te doen hobbelde ik de Rue Valette af naar de Place Maubert. Op de markt was het allemaal niet duur, de kaasboer was prima, de wijnboer had goedkope wijn van prima kwaliteit en met een baguette kwam ik een heel eind. En soms koffie bij La Village Ronsard. Het café waar Yves Montand ook kwam.

Boven mij woonde een man die het bad wel eens liet overlopen. De eerste keer dat dat gebeurde rende ik naar boven maar niemand deed open. Ik naar Mme. Salvage die een echte Franse zucht tussen haar lippen liet gaan, wat mompelde en zei ‘le philosophe’. De man in kwestie was een gesjeesde filosoof die af en toe een beetje gek werd en dan in bad ging zitten met de kraan open. Een bekend fenomeen.

’s Avonds soep ophalen bij haar en wat eten. Die sfeer. Geborgen, beetje rommeltje, prachtvrouw, knus en heel gemoedelijk.

Eten deed ik vaak in een klein straatje iets verderop. Daar zat een Algerijn met de lekkerste couscous die ik me kon wensen voor weinig geld. Rond de Ffr. 10. Maar ook daar water: als je beneden in de kelder at en boven trok iemand de wc door lekte het langs de wand. Maar hé, nou en? Het leven was oneindig dus dit was slechts een detail van het hele bestaan.

Ik was dit weekeinde weer in Parijs.

Het hotel is een jaar of dertig overgenomen door een keten van luxe hotels. De prijs voor een single room steeg toen ineens naar Hfl. 250,– per nacht. Het zat altijd vol. Niet zo gek met Luxembourg om de hoek, in het hartje van de linkeroever. Alles was opgeknapt, ook de buitenkant.

En nu staat het leeg. De voordeur stond aan en ik keek naar binnen. De lobby was een zootje, de gordijnen hingen scheef en de vloerbedekking was losgetrokken. Covid is dodelijk geweest voor mijn geweldige hotelletje.

De rest is er nog.

De place Maubert heeft nog steeds een markt waar je voor weinig heerlijke dingen kunt kopen. De kaas- en wijnboer zitten er nog. Le Village Ronsard waar je hippe poké bowl met quinoa kunt bestellen voor de lunch. Le Vieux Campeur waar je echt alle Opinel messen kunt vinden die je maar kunt bedenken. Gibert Jeune waar ik papier en inkt kocht en koop.

Parijs is voor mij altijd thuiskomen. Ik ben er altijd gelukkig. Vooral in de herfst. Ik ga altijd ook even langs een plek van Sartre, mijn intellectuele held. Deze keer weer even langs 42 Rue Bonaparte waar hij woonde met zijn moeder. Hij woonde op de vierde etage en keek uit over St. Germain-des-Prés.

En zo ga ik altijd weer terug. Ook onderweg naar de Var, die heerlijke Var, stop ik graag in Parijs voor een dag of twee. Parijs ruiken en voelen. Parijs horen.

Als je er eenmaal mee behept bent gaat het nooit meer over.

Paris me manque.

Arrogante Fransen

Laatst sprak ik met een collega die op vakantie was geweest in de Var, ergens in het Massif des Maures. Net na de grote branden. Er was heel veel van te zien maar waar hij zat niet eens. Hij had een huis gehuurd bij een fijn dorp, op rijafstand van de zee en voldoende te doen in de omgeving. Het dorp had ook voldoende te doen en te eten. Hij had kortom een prima vakantie gehad. “Jammer alleen van die arrogante Fransen. Heb ik zo’n hekel aan”, zei hij.

Dit hoor (niet alleen) ik veel vaker. Fransen zijn arrogant en nurks. Ik winkels word je genegeerd, je wordt bekeken alsof je van mars komt en ‘ze’ doen geen enkele poging je te verstaan.

Gek toch dat mijn ervaring zo volstrekt anders is. Oh, niet dat er geen eikels zijn in Frankrijk, want die zijn er. De verdeling van eikels is in ieder land ongeveer gelijk is mijn idee. Dus die zijn er.

Maar al die anderen dan?

Er wordt wel eens onderscheid gemaakt tussen Frankrijk en Parijs. In Parijs wonen de arroganten en in de rest van Frankrijk niet. Een onderscheid dat overigens ook door Fransen zelf wordt gemaakt.

Ik zie dat ook al niet. Ik herken wel de vooroordelen, maar ik ervaar het anders.

Om met Parijs te beginnen. Afgelopen weekeinde was ik er weer eens. En wat opvalt is bijvoorbeeld dat iedereen gewoon zijn Pass Sanitaire toont zonder gedoe en dat het bedienend personeel er lachend, bijna met gène om vraagt. Je babbelt wat in het Frans en alles is ok. We zaten op een terras op de Boulevard de Charonne en ik wilde afrekenen. De eigenaar kwam boos naar me toe en zei dat hij dat zeker niet ging doen. Ik vroeg waarom niet. Brede grijns: ‘omdat het leven en de dag te mooi zijn om nu al op te stappen. Bestel gewoon nog een biertje. Morgen is er weer een dag’. Zo gezegd, zo gedaan.

In winkels, het hotel, in de parken: relaxte mensen die heel relaxed met ons omgingen.

Dan de andere plek waar ik heel veel tijd doorbreng: de Var. Grotere armoede dan in Parijs, robuust volk van weinig woorden en weinig opsmuk. De gène zit daar volgens mij niet in de Pass Sanitaire, maar in iets veel algemeners. Het besef dat het allemaal niet zo denderend is qua leven, ondanks dat je heel hard werkt. Dat je niet de beste opleiding hebt kunnen genieten. En vooral de gène dat je geen woord over de grens spreekt. Die gène uit armoede herken ik uit mijn jeugd. Mijn buurt in Utrecht zat vol met trotse hard werkende arbeiders, maar tegenover de dokter of de hoofdmeester kromp men zienderogen en werd afwerend of onderdanig. Vreselijk als je er nu over denkt.

Dat is wat ik zie in mijn dorp in de Var. Maar ik heb het ook gezien in Bretagne in Erdeven, in Normandië op het platteland, in Les Landes en in Roubaix. Het is weten dat je leven klein is en er tegelijkertijd zeer trots op zijn.

Frankrijk is een waardegedreven land: Liberté, Égalité, Fraternité. Vanuit die waarden wordt trots geboren maar ook de achterstelling. Als je een appartement met uitzicht op de Eiffeltoren hebt, is de betekenis van die woorden anders dan wanneer je driehoog woont in twee kamers aan de Rue Maréchal Foch in Carcès. Maar iedereen denkt vanuit dezelfde waarden. Dat betekent dat de plaats die je inneemt in het leven en de maatschappij ook vanuit die waarden worden bekeken. Door jezelf en door anderen. Dus je bent vrij, je bent gelijk aan alle andere burgers én je leeft in broederschap. Hoe kan het dan dat je arm bent, of alleen Frans spreekt? En waarom behandelen anderen uit andere landen je niet als gelijke maar als bediende (bijvoorbeeld in een restaurant)? Je wordt met je neus op de feiten gedrukt.

Het mooiste voorbeeld van goed omgaan met de afkeer van onderdanigheid is de Parijse ouderwetse ober. Ooit zat ik vaak bij Le Cluny (inmiddels een pizzaketen). Daar had iedere ober zijn eigen ‘wijk’ en zorgde daar heel goed voor. Hij was de baas, hij bepaalde wanneer je werd bediend en of de bestelling snel kwam. Maar zijn beroep wist hij uitmuntend uit te oefenen. Beroepseer.

Zo heb ik al eens eerder geschreven over de beste elektriciën van ons dorp. Vriendelijke goede vent, maar nooit onderdanig. En dat liet hij ook voelen. Op zijn Frans.

Mijn overtuiging is dat als een volk collectief tegenvalt, zoals die collega beweerde, het gewoon aan jou ligt. En als het allemaal tegenvalt kun je je nog altijd verdiepen in dat volk, begrip krijgen voor het gedrag omdat je het begrijpt en gewoon vriendelijk zijn. Je krijgt er vriendelijkheid voor terug namelijk. Als je geniet van de natuur, de omgeving, het lekkere eten; geniet dan ook van de mens.

Het is allemaal niet zo moeilijk.

Verkiezingen

Die lijken er niet te komen. Rutte gaat door. Er komt een aantal enquêtes waar Rutte niet over zal struikelen. De vier partijen die zich nu weer aan elkaar binden gaan de komende jaren niet uit elkaar. Dat betekent dat er geen genoegdoening komt voor alle gedupeerden van alle affaires. Dat de belastingdienst blijft doen wat hij doet, dat de overheid de burger blijft wantrouwen, dat sleetsheid genormaliseerd wordt en dat er geen enkele visie zal komen.

Ik moet denken aan een gedicht van Brecht:

Wahrnehmung

Als ich wiederkehrte
war mein Haar noch nicht Grau
Da war ich froh.

Die Mühen der Gebirge liegen hinter uns
Vor uns liegen die Mühen der Ebenen.

Rutte als drs. P op weg naar Omsk. Hulp gevraagd

Rutte is gewoon drs. P op weg naar Omsk.

Dodenrit

🎵 Nu Sigrid is verwijderd hebben wij weer even rust
Maar nee, daar zijn de wolven weer, op nog een part belust
De doodskreet van zo’n Kasja snijdt ons pijnlijk door de ziel
Nou vlug richting formatie, want dit wordt best instabiel! 🎵

Troika hier, troika daar,
ook de kamer doet wel raar

Troika hier, troika daar,
voor Afganen is het naar

Troika hier, troika daar,
hoe komt nu d’evacuatie klaar?

Troika hier, troika daar,
nu zijn in Kaboel de rapen gaar!

Wie maakt dit af?

Met dank aan Tjerk Muller en A. Thurkow

De Var en Tripadvisor

Iedereen kent het fenomeen: je zoekt naar een leuk hotel voor een paar nachten Marseille en de weken daarna loopt je mailbox vol met allerlei aanbiedingen in Marseille. Things to do, leuke restaurants en leuke hotelletjes. Maar goed, in Marseille kom je uiteindelijk altijd goed terecht.

Vaak vallen de tips in de praktijk tegen. De restaurants zijn meestal die waar heel veel reviews gegeven zijn en het niveau van de lokale Flunch niet overstijgen. De hotels idem dito. Je moet dus gewoon blijven zoeken. Al zoekend merk je dat het algoritme je niet helemaal kent, en zo kwam bovenstaande friterie voor mij naar boven. Dit terwijl ik altijd naar gewone restaurants zoek.

Je raakt verstrikt in een algoritme. Je kunt op zoek zijn naar een B&B bij Cotignac in de buurt en ergens in het Massis des Maures eindigen. Ook leuk.

Mijn algoritme stuurde me een heel leuke aankondiging. Daarover zo meer. Hoe kwam dat algoritme daarbij?

Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik correspondent ben voor een aantal magazines over Frankrijk. Ik schrijf daar artikelen voor en soms check ik dan alles wat ik daarin beweer aan feiten. Die moeten kloppen en mijn mening is mijn mening. Daar kun je het mee eens zijn of niet.

Zo heb ik laatst iets geschreven over de Var en daarbij moest ik even kijken (Google) of iets klopte over een klein dorp vlakbij Brignoles: Le Val. En het klopte dus kon ik ermee door.

Sindsdien krijg ik mails met de volgende header: ‘Maak je reis naar Le Val onvergetelijk!’ Aangevuld natuurlijk met foto’s om mij in de stemming te brengen voor een onvergetelijke reis naar Le Val.

Nu moet ik iets kwijt over Le Val. Le Val is een dorpje dat ligt op de route van Brignoles naar Carcès. Je rijdt wat slingerweggetjes over tot aan een rond point. Daar zit een wijnmaker, die ook nog eens Les vignerons de Correns heet, en naar rechts ga je het dorp in. Dat bestaat uit een beperkt aantal straten met een pleintje en een terras. En hoewel het meer inwoners heeft dan Carcès is er niets te vinden. Je rijdt er doorheen, je rijdt eruit en dat was het. Het is qua inwoners een beetje een overloop van Brignoles zonder de bijbehorende voorzieningen. Er is niets. Ja, een kleine Mousquetaires. Er is een paar keer per jaar een vide grenier en pas dan zie je dat dit dorp en de streek niet al te welvarend zijn. Een gezellig dorp zonder iets. Je rijdt er langs zonder op of om te kijken.

En over dat dorp, Le Val, krijg ik hiep hiep hoera mailtjes van Tripadvisor. Dat ik mijn weekeinde kan gaan plannen en dat er tips zijn over waar ik kan overnachten en ongelooflijk kan eten. Als ik niet beter zou weten, zou ik zomaar een midweek in Le Val plannen met het gezin.

Waar het op neerkomt is dat een algoritme dom is. Heel intelligent in het berekenen van mijn profiel en in het koppelen van dat profiel aan aanbiedingen, maar niet in een echte match. Le Val is schattig, maar je kunt er niet geweldig verblijven of geweldig eten.

Het is maar goed dat ik de streek goed ken maar hoe gaat dat als je ergens voor het eerst naar toe gaat en je wordt een dorp ingezogen? Altijd opletten dus en, als het kan, even vragen aan bekenden. Mensen zijn toch nog steeds het beste algoritme.

Jodensterren

Afgelopen zondag liepen er mensen in Amsterdam te demonstreren tegen de coronamaatregelen van de Nederlandse regering. Het was niet voor het eerst en het zal zeker niet voor het laatst zijn. Het was een bonte verzameling van mensen die niet helemaal scherp op het netvlies hebben in wat voor land zij leven. Maar goed, intelligentie is standaardnormaal verdeeld met uitschieters naar beide zijden.

Een aantal, zo zag ik op foto’s, liep met Jodensterren op.

Ik kan hier heel kort over zijn. Dit soort fascisten doen dat met opzet. Niet uit onwetendheid of wat dan ook. Met opzet kwaadaardig haatzaaien omdat dat in Nederland kan. Het is laag volk waar geen enkele aandacht naar uit moet gaan want daar gaat het hen uiteindelijk om: ophef creëren.

Oproepen om hen eens te laten kennismaken met Westerbork of Auschwitz zijn zinloos. Dat zou voor hen een lekker uitje zijn met daarna selfies in de gaskamer of iets dergelijks.

Wetende dat het net zo zinloos is, wil ik zeggen ‘schaam je’. Om schaamte te voelen moet je een zekere vorm van medemenselijkheid bezitten dus mijn woorden vervliegen in het luchtledige.

Machteloos zie ik zoveel peilloze domheid aan.

Monsieur Clooney

Ik hou het kort: de Var kan weer rustig ademhalen. Want spannend was het de laatste jaren wel.

Jaren, jaren geleden deed het gerucht de ronde dat George Clooney een huis gekocht had in de buurt van zijn vriend Brad Pitt. Nou ja, een huis. Het ging om een landgoed op een heuvel met twee ingangen en alles erop en eraan. Dat landgoed lag bij ons om de hoek: Carcés uit richting Le Val en dan net voor La Chute du Grand Baou (een van die lekkere watervallen die er zijn) net links. Daar zat de ingang van zijn domein. Le Var Matin stond er vol mee en zelfs in het dorp werd er over gesproken. Kijk, iedereen zit in de wijnbouw en werkt zich een slag in de rondte om nog een beetje welvaart te hebben, maar oog voor kwaliteit heeft men!

Dat hele domein zag er ongeveer zo uit:

Een landgoed van een 1,5 bij 1,5 kilometer. Links zie je allemaal weggetjes en daar is de hoofdingang.

Iedereen blij, tot het nieuws kwam dat de boel weer verkocht was aan een man uit Scandinavië. En waarom? Het schijnt dat de heren Clooney en Pitt ruzie hadden gekregen en dat Clooney daarom afzag van zich vestigen in de Var. Op het terras van Le Bar Central werd er zwaar tussen de lippen uitgeademd en volop bof gezegd. Het was nu eenmaal zo.

Maar nu het goede nieuws!

Dit jaar, 2021, zijn George en Amal gesignaleerd bij de Maire van Brignoles! En wat blijkt, ze hebben een domain gekocht onder de rook van Brignoles, tegen Vins-sur-Caramy aan. Het lig op zo’n 11 kilometer van het eerdere domein, en het is dus niet meer bij ons om de hoek. Tant pis pour nous.

Geen slechte keuze overigens. Het is een oud wijndomein met alles erop en eraan. Een groot huis, zwembad, tennisbaan en wijnvelden! Zijn eigen wijn! De pers stond er vol mee.

Voorlopig wonen zij er nog niet. Moet nog een en ander aan gebeuren denk ik zo. Wat handig is voor hen, is dat het totaal afgesloten is van de buitenwereld. Niets te zien en niets te horen. Waarschijnlijk worden ze ingevlogen per heli vanaf Marignane en gaan ze lunchen met hetzelfde vervoermiddel bij Château de Berne of Bruno. Kun je namelijk landen met zo’n ding.

Nu ziet de ingang er zo uit:

Deze foto heb ik zelf genomen, want ja, mijn vrouw wilde wel even langsrijden om te zien waar George komt te wonen. Zo gaat dat in het leven.

We wachten af. Ik verheug me op een petit blanc met de beste man. Beetje bijpraten over het leven en de impact van beroemd zijn.

Jongensdromen waarmaken tot je dood.

In ‘Uitgenodigd’ van Simone de Beauvoir zegt Gerbert: ‘Wanneer ik later rijk ben en op mezelf woon wil ik altijd een fles Vat 69 in mijn kast hebben staan’. (Uitgenodigd, p.11) Nu is dat niet echt de beste whisky, maar toen ik het las snapte ik het direct. Er zijn in het leven dingen waarop je moet wachten. Gewoon vanwege geldgebrek of de mogelijkheid die zich nog niet voordoet. Ik heb ooit besloten alles waarover ik als jongen droomde later in mijn leven zou realiseren. Niet alles is gelukt, zal ik maar zeggen.

Maar een paar wel.

Het zal geweest zijn toen ik een jaar of 13 was. Mijn ouders hadden een caravan in Duitsland, net over de grens bij Elten. De camping lag naast een klein riviertje waar we in de zomer in zwommen. Die Tiefe Wild heet dat riviertje. Er stonden vooral Duitsers en een ervan kwam op een dag langs met goed nieuws: hij had voor mij een helm!

Toen ik jong was had ik altijd iets op mijn hoofd. Een cowboyhoed, een oorlogspetje en soms een Engelse helm. Dat had hij gezien en nu kwam hij me vertellen dat hij iets had dat ik enorm graag wilde hebben: een Duitse Stahlhelm.

Dat zit zo. Mijn vader had in de oorlog in een kamp gezeten en de oorlog en Duitsland waren bij ons thuis moeilijke onderwerpen. En als je vader iets zo moeilijk vindt moet het wel heel belangrijk zijn. De oorlog was voor mij dus heel intrigerend. Vandaar de Engelse helm. Thuis had ik nog een Nederlandse helm waar mijn vader ooit mee thuiskwam. Een Duitse helm, de helm van de vijand, was een van mijn grote wensen.

De man op de camping had hem niet bij zich dus moest ik een week wachten. Dat wilde ik wel.

Een week later vertelde hij me dat hij de helm aan een ander had gegeven. Ik verbeet mijn teleurstelling maar allemachtig wat was ik verdrietig.

Die jongensdroom heb ik later gewoon waargemaakt. Ik heb veel later in Krefeld een M42 Stahlhelm gekocht bij een legerdump. Speciaal ervoor naar Krefeld gereden.

Het was ook de leeftijd dat ik Mulisch ontdekte. Niet zo gek. Als je gegrepen bent door WW2 dan lees je Het Stenen Bruidsbed en De Zaak 40/61. Dat deed ik dan ook en al snel las ik alles van Mulisch. Nu nog steeds kijk ik op internet of ik ergens iets van hem vind wat ik nog niet heb. Kleine uitgaven, eerste drukken et cetera.
Wat ik op enig moment ook wilde is een handtekening van Mulisch, een gesigneerde uitgave. Ik heb daar best lang over gedaan om die te vinden. Het was natuurlijk allemaal in het pre-internet tijdperk dus liep ik allerlei antiquariaten af. En uiteindelijk vond ik een gesigneerd exemplaar. Het mooie is dat ik er toen ook geld voor had. Ik begon op mijn negentiende te werken en dus kon ik me een en ander veroorloven.

In diezelfde tijd leerde ik Gerrit Achterberg kennen. Achterberg, de grootste dichter ooit. Ik las wat van hem en sprak er thuis over. Wat bleek, mijn moeder kende hem. Zij werkte in Utrecht in de Choorstraat bij Stad Solingen, een winkel voor messen, bestek enzovoort. Mijn moeder vond het een vreemde man die ook vreemd gedrag vertoonde. Ik ging steeds meer van hem lezen en kocht het verzameld werk. In een soort koortsaanval las ik door en door. Achterberg schrijft zo dat je niet leest over een verloren liefde maar een verloren liefde voelt. Dit was echt prachtig. En hoe dichtbij kun je komen dan? Ik ging naar de Boomstraat waar hij zin hospita had vermoord op 15 december 1937. Ik fietste naar Langbroek. En ik wilde zijn handtekening. Die hijzelf had neergeschreven. Dichterbij kon niet. Hetzelfde verhaal: geen geld en ik kwam ook niets tegen op de markt.
Jaren later heeft mijn vrouw een gesigneerd exemplaar voor mij op de kop getikt en gegeven voor mijn verjaardag. Blij als een baby was en ben ik ermee.

Ik kan hier nog veel aan toevoegen. Plekken die ik heb bezocht, een route door de Elzas om Sartre in 1939 te volgen. Allemaal dingen die ik deed en doe om dromen uit mijn jeugd om te zetten in tastbare voorwerpen of echte ervaringen. Ik zal daar nooit mee stoppen. Ik zal altijd, iedere dag in de spiegel kijken en die jongen zien in mijn ogen. Onhaalbare dingen haalbaar maken. Mijn lijst is er nog en ik moet nog het een en ander doen en regelen.

Het gekke is dat er in de loop der jaren dingen bij zijn gekomen die ik wens. Zoals een Mustang GT500 Shelby. Al die dingen laat ik een wens zijn. Ik vind dat prima om het allemaal niet te hebben en over te kunnen dromen. De gaten uit mijn jeugd daarentegen zal ik blijven opvullen. Die gaan dieper. Daar zit niet gewoon hebzucht, consumentisme of status achter, daar zit iedere keer een relevant betekenisvol verhaal achter. Het zijn dingen die mijn eigen verhaal rond maken.

Daar streef ik naar: een rond leven dat nooit perfect rond zal blijken te zijn.