Het Geheim van Chartres (*)

Het is zo’n stad waar je niet toevallig langskomt, zoals Lille of Nancy. Je moet er wat moeite voor doen en dat deden wij dan vorige zomer ook. We gingen naar Chartres! En dan door naar Carcassonne en uiteindelijk naar ons huis in Carcès.

“Chartres?”  vroeg mijn gezin, “wat is daar nou te doen?”

Genoeg, en daarin zal ik jullie meenemen.

Van de Middeleeuwen naar de rivier

Je weet alleen maar van Chartres door de borden langs de weg. Maar bij het inrijden van de stad zie je direct de kathedraal. Prachtig in de zon. Dominant. Mijn reden om te gaan overigens.

We reden naar ons hotel tegenover het station, checkten in en gingen direct de stad in. Ik had iedereen al voorbereid dat het niet groots en meeslepend zou zijn. Wel mooi en interessant.

Zo bleek ook. 

De sfeer in de stad is heel relaxt, en naarmate je meer naar het centrum loopt, ben je een bezig met een tijdreis. Je loopt de Middeleeuwen in. Het centrum is niet groot, maar gewoon heel mooi en lekker. Pleinen en pleintjes met terrassen en (naar later bleek) goede restaurants. 

Wat het leuke van de stad is, is dat je de buurt rond de kathedraal hebt, de ‘bovenstad’, en een ‘benedenstad’. De bovenstad is echt druk, vol moet toeristen. Er is ook het meest te beleven. Op het grote plein zijn terrassen en restaurants waar je als toerist prima kunt eten. Niet top, maar gewoon ok. Blijf daar niet en ga via de Rue des Changes naar de Place Billard met de markthal (uit 1899, een prachtig bouwwerk). Daar vind je betere restaurants en terrassen. Die markthal is sowieso een bezoekje waard. Vooral op woensdag en zaterdag, als er etenswaar en veel streekproducten worden aangeboden. Toen wij er waren was er op zondag ook een brocante-markt. Erg leuk. Een boekje gekocht (Sartre in Chartres) en een mes.

Vervolgens zijn we richting rivier, de Eure, gelopen, de benedenstad in. Dat was een verademing. Wat een stilte en wat een rust. Hier geen toerist te bekennen. Nou ja, op ons na dan. We kwamen uit bij de église Saint-Pierre. Een kerk uit de twaalfde eeuw. Prachtig. Van buiten, en van binnen maakt die een wat beschimmelde indruk. Hier voel en ruik je de eeuwen. Geen opsmuk, gewoon hoe het is. Mijn aanrader is dan ook: ga de benedenstad in en laat je verrassen door mooie huizen (vakwerk, muurschilderingen) en een kerk als deze. Wandel richting de Eure.

Chartres en de oorlogen van Frankrijk

We liepen terug naar ons hotel langs een mooi monument: een gebeeldhouwde hand met daarin een afgebroken zwaard. Een gedenkplaats voor de verzetsstrijder Jean Moulin (1899-1943), die je in Chartres overal tegenkomt. Ook als muurschildering in de Rue du Cheval Blanc bijvoorbeeld. Het hele monument is ter nagedachtenis van alle Fransen die gesneuveld zijn in de grote oorlogen. Het is een indrukwekkende wandeling langs deze Chemin de Mémoire.

Die avond hebben we gegeten bij een tentje op de andere hoek van ons hotel. Een klein tentje waar met plezier en veel liefde wordt gekookt. Alles klopte, alles was lekker en in Frankrijk op een hoek in de drukte buiten eten aan een klein tafeltje is toch altijd een hoogtepunt.

De kathedraal

Vertellen over Chartres en dan niet ingaan op de kathedraal? Dat is niet mogelijk. Gespaard in WO2 staat hij prominent in de stad. De twee ongelijke torens maken hem uniek. Het plein eromheen biedt veel ruimte om vanuit iedere hoek te genieten van de schoonheid. Het is een van de hoofdkathedralen van Frankrijk.

Maar zoals het met alles is: het ongeïnformeerde oog ziet niet zo heel veel. Mijn vrouw en zonen zagen dus ‘gewoon’ weer een kerk. Tot ik ze het geheim van Chartres vertelde.

Maar eerst even alles wat niet geheim is. De Cathédrale Notre-Dame de Chartres is rond 1200 gebouwd, en is een van de mooiste kathedralen die ik ken. Als je geluk hebt er op een zonnige dag te zijn dan valt direct bij binnenkomst het prachtige licht op. Bouwers wilden de pracht en praal van de Stad Gods verbeelden met het licht door de ramen. Dat is hier goed gelukt. Prachtig blauw. Wat ook mooi is, is het labyrint op de grond. Ik weet nog dat ik er voor het eerst was en me te pletter zocht en toen erachter kwam dat ik erop stond. Het is groot en er staan eigenlijk altijd stoelen. Het idee ervan is mooi: als pelgrim loop je het af tot het midden om daar te genieten van de kerk. Maar goed: nu staan er vooral stoelen op. 

Het is, kortom, een prachtige kerk. De moeite van het omrijden waard. Maar er is meer.

Het geheim van de kathedraal

Eerst een beetje terug in de tijd, naar het Oude Testament, Exodus 25:10. Daarin staat beschreven, inclusief maten en materiaal, dat er een Ark, een kist is gemaakt om de Tafelen met de Tien Geboden in te bewaren. Met die tekst in de hand kun je de ark nu gewoon nabouwen. Met die ark is iets vreemds: hij is verdwenen. Historisch gezien is het heel plausibel dat hij ook echt heeft bestaan. Hij wordt vaak genoemd, ook buiten de Bijbel. Uiteindelijk komt hij bij Salomo uit, in de Tempel. Vanaf dat moment ontbreekt ieder spoor. En je moet je voorstellen dat dit naast de kelk waaruit Jezus dronk een heel belangrijk item is in het Christendom. Maar waar is de Ark gebleven?

Chartres vertelt ons meer over dit geheim.

Maar eerst natuurlijk de vraag: als iets geheim is, hoe weet ik er dan van? Die vraag stelde mijn gezin natuurlijk direct.

Mysterieuze aanwijzingen

In 1993 kocht ik een boek van een meneer Charpentier: Les Mystères de la Cathédrale de Chartres. Het opent met een van de mooie dingen in de kathedraal, namelijk een rechthoekige steen waarop op 21 juni precies om 12.00 uur een zonnestraal valt. Door een klein gaatje in een van de ramen. De schrijver gaat er nog even over door. In hetzelfde boek komt hij met een ander opmerkelijk gegeven. In een van de pilaren van de kathedraal vind je een aanwijzing voor wat er met de Ark is gebeurd. Hij is vervoerd op een kar. In 1992 verscheen een boek van Graham Hancock, The Sign and the Seal, waarin hij voortborduurde op het mysterie. En hij was nog veel stellender.

De theorie is de volgende: de Tempeliers, op kruistocht, hebben ergens in de twaalfde eeuw opgravingen gedaan op de Tempelberg. En bij die opgravingen hebben ze geheime documenten gevonden, niet de Ark zelf, waarin beschreven is waar de Ark gebleven is. 

De Ark is vanuit Jeruzalem vervoerd, veiliggesteld, en in handen gekomen van Sheba, koningin van Ethiopië. En daar is de ark nog steeds. Er is inderdaad een kerk in Ethiopië die claimt dat de Ark daar is. Bewaakt door een man die zijn hele leven voor het gebouw moet zitten ter beveiliging. Als hij sterft wordt een ander aangewezen. 

Maar welke aanwijzingen vinden we dan in Chartres?

Mijn gezin had begon me een beetje zat te worden, tot ik hen meenam naar de noordelijke portaal van de kathedraal. Ik moest ook zoeken, maar daar was het!

Het Bewijs van de Ark

Daar, in een pilaar gebeeldhouwd, zie je wielen, een kar, mensen die een doos bedekken met kleden, en je ziet duidelijk een tekst: ARCHE CEDERIS, HIC AMIGATURE. Volgens beide schrijvers staat daar: hier wordt de Ark vervoerd/veiliggesteld. Er is meer.  In hetzelfde portaal staat, tussen allemaal mannen, een beeld van koningin Sheba. Tel de boel bij elkaar op en je hebt een sluitend verhaal. Ik weet nog dat er in de jaren 90 een café was met de naam La Reine de Shebá. Dat maakte het nog mooier. Nu verdwenen.

De theorie is dat de Tempeliers deze geheime boodschap hebben achtergelaten, voor het nageslacht zodat men wist waar de Ark was en hoe die was vervoerd. Op een kar, bedekt, naar het zuiden, de hoorn van Afrika in. Vandaar de tekst én de pilaar met Sheba. 

Dan denk je ‘nu zijn we wel klaar’, maar nee. Er is nog een theorie: Hugo van Payns (Eerste Grootmeester der Tempeliers) heeft de Ark op een kar vervoerd naar Schotland waar deze nog steeds is.

Beide theorieën zijn nooit bewezen. Op geen enkele manier. Maar is dat belangrijk? Nee.

Chartres als tijdmachine

Wat is wel belangrijk? Voor mij, dat Chartres niet alleen een lekkere stad is, maar een soort tijdmachine. Loop rond met de verwondering van een kind, lees over Chartres en zie meer dan je denkt dat je ziet. Let op details, vraag je af wát je nou precies ziet, verwonder je. Ik denk dat geen gezin zo intensief de noordportaal heeft bekeken. 

Tevreden zijn we ’s avonds lekker wezen eten bij de markthal. Chartres is een verbinding tussen de Middeleeuwen, alle oorlogen en nu. Je bent er onderdeel van. Doe dus moeite, ga ernaartoe, lees erover en geniet. Een week zou ik te lang vinden, maar drie dagen is top. 

En zoals men zegt: als het niet waar is, dan is het wel mooi bedacht.

Carnet de voyage

Hotel: Hotel Jehan de Bauce, 1 Place Pierre Semard, 28000 Chartres

Eten:

Tomate et Piment, 1Avenue Jehan de Bauce, 28000 Chartres 

Le Café Serpente, 2 Cloître Notre Dame, 28000 Chartres

Le Cathédrale Gourmand, 37 rue des Changes, 28000 Chartres 

Zien:

Cathédrale Notre-Dame de Chartres, 16 Cloître Notre Dame, 28000 Chartres

Église Saint-Pierre, 6 Rue Pétion, 28000 Chartres

Le Chemin de Mémoire, Esplanade de la Résistance, 28000 Chartres

Marche aux Legumes, Place Billard

Lezen:

Louis Charpentier, Les Mystères de la Cathédrale de Chartres, 1966, Robert Laffont 

Graham Hancock, The Sign and the Seal, 1992, William Heinemann ltd, London

Klaas van Urk, Zoektocht naar de Heilige Graal & de Ark van het Verbond, 2004, Uitgeverij Elmar

Dan Jones, De Tempeliers, 2017, Uitgeverij Omniboek

(*) ook gepubliceerd in En Route, zomernummer 2026

Sartre in Zeist

Bestaat toeval? Een goede vraag in dit verband. Was het toeval dat ik op een van de vele socials de aankondiging tegenkwam van een lezing over mijn favoriete filosoof door een van de bekendste Nederlandse filosofen? Het zou kunnen. 

Het zou ook kunnen dat een algoritme had opgepikt dat ik tot de doelgroep behoor van de organiserende partij: de Algemene Seniorenvereniging Zeist, de ASZ. En hoezeer ik ook weiger me over te geven aan het beeld dat aan mijn biologische leeftijd kleeft, ik ben wel senior (dat schijn je al te zijn vanaf vijftig, volgens de website van ASZ).

Afijn: direct een kaartje besteld natuurlijk en op naar het Torenlaan Theater. Ger Groot die een inleiding geeft over Sartre laat ik niet aan me voorbijgaan. 

Ik was al eerder in het Torenlaan Theater geweest overigens. Bij een musical van een van de zonen, bij een toneelstuk en bij een lezing over Heidegger.

Het was druk. Op straat stonden fietsen dubbel geparkeerd en binnen was het vol. En ja, vooral senioren. Mannen, vrouwen, stellen, mensen alleen (ik bijvoorbeeld). Het was gezellig. Er werd koffie en theegedronken, geroezemoes, de inleider stond wat verloren half op het toneel te prutsen met zijn microfoon en toen begonnen we. Een mevrouw deed een korte inleiding, vroeg om het stilzetten van de mobieltjes en daar gingen we. Sartre in Zeist.

De aanleiding voor de lezing was een nieuwe vertaling door Groot van een van de bekendste werken van Sartre: Existentialisme is Humanisme, uit 1945. Ik had het gelezen toen ik rond de zeventien was en het sloeg bij mij in als een bom. De mens is geworpen tot vrijheid, want alles wat je doet doe jij, jij maakt altijd een keuze. En je kunt je nergens achter verschuilen. Niet achter je jeugd, je karakter, je geloof, nergens. Dat inzicht is bevrijdend. En daarmee zo stellig dat de zaal geboeid zat te luisteren.

Groot gaf een leuke lezing. Met beeldmateriaal, filmfragmenten en muziek uit de jaren ‘50 en ‘60. Zo bracht hij het geschrevene in relatie tot die tijd: Europa in puin, de mens moest opnieuw worden uitgevonden en Sartre predikte vrijheid tegen wil en dank na een periode van onderdrukking.

Een aantal van de aanwezigen moest mei 1968 bewust hebben meegemaakt, bedacht ik. Ik was toen acht jaar en ik weet er niets van. Ik was zeker niet de oudste, dus moesten mensen ook beelden hebben, geluiden, emoties uit die tijd. Een tijd zonder socials, een tijd waarin de jeugd de toekomst had. Die jeugd van toen zat nu, sommigen wat dommelend, te luisteren naar een filosoof die toentertijd veertien jaar oud was. We waren inderdaad onder senioren. En naast de dommelenden, twee dames verder naast mij was een dame inderdaad in slaap gevallen, waren er heel veel krasse knarren. Levendig, oplettend, alert. De sfeer was top, er werd gelachen, er waren geluiden van herkenning en afkeur (en dan over de opvattingen van Sartre). Tussen Groot en de zaal was duidelijk een klik. Dat was mooi, want het had net zo goed gewoon een uitje kunnen zijn. Dat was het niet.

Aan het eind van de lezing was er ruimte voor vragen. De eerste vraag ging over het feit dat Sartre ooit het communisme had gesteund en hoe hij daar mee was weggekomen. Groot plaatste ook dat in de tijd van toen, gaf niet zijn mening (die er ook niet toe doet) maar de morele verontwaardiging ging niet weg. Ik wel. Ik zat strategisch aan de zijkant en kon ongemerkt verdwijnen.

Ik stond buiten, de zon scheen, de lucht was fris en ik wist dat ik ten diepste vrij was. Het was mijn leven, het waren mijn keuzes en dat niet alleen: dat gold voor alle mensen binnen evenzeer. Of zij dat zo ervoeren wist ik niet.

Het is echt mooi dat de ASZ dit organiseert. Een cadeautje op gewoon een donderdagmiddag waar ik heel dankbaar voor ben. Zeker voor herhaling vatbaar. Kom maar op met die filosofen. Op Bluesky heb ik Groot bedankt voor zijn toplezing.

Ook gepubliceerd in Zeistermagazine: Sartre in Zeist

Hoe open je een rekening in Frankrijk?

Het moest nu toch echt: een eigen rekening in Frankrijk. Tenslotte moeten al die lasten ook ergens kunnen worden afgeschreven. Gelukkig zitten we niet eens in de duurste gemeente. En dus besloten we de stap te zetten. Het leek zo simpel: een rekening openen in je eigen dorpje in de mooie Var.

Anders dan in Nederland, is hier nog gewoon een bankfiliaal met echte mensen. Er is ook een guichet en dat is laatst nog helemaal vernieuwd. Heeft even geduurd maar het ziet er weer spic en span uit. Nog steeds met de ochtendzon op het scherm, dus heb je geen idee wat je aan het doen bent.

We liepen naar binnen en wilden graag iemand spreken. Dat ging niet want we hadden geen afspraak. Zeker, er liepen voldoende mensen rond, maar we hadden met geen ervan een afspraak. Niet getreurd, eenmaal terug in Nederland belden we en vervolgens liep alles zeer simpel. Een aardige mevrouw, Julie, belde terug en de afspraak was een feit. In een mail kregen we te horen wanneer we konden komen en wat we bij ons moesten hebben.

Geen probleem. In de week voorafgaand aan onze afspraak had ik alle benodigde documenten gemaild. Echt álle documenten. Uit de krochten van de cloud en kasten tevoorschijn getoverd. Van de laatste belastingaangifte tot aan het trouwboekje. Alles was er. Nu alleen nog een rekening openen, dachten we.

Op de dag van de afspraak wandelden we naar ons dorp, we waren te vroeg dus dronken we nog koffie op het terras van Bar Le Central. Om tien uur stipt liepen we naar binnen. En ja hoor, daar was Julie. Ze sprak redelijk snel Frans en voor alle technische zaken ook een soort Franglais. Dat bleek erg handig te zijn. Want waar wij nog dachten dat we in een half uurtje klaar zouden zijn, was het uiteindelijk een tikkie anders.

Stuk voor stuk moesten alle documenten nog worden verwerkt, dossiers werden aangemaakt, besluiten werden genomen over welke info waar moest komen, het systeem zei non, de printer deed het even niet, enzovoort. En dat met veel ‘bof’, ‘bah’, getuite lippen, opgetrokken wenkbrauwen en gezucht. Julie liet zich niet uit het veld slaan en wij zaten braaf voor haar bureau. Geen kopje koffie of zo, gewoon braaf wachtend.

Een uur en drie kwartier later, het was inmiddels kwart voor twaalf, liepen we weer naar buiten met een grote witte map onder de arm. En een eigen rekening. Dit had ik veertig jaar geleden niet kunnen dromen. Wonend in Parijs zonder een sou, in een oud woonhotel. Hier liep ik, het mannetje met een eigen bankrekening.

Overigens maakte ik voor we de deur uitliepen, nog even snel een foto van de beruchte cheque die in dit land nog gewoon wordt gebruikt. Die middag rekende een mevrouw in Les Mousquetaires af met zo’n cheque. Dat duurt dan een minuut of vijf voor er betaald is. Ter identificatie toverde ze een ouderwetse permis de conduire tevoorschijn, zo’n roze in drieën gevouwen papiertje. De jaren 80 belden even aan.

Frankrijk heeft nog niet helemaal de aansluiting gevonden bij een door internet gedomineerd wereld. Altijd weer blijken er restanten te zijn van de wereld die was. Niks mis mee, je moet er alleen weer even aan wennen en dan is het goed. Onthaasting is hier verplicht. Beter voor je hart ook. Zelfs wachten in een bankfiliaal is dan een klein ritueel.

Nu de rekening nog vullen.

En de oorlog blijft

Ik zei gisteren nog tegen mijn vrouw dat ik de laatste jaren minder last heb van 4 mei. Aanzienlijk minder. Geen k-dagen meer, geen onrust, geen melancholie, niets. Gewoon leven.

Toen wist ik nog niet wat ik nu weet: de uitvoering De Jodenverraadsters van Theatergroep Troost bracht me weer met beide benen in het heden als extensie van mijn verleden.

Een prachtig, dramatisch verhaal over twee Amsterdamse vrouwen die Joden verraden om zelf in leven te blijven en ook nog een centje te verdienen. Feitelijk een waar verhaal. Goed uitgevoerd, met mooie karakters en goed gespeeld.

Een van de Joden, Barend, komt na de oorlog weer terug in Amsterdam. Iedereen is dood. Hij verzucht ‘na het kamp maakt niets mij meer uit’, of woorden van die strekking. Ik weet het niet meer precies.

Een bom ging af in mijn hoofd en hart en ik was terug bij mijn vader. De vierde mei blijft opnieuw verschrikkelijk.

De mens is tot vrijheid veroordeeld

Tja, ik moet toegeven, ook ik ben senior. Ik word ouder en ouder. Dat is goed want het alternatief is slecht. Er niet meer zijn. De paradox is natuurlijk dat ik nooit dood kan zijn, zoals ik bijvoorbeeld moe ben, vrolijk ben, chagrijnig ben. Ik zal nooit kunnen zeggen ‘ik ben dood’.

Maar wat ben ik dan nu? Op dit moment? Hier achter mijn bureau in Zeist met uitzicht op het groen rondom mijn huis?

Daarover ging de voordracht van Ger Groot in het Torenlaantheater afgelopen week. Weer een bijeenkomst van de Algemene Seniorenvereniging Zeist. Eerder al eens een voordracht gehad over Heidegger en dan nu mijn meest favoriete filosoof: Jean-Paul Sartre.

Groot heeft een lezing van Sartre, l’Existentialisme est un Humanisme, uit 1945 opnieuw vertaald en precies die lezing was het onderwerp van de middag.

De zaal zat vol. Met senioren. De voordracht was én informatief én onderhoudend. Filmfragmenten uit de jaren 50, muziek, en veel inhoud. Groot is een echte verteller.

En wat mij opnieuw raakte was het gevoel dat ik had toen ik voor het eerst iets van Sartre las: verhip, zo is het! De mens is vrij, kan zich nergens achter verschuilen en is verantwoordelijk voor alles wat hij doet of nalaat. Je kunt je niet verschuilen achter de wet, God of je karakter. Al dat is je eigen bouwwerk. Jij bent tot vrijheid gedoemd en dat maakt het leven lastig. En open!

Nu, bijna 50 jaar na mijn eerste ervaring met Sartre, is dat nog steeds springlevend in mij en de manier waarop ik naar mensen kijk. En ach, beiden zijn wij milder geworden. Sartre al in de jaren 60 met zijn ‘Critique de la Raison Dialectique‘ waarin hij schrijft over mensen die samen voor iets kunnen strijden. Niet als eenling tegenover elkaar, maar als groepslid met elkaar. In mijn leven is Levinas erbij gekomen, voor wie het Gelaat van de Ander een beroep is op mijn moraal en humaniteit. Ik ben ook zachter geworden. Maar vooral uit pragmatisme, want we hebben elkaar nodig in dit leven.

Grond bij mij blijft dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn daden. Zo keek ik en zo kijk ik naar mensen en mezelf. Voor mij maakt dat mensen groot, belangrijk en kwetsbaar. Die houding is heel krachtig. Zoals Marx al 100 jaar voor Sartre schreef: de mens bouwt zijn eigen leven en maakt gebruikt van de bouwstenen die er al zijn. Ik denk in het Nederlands, ik maak gebruik van alles wat voorhanden is, mijn familie en afkomst zijn mij gegeven, de universiteit waar ik studeerde bestond al, alle infrastructuur en cultuur waren al aanwezig. Alles. Maar mijn handelen is mijn handelen. Ik kan nooit zeggen ‘dat komt door mijn opvoeding’ of iets dergelijks. Ik kies er zelf voor mijn opvoeding een rol te laten spelen in mijn leven en toekomst. Ík doe dat. Verder niemand voor mij.

Dat geldt voor ieder van ons. Vanuit die vrijheid kunnen we zinvol met elkaar leven. Zonder uitvluchten of excuses. Open, zoals we zelf kiezen in wie we willen zijn.

Die voordrachten zijn zinvol en leuk. Ik blijf komen en blijf verrast worden. Deze senior kan tevreden terugkijken op een mooie donderdagmiddag.

Kerkgangers

Ongeveer kwart voor drie kwam ik aan bij Sint Josephkerk in de Rozenstraat. Het was Goede Vrijdag en ieder jaar ga ik dan naar de Kruisweg. Lopend.

Ik ging naar binnen via de Mariakapel, veel mensen waren er nog niet. Het koor zat op de vaste plek, de pianist was er en verder ongeveer tien anderen. Je kunt kiezen waar je gaat zitten, op een fijne stoel of op een harde rechte bank. Ik kies altijd voor het laatste want het is de kerk hè, daar moet je voelen dat je er bent. 

Vlak voor drie uur kwamen er nog wat mensen binnen, hoorde ik. Geen idee hoeveel en van welke leeftijd. Kerkgang voor Rooms-Katholieken is een afnemende gewoonte. Ik ben gewend met enkelen aanwezig te zijn, behalve op Kerstnacht. Dan is het vol.

Om drie uur sluiten de deuren en is de wereld en het wereldse buitengesloten. Dat doet een kerk sowieso: je buiten het gewone leven brengen. Hoeveel mensen gaan in het buitenland een kerk in en branden een kaarsje?

Goede Vrijdag is bijzonder. Indrukwekkend ook altijd. Ingetogen, de veertien Staties worden verhaald en er heerst een plechtige sfeer. Je bent met elkaar maar vooral ben je met jezelf. Voor wie zit je hier? Wie gedenk je? Aan wie denk je? Het is drie kwartier duiken in je geest en je ziel. De ontroering als Bach wordt gezongen: O, hoofd vol bloed en wonden. 

Dit jaar liet een van de misdienaren het kruis vallen, bij statie negen: Jezus valt voor de derde maal. Symbolischer kon bijna niet. Het geluid van een vallend metalen kruis in een stille kerk is oorverdovend. Iedereen verstijfde even en bleef stil. Het werd opgelost en we gingen verder. 

De aanwezigen krijgen de mogelijkheid een kaarsje te ontsteken bij het altaar. Pas toen viel mij op hoe druk het was. En dat alle leeftijden aanwezig waren. Anders dan voorgaande jaren.

Het is de cadans die het mooi maakt: lezen, zingen, bidden, lezen, zingen, bidden en dat veertien keer. Wat ik ervaar is rust. Geen mobiel (vliegtuigstand), gedachten die tot rust komen, niet aan je werk denken, wel aan dierbaren denken, herhaling van de symboliek, waardoor iedere vluchtigheid verdwijnt. 

En toen was het voorbij.

Om kwart voor vier liepen we naar buiten. Het licht overviel me. Kinderen speelden op straat, een man op een fiets kwam voorbij, zingend. Ik was weer in de wereld.

Ook geplaatst in https://www.zeistermagazine.nl/kerkgangers

De burgemeester is dood, leve de burgemeester

Afgelopen zondag was de tweede ronde in de verkiezingen voor een nieuwe burgemeester, dat wil zeggen: als er een tweede ronde nodig was. En dat was zo in Carcès (Var).

Alain Ravanello was burgemeester én de juwelier van het dorp. De laatste jaren ging ik in de zomer, rond mijn verjaardag, altijd even langs om te kijken welke nieuwe Lip-horloges hij weer had liggen. Lip is een oud Frans merk horloge, wordt gemaakt in Besançon en is bezig met een revival. In Nederland nauwelijks bekend. De Gaulle had er een en hij heeft er een cadeau gegeven aan Churchill. Het zijn goede en soms mooie horloges voor een zeer schappelijke prijs.

Zo heb ik hem leren kennen en zo raakten we ook altijd aan de praat over Carcès.

Een arm dorp in een arme streek. We hebben wel een regionale functie met een grote middelbare school waar de hele omgeving de jeugd naar toestuurt. En de markt op zaterdag trekt veel volk. Geen toeristen buiten het seizoen, maar lokale bewoners ook uit de omgeving van Carcès.

Het contrast met dorpen eromheen is groot.

Cotignac

Een dorp met minder inwoners maar met een levendigheid die enorm is. De markt op dinsdag is altijd druk en in het seizoen zo druk dat we wegblijven. Heel veel toeristen die op de markt maar ook op de schoonheid van het dorp afkomen. Want schoonheid is er. Er is een cours met terrassen en café’s, een is een mooi straatje naar het mooie plein bij het Hôtel de Ville. Er is in de loop der jaren veel bijgekomen: hotels, restaurants van heel eenvoudig pizza tot aan haute cuisine. ’s Avonds is het verlicht en het is dan een feest er gewoon rond te lopen.

Lorgues

Niet ons favoriete dorp maar wel een dorp dat veel te biedt. Een grote markt door het hele dorp heen, veel terrassen en restaurants en veel leven. Althans, in het seizoen. Daarbuiten is er niet veel te beleven. Afgelopen maand gingen we uit eten en er hing een arme sfeer. In de avond buiten seizoen is het uitgestorven. Veel Engelsen en Nederlanders in de zomer.

Entrecasteaux

Ja, heel erg klein maar prachtig natuurlijk. Uitzicht op het kasteel, een weg met wat café’s en een echt Provençaalse sfeer uit de boeken van Peter Mayle.

Carcès

En dan ons dorp. Het doet wat het moet doen. Er zijn wat café’s, twee bakkers, een supermarktje, een halal slager, een soort van groenteboer, wat restaurants en natuurlijk een grote pharmacie. Maar verder ontbreekt het aan verbeeldingskracht. Je zou zo veel meer kunnen met dit dorp. Het is heel oud en de Middeleeuwse stad is prachtig. Je moet hem wel vinden. Er zijn volop wijnboeren in de omgeving en de lokale coöperatie, Hameau, heeft het restaurant ernaast gekocht om een groot terras aan te leggen. Als we nou eens een of twee keer per jaar een grote foire aux vins zouden doen, inclusief een wijnroute die je kunt afleggen? Tijdens de campagne in het najaar een groot diner op de Place Respélido? In het seizoen wijn en streekgerechten proeven in het chateau?

Ik besprak het allemaal met de burgemeester. Een relatief jonge vent (vergeleken met mij) die dingen wil veranderen maar op een natuurlijk tempo. Een natuurlijk Frans tempo. Hij keek me aan en lachte. Ik wist, dit gaat nog wel even duren.

De verkiezingen

Het was niet eenvoudig: de eerste ronde was nek aan nek met zijn concurrent. Er moest dus een tweede ronde komen en die heeft hij gewonnen met bijna 47% van de stemmen. Hij mag dus weer. De burgemeester is dood, leve de burgemeester. Dat is mooi want zo krijgt het dorp ook wat continuïteit. Ik hoop dat in zijn plannen de ontwikkeling van Carcès een grote plaats krijgt. Iedereen zal ervan profiteren. Het zal nooit groots en meeslepend worden en dat hoeft ook niet, maar de stilstand die een langzame achteruitgang betekent tegengaan, zou wel mooi zijn. “Carcès en Avant”! Zo heet zijn lijst. Doen dus.

Waarom we moeten praten met elkaar

Praten is klanken uitstoten met als doel dat de ander mij hoort. Praten is je mening uiten met als doel dat de ander weet wat je ergens van vindt. Praten is afwachten dat de ander adem haalt zodat jij jouw mening kunt uiten. Praten is het vinden van een haakje in het verhaal van de ander om je eigen overtreffende-trapverhaal te vertellen.

Eigenlijk is dat allemaal geen praten. Althans, geen praten mét. Met een ander. Het is praten tegen een ander.

Praten kan en moet veel meer zijn, praten moet deel uitmaken van een gesprek.

Wat is een gesprek.

Als je de definitie van ‘gesprek’ opzoekt komt er iets uit als:

‘Een goed gesprek is een gelijkwaardige, open dialoog gericht op echt begrip, persoonlijke aandacht en verbinding, waarbij actief luisteren centraal staat zonder direct naar oplossingen te zoeken. Kenmerken zijn onder meer veiligheid, oprechte interesse, non-verbaal contact en de ruimte voor kwetsbaarheid en wederzijdse feedback.’

Er staat dus ‘een GOED gesprek’. En daarna komt er een hele uitleg die vooral gaat over interconnectiviteit, convivialiteit, verplaatsen in de ander, je goed voelen, veilig zijn, kwetsbaar zijn et cetera, enzovoort.

Dit herkenen we allemaal. Een lekker gesprek kennen we allemaal. Met vrienden eerst een beetje ouwehoeren, een wijntje erbij en dan komen misschien wel persoonlijke ontboezemingen. Omdat we ons geborgen voelen bij elkaar durven we dingen te zeggen die ons kwetsbaar maken. Gewoon om een keer je hart te luchten bijvoorbeeld, of te vertellen waarmee je omhoog zit. Persoonlijk of in je werk. Niet de diepte in maar gewoon even kunnen leeglopen. Zonder oordeel vanuit de ander.

Dat moeten we sowieso kunnen en doen.

Ik zou er nog een stap aan willen toevoegen: communicatief handelen.

We praten veel maar bereiken niets

Woorden zijn daden. Als ik op dit moment de tv aanzet, de radio, luister naar een politiek of maatschappelijk debat, dan hoor ik veel geluid, veel woorden. Mensen die tegen elkaar praten, wachten tot het moment dat de ander adem moet halen om er direct in te komen met de eigen mening, een jij-bak (Yeşilgös) of een verwijt. Het ergst zijn talkshows, praatshows. Daar mogen volstrekt ongeïnfomeerden, volstrekte nitwits, hun mening uiten over de aanvallen op Iran. Iedereen een mening. Iedereen praat. De deskundige van dienst wordt meestal het minst serieus genomen want de mening van de man in de straat telt meer. In de politiek geldt dat adagium ook: we moeten inclusief zijn en luisteren naar iedereen. En daar moeten we dan vervolgens wat mee doen. Dat is vreemd op zich. Als ik een kast wil maken luister ik ook niet naar iedereen. Ik luister dan vooral naar mensen die het al vaak hebben gedaan en er beter in zijn dan ik. Maar wij zijn eraan gewend geraakt dat iedere mening telt.

We luisteren naar iedereen en bereiken er niets mee.

Ik stel voor dat we stoppen met deze geestelijke luiheid. Het klinkt heel aardig die inclusiviteit, maar het is extreem lui. Onverschillig bijna. Waarom zou ik luisteren naar een gemiddelde mening over een moeilijk onderwerp? Gewoon, om geen gezeik te krijgen. Omdat de persoon met een mening, maar zonder visie zeker heel lui is, maar tegenwoordig ook beschikt over een enorme megafoon: social. De versterkte grote mond.

Laten we het anders gaan doen

Ik stel voor dat we elkaar weer meer serieus gaan nemen. Zo serieus dat we elkaars uitspraken beoordelen op drie onderdelen: waarheid, juistheid en legitimiteit.

Ik heb dit niet zelf bedacht, maar daar kom ik zo wel op terug. Voor nu wil ik heel kort uitleggen wat ik ermee bedoel en wat het betekent. Maar ook waarom het nodig is, maar niet zo modieus.

Wat ik zou willen is dat als wijzelf of iemand anders een uitspraak doet, we ons altijd afvragen: is het feitelijk waar wat er wordt gezegd, is het normatief juist wat hij zegt, weet hij waar hij het over heeft, en als laatste pas, mag die ander dat zeggen, meent hij het oprecht, is hij waarachtig?

Neem de politiek, gewoon een debat in de Tweede Kamer. Daar mag iedereen zeggen wat hij of zij wil. Daar ben ik overigens juist daar niet op tegen. De reacties op overduidelijke nonsens (er is een Deep State die ons wil onderdrukken) zijn altijd moreel en persoonlijk. Moreel omdat er met afschuw wordt gereageerd en persoonlijk omdat de legitimiteit van de spreker in twijfel wordt getrokken. Als Wilders weer eens zijn bekende riedeltje afdraait (overigens steeds vermoeider) dan is er onverschilligheid, verontwaardiging en soms ook de vraag “en wat heeft u dan bereikt in het kabinet?” Meer niet.

Waarheid, juistheid, waarachtigheid

Wat altijd moet gebeuren is eerst een zoektocht naar de feitelijke waarheid. Wat bedoelt u, hoe komt u aan de cijfers, wat zijn die cijfers, hoe werkt immigratie door op woningnood, werkgelegenheid etc. Vragen, vragen vragen. Vervolgens vragen naar concreet beleid: wat stelt u voor, hoe gaan we dat doen, hoe zit het met wetgeving, wat kost dat beleid, welke keuzes maakt u. Kortom: stel de feiten vast en kijk of er feitelijk een grond is voor de uitspraken. Pas daarna kun je een moreel oordeel vellen of vaststellen uitgaande van de feiten die kloppen. Feiten die geen feiten zijn kun je vervolgens negeren in het debat.

Een gesprek gebaseerd op deze drie uitgangspunten is altijd noodzakelijk. Ook in mijn werkzame leven gebruik ik het, om uit te vissen wat er precies aan de hand is. Als een collega zegt dat het niet goed gaat, begin ik altijd met de feiten: waar verwijs je naar, waarom gaat het niet goed, waaraan relateer je die uitspraak et cetera. Daarna stap ik over naar de juistheid van de uitspraak en de waarachtigheid van die uitspraak. In het begin leverde dit best gekke gesprekken op maar inmiddels is dit steeds de riedel die we aflopen: wat zijn de feiten, wat vinden we ervan (welke betekenis geven we aan die feiten) en zijn wij in staat er iets aan te doen, te veranderen? Heel concreet: als ik stel dat het niet goed gaat en dat oordeel klopt, en uiteindelijk ben ik als eindverantwoordelijke de oorzaak daarvan, dan is mijn waarachtigheid pas hoog als ik opstap. Zo’n gesprek is dus nooit vrijblijvend, laat staan relaxed.

Zoals gezegd, ik heb dit niet zelf bedacht. De onlangs overleden filosoof Jürgen Habermas heeft in twee dikke boeken in de jaren 80 uitgewerkt wat hij ermee bedoelde. Het voert te ver nu om daar uitgebreid op in te gaan. Wat mij toentertijd trof was de manier waarop hij het ideale (maatschappelijke) debat ontleedde en vorm wilde geven. Met deze drie eisen dus. Pas dan kom je tot common ground, waarbij je het niet met elkaar eens hoef te worden maar waarmee je wel een fatsoenlijk gesprek kunt voeren.

Mijn wens is dat we leren op deze manier met elkaar te praten. In het begin voelt het wat gemaakt aan, alsof je een lijstje afwerkt. Dat verdwijnt. En als dat verdwijnt merk je dat gesprekken beter worden. Dat je minder uit elkaar ligt dan je dacht. Dat je meer begrip krijgt voor de standpunten van een ander. Meer begrip voor de betekenis die een ander geeft aan een feitelijke gebeurtenis. En nog veel belangrijker, je krijgt meer vat op jezelf en je gedrag.

Mijn droom is dat in politiek tot aan talkshows dit wordt doorgevoerd. Het zal zeker ten koste van de kijkcijfers en de politieke ratings gaan. Het bekt minder lekker, opeens blijkt dat veel mensen met een mond vol tanden komen te staan en het duurt langer. Communicatief handelen bestaat niet uit one liners en slimmigheden of jij-bakken. Voor iedereen komt de lat hoger te liggen. Zeker. Maar we nemen elkaar ook serieuzer.

Woorden zijn immers daden, en daden doen ertoe.

De onzin van lokale partijen

Ook bij mij in het dorp zijn er lokale partijen. Dicht bij de mens en men weet wat er leeft in Zeist. Sterker nog, men weet precies wat er leeft en wat dus het beleid moet worden.

Laat ik duidelijk zijn: grote onzin.

Wat is die onzin van lokale partijen?

  1. Alle politici op alle lijsten zijn lokaal. Allen weten wat er speelt in dezelfde mate als de politici van lokale partijen. In die zin zijn alle partijen lokaal;
  2. Politici van lokale partijen hebben geen enkele ingang in Den Haag, hoogstens op persoonlijk niveau. Er is geen connectie met de beleidsmakers in Den Haag. Noch ambtelijk, noch politiek;
  3. Ze kunnen niet terugvallen op gemeenschappelijke kennis, kunde en ervaring binnen een partij. Dat betekent dat zij iedere keer weer opnieuw het wiel moeten uitvinden. Dag gaat ten koste van de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Als onderdeel van een grotere partij kun je terugvallen op successen én fouten in andere gemeenten, provincies of landelijke fracties;
  4. Er is de suggestie van toegankelijkheid, direct bereikbaarheid. Maar dat geldt voor alle politici op gemeenteniveau: die zijn in gelijke mate bereikbaar. In kleine gemeenten directer dan in grote gemeenten, maar er is geen verschil tussen lokale partijen en landelijke partijen;
  5. Ze bestaan vaak uit goedwillende en goedbedoelende burgers die politiek erbij doen. Zeker vanuit de juiste intenties, maar zonder het vangnet van een landelijke organisatie.

U ziet, ik ben geen voorstander van lokale partijen. Ik vind het een teken van de tijd: absurde versplintering van stemmen en aandacht waardoor de slagkracht verdwijnt. Hoe komt een raad met een groot aantal partijen die allemaal een stokpaard hebben tot goede gedegen besluitvorming? Niet makkelijk.

Ga stemmen! Niet op een lokale partij wat mij betreft. Maar als dat de enige reden is om te stemmen, dan maar lokaal. Altijd nog veel beter dat niet stemmen.

Leren is gedoe, toch?

The post-Japan blues. Ik had er nog nooit van gehoord tot ik terug was uit Japan. Dat is nu een maand geleden en ik heb er nog steeds last van.

Natuurlijk, deze blog gaat over leren en daar kom ik zo ook echt op terug. Maar eerst even over die blues. Waarin uit die zich? Ja, heel kinderachtig, in een beetje wegdromen, de geluiden (die er veel zijn, vooral elektronische deuntjes) missen, de geuren missen, de winkels met kookgerei, de Izakaya’s. Kortom: alles missen en je afvragen waarom je niet gewoon teruggaat.

Dat hoeft namelijk niet eens. Ik heb chat gebruikt met de vraag hoe de blues te bestrijden en het antwoord was simpel: koop Japanse spullen en bezoek een Japanse winkel of tentoonstelling.

Ik heb iets anders besloten: ik leer Japans koken. Dat deed ik al af en toe, maar in Japan kwam ik erachter dat ik helemaal niet Japanse kookte maar meer iets tussen Korea en China in. Of zo.

En dus heb ik mijn kookboeken bij elkaar gezet in de keuken, er nog een stuk of vijf extra aangeschaft en sinds zes weken kook ik vrijwel iedere dag Japans. Ik leer iedere dag weer iets nieuws. Mijn gezin is er overigens al klaar mee.

Ik leer. Niet omdat het moet, maar omdat ik wil.

En het werkt. Mijn blues wordt minder. Naast kookboeken lees ik ook over Japanse filosofie, Japanse bedrijven (waarvan het oudste al bijna 1.450 jaar bestaat) en over de cultuur die én fantastisch én verstikkend is. Mijn mooie beeld wordt ingekleurd met feiten. Ik leer niet alleen steeds beter koken, ik leer ook meer realistisch te kijken naar Japan.

En ik moet zeggen,  zo leren is heerlijk. Een combinatie van gewoon doen (koken) en gewoon nadenken en lezen. Mijn leven wordt nog rijker dan het al was.

Maar als leren zo mooi is, waarom is het dan zo moeilijk?

In alle gesprekken met klanten blijkt grosso modo steeds weer dat bedrijven heel graag investeren in het leren door medewerkers, maar dat het zo moeilijk blijkt om die medewerkers aan het leren te krijgen. Eigenlijk werken een paar dingen goed: verplichte trainingen en opleidingen die ervoor zorgen dat je werkgarantie hebt. Omscholing en bijscholing.

Er is natuurlijk niets mis met leren op die manier. Maar er ontbreekt wel iets wezenlijks: geheel diep intrinsieke motivatie. Van moeten leren naar willen leren en dan vervolgens niet willen stoppen.

Dat verplichte leren ken ik zelf ook. In het kader van de WFT of AVG bijvoorbeeld heb ik veel verplichte trainingen. Ik doe dat omdat het moet, om mijn kennis op niveau te houden. En vervolgens probeer ik er altijd iets in te vinden dat bij mij resoneert. Bij AVG is dat bijvoorbeeld hoe het precies zit met privacy in een wereld met AI. Daar wil ik dan veel meer van leren en dat doe ik dan ook. Steeds weer.

Daarmee is een verplichte training voor mij nooit een doel op zich, maar een middel om meer kennis op te doen, onbekende terreinen te betreden en lol te hebben in nieuwe dingen.

Werkgevers moeten leren leuk maken

Wanneer is iets leuk, kun je je afvragen. Is dat niet heel persoonlijk? Zeker, maar het mechanisme erachter is universeel. Hoe kun je leren leuk maken en toch gewoon een bedrijf runnen met harde afspraken, regels, hiërarchie, KPI’s et cetera?

Werkgevers moeten daarvoor letten op drie dingen

  1. Ervaren medewerkers autonomie in hun keuze voor een opleiding? 
  2. Sluit het aan bij hun persoonlijke doelen en heeft het de juiste betekenis?
  3. Worden ze aangesproken op en beloond voor hun competentie?

Autonomie wordt ervaren als mensen zelf keuzes kunnen maken en – heel praktisch – geen toestemming van de chef nodig hebben. Je hebt budget en kunt je gang gaan: kies wat je zelf juist acht, geef je budget gewoon uit.

De beloning volgt meestal achteraf, maar kan ook vooraf. Als een bedrijf stuurt op een nieuwsgierige cultuur, waar leren en elkaar positief uitdagen normaal zijn, zal er meer vraag naar opleiding zijn. Als je daar vervolgens voor wordt gewaardeerd, en dat kan klein zijn maar ook een stap in je loopbaan, dan zet dat aan tot nog meer leergedrag.

En als dat dan ook nog eens klopt met wie je wilt zijn dan is de cirkel rond. Dat kan overigens van alles zijn. Ik wil eeuwig de veellezer zijn, een ander de introverte specialist op de vierkante millimeter, weer een ander de avontuurlijke dwarsdenker. 

Als je vrij wordt gelaten om te kiezen, zul je meer worden wie je wilt zijn. Leren werkt het best als er een verbinding is met je identiteit, met je diepste ‘ik’.

Dat klinkt zweverig, maar is het niet. Het is eigenlijk heel simpel voor werkgevers:

  1. Faciliteer de medewerker met een breed, goed en toegankelijk Learning & Developmentplatform;
  2. Geef een budget dat ruim genoeg is om te kunnen kiezen en krap genoeg om goed te moeten kiezen;
  3. Stimuleer gebruik van de mogelijkheden en beloon ieders persoonlijke groei.

Pas als mensen zich gezien en gewaardeerd voelen, dan komen zij tot bloei.

  1. Ryan & Deci (2017). Self-Determination Theory: Basic Psychological Needs in Motivation, Development, and Wellness.
  2. Csíkszentmihályi (1990). Flow: The Psychology of Optimal Experience.
  3. Baumeister et al. (2013). Some Key Differences Between a Meaningful Life and a Happy Life. Journal of Positive Psychology.

Ook gepubliceerd op https://lekkerbezig.me/verhalen/van-moeten-naar-willen-hoe-creeer-je-een-leercultuur-zonder-dwang