De onzin van lokale partijen

Ook bij mij in het dorp zijn er lokale partijen. Dicht bij de mens en men weet wat er leeft in Zeist. Sterker nog, men weet precies wat er leeft en wat dus het beleid moet worden.

Laat ik duidelijk zijn: grote onzin.

Wat is die onzin van lokale partijen?

  1. Alle politici op alle lijsten zijn lokaal. Allen weten wat er speelt in dezelfde mate als de politici van lokale partijen. In die zin zijn alle partijen lokaal;
  2. Politici van lokale partijen hebben geen enkele ingang in Den Haag, hoogstens op persoonlijk niveau. Er is geen connectie met de beleidsmakers in Den Haag. Noch ambtelijk, noch politiek;
  3. Ze kunnen niet terugvallen op gemeenschappelijke kennis, kunde en ervaring binnen een partij. Dat betekent dat zij iedere keer weer opnieuw het wiel moeten uitvinden. Dag gaat ten koste van de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Als onderdeel van een grotere partij kun je terugvallen op successen én fouten in andere gemeenten, provincies of landelijke fracties;
  4. Er is de suggestie van toegankelijkheid, direct bereikbaarheid. Maar dat geldt voor alle politici op gemeenteniveau: die zijn in gelijke mate bereikbaar. In kleine gemeenten directer dan in grote gemeenten, maar er is geen verschil tussen lokale partijen en landelijke partijen;
  5. Ze bestaan vaak uit goedwillende en goedbedoelende burgers die politiek erbij doen. Zeker vanuit de juiste intenties, maar zonder het vangnet van een landelijke organisatie.

U ziet, ik ben geen voorstander van lokale partijen. Ik vind het een teken van de tijd: absurde versplintering van stemmen en aandacht waardoor de slagkracht verdwijnt. Hoe komt een raad met een groot aantal partijen die allemaal een stokpaard hebben tot goede gedegen besluitvorming? Niet makkelijk.

Ga stemmen! Niet op een lokale partij wat mij betreft. Maar als dat de enige reden is om te stemmen, dan maar lokaal. Altijd nog veel beter dat niet stemmen.

Leren is gedoe, toch?

The post-Japan blues. Ik had er nog nooit van gehoord tot ik terug was uit Japan. Dat is nu een maand geleden en ik heb er nog steeds last van.

Natuurlijk, deze blog gaat over leren en daar kom ik zo ook echt op terug. Maar eerst even over die blues. Waarin uit die zich? Ja, heel kinderachtig, in een beetje wegdromen, de geluiden (die er veel zijn, vooral elektronische deuntjes) missen, de geuren missen, de winkels met kookgerei, de Izakaya’s. Kortom: alles missen en je afvragen waarom je niet gewoon teruggaat.

Dat hoeft namelijk niet eens. Ik heb chat gebruikt met de vraag hoe de blues te bestrijden en het antwoord was simpel: koop Japanse spullen en bezoek een Japanse winkel of tentoonstelling.

Ik heb iets anders besloten: ik leer Japans koken. Dat deed ik al af en toe, maar in Japan kwam ik erachter dat ik helemaal niet Japanse kookte maar meer iets tussen Korea en China in. Of zo.

En dus heb ik mijn kookboeken bij elkaar gezet in de keuken, er nog een stuk of vijf extra aangeschaft en sinds zes weken kook ik vrijwel iedere dag Japans. Ik leer iedere dag weer iets nieuws. Mijn gezin is er overigens al klaar mee.

Ik leer. Niet omdat het moet, maar omdat ik wil.

En het werkt. Mijn blues wordt minder. Naast kookboeken lees ik ook over Japanse filosofie, Japanse bedrijven (waarvan het oudste al bijna 1.450 jaar bestaat) en over de cultuur die én fantastisch én verstikkend is. Mijn mooie beeld wordt ingekleurd met feiten. Ik leer niet alleen steeds beter koken, ik leer ook meer realistisch te kijken naar Japan.

En ik moet zeggen,  zo leren is heerlijk. Een combinatie van gewoon doen (koken) en gewoon nadenken en lezen. Mijn leven wordt nog rijker dan het al was.

Maar als leren zo mooi is, waarom is het dan zo moeilijk?

In alle gesprekken met klanten blijkt grosso modo steeds weer dat bedrijven heel graag investeren in het leren door medewerkers, maar dat het zo moeilijk blijkt om die medewerkers aan het leren te krijgen. Eigenlijk werken een paar dingen goed: verplichte trainingen en opleidingen die ervoor zorgen dat je werkgarantie hebt. Omscholing en bijscholing.

Er is natuurlijk niets mis met leren op die manier. Maar er ontbreekt wel iets wezenlijks: geheel diep intrinsieke motivatie. Van moeten leren naar willen leren en dan vervolgens niet willen stoppen.

Dat verplichte leren ken ik zelf ook. In het kader van de WFT of AVG bijvoorbeeld heb ik veel verplichte trainingen. Ik doe dat omdat het moet, om mijn kennis op niveau te houden. En vervolgens probeer ik er altijd iets in te vinden dat bij mij resoneert. Bij AVG is dat bijvoorbeeld hoe het precies zit met privacy in een wereld met AI. Daar wil ik dan veel meer van leren en dat doe ik dan ook. Steeds weer.

Daarmee is een verplichte training voor mij nooit een doel op zich, maar een middel om meer kennis op te doen, onbekende terreinen te betreden en lol te hebben in nieuwe dingen.

Werkgevers moeten leren leuk maken

Wanneer is iets leuk, kun je je afvragen. Is dat niet heel persoonlijk? Zeker, maar het mechanisme erachter is universeel. Hoe kun je leren leuk maken en toch gewoon een bedrijf runnen met harde afspraken, regels, hiërarchie, KPI’s et cetera?

Werkgevers moeten daarvoor letten op drie dingen

  1. Ervaren medewerkers autonomie in hun keuze voor een opleiding? 
  2. Sluit het aan bij hun persoonlijke doelen en heeft het de juiste betekenis?
  3. Worden ze aangesproken op en beloond voor hun competentie?

Autonomie wordt ervaren als mensen zelf keuzes kunnen maken en – heel praktisch – geen toestemming van de chef nodig hebben. Je hebt budget en kunt je gang gaan: kies wat je zelf juist acht, geef je budget gewoon uit.

De beloning volgt meestal achteraf, maar kan ook vooraf. Als een bedrijf stuurt op een nieuwsgierige cultuur, waar leren en elkaar positief uitdagen normaal zijn, zal er meer vraag naar opleiding zijn. Als je daar vervolgens voor wordt gewaardeerd, en dat kan klein zijn maar ook een stap in je loopbaan, dan zet dat aan tot nog meer leergedrag.

En als dat dan ook nog eens klopt met wie je wilt zijn dan is de cirkel rond. Dat kan overigens van alles zijn. Ik wil eeuwig de veellezer zijn, een ander de introverte specialist op de vierkante millimeter, weer een ander de avontuurlijke dwarsdenker. 

Als je vrij wordt gelaten om te kiezen, zul je meer worden wie je wilt zijn. Leren werkt het best als er een verbinding is met je identiteit, met je diepste ‘ik’.

Dat klinkt zweverig, maar is het niet. Het is eigenlijk heel simpel voor werkgevers:

  1. Faciliteer de medewerker met een breed, goed en toegankelijk Learning & Developmentplatform;
  2. Geef een budget dat ruim genoeg is om te kunnen kiezen en krap genoeg om goed te moeten kiezen;
  3. Stimuleer gebruik van de mogelijkheden en beloon ieders persoonlijke groei.

Pas als mensen zich gezien en gewaardeerd voelen, dan komen zij tot bloei.

  1. Ryan & Deci (2017). Self-Determination Theory: Basic Psychological Needs in Motivation, Development, and Wellness.
  2. Csíkszentmihályi (1990). Flow: The Psychology of Optimal Experience.
  3. Baumeister et al. (2013). Some Key Differences Between a Meaningful Life and a Happy Life. Journal of Positive Psychology.

Ook gepubliceerd op https://lekkerbezig.me/verhalen/van-moeten-naar-willen-hoe-creeer-je-een-leercultuur-zonder-dwang

Aan de kust

De bus leidde ons door de bergen,
meanderende wegen, langs dorpen
huizen, hier en daar een rijstveld,
erin, meest oudere, mensen, gebogen

De lucht kraakhelder blauw,
hier en daar sneeuw op de verre toppen,
er heerste diepe, diepe rust, zelfs
de bus leek geluidloos voort te gaan

In mijzelf gekeerd keek ik hoe de stad
langzaam vorm kreeg, huis aan huis,
draden ertussen gespannen als web
bomen perfect gesnoeid, met een schaar

De stad, het voelde als een dorp
van ooit, eindigde aan het water,
ik stond aan de Japanse zee
en voelde de afstand tot mijn huis

Nee, dit was niet het strand dat ik kende,
hier geen rumoer, geen drank, mens noch
terras, slechts zand en de branding,
in de verte wat boten op zee, vissers

Pas later, bij de boeddha in het bos,
het ruisen van wind en water nog in mijn oren
begreep ik dat dit land, deze mensen,
mijn gelijke zijn zonder te gelijken.

Kamakura, december 2025

OLVG West, oncologie

Ik hoor zacht geruis van banden
als ik in een wachtruimte zit,
iemand zegt 'er is iemand voor je',
'ja, dat weet ik, dat is Dick'
je zwakgeworden stem spreekt boekdelen

In de rolstoel word je binnengereden
jij, jij zit daar met grote ogen, een grijze
baard en een wit t-shirt van het merk Joop
Je bent klein. Ooit was je mijn 'man in black'
en nu niet meer.

Tussen ons en de jaren her, staan woorden
en herinneringen. De dingen die we deden,
de wegen die we samen bereden
in het begrijpen van de medemens,
de avonden met veel wijn en bittergarnituur.

Wat heb ik van je gehouden,
wat heb ik je gemeden, ontweken, om
steeds weer met jou ergens uit te komen.
Jij, altijd het grote gebaar alsof je alles
begreep en vast kon houden in één vuist.

Ik vraag aan je waarom je er nog bent,
doodziek, kanker, longontsteking en grauw.
Niet voor mezelf, zeggen je ogen, je blik
lijkt in een spiegel te kijken. Ik.
'Voor mijn kinderen' fluister je hees.

En dat is het. Meer niet. Het gestolde verleden
is verstild, dit heb jij nooit gewild, en
je pakt mijn hand. Onze vriendschap is een raadsel,
zeg je, maar de liefde is echt. Ik knik ja,
de liefde is echt.

Na uren zitten en praten en huilen en niet
lachen zoals vroeger, rijd ik je terug
naar je kamer met de andere stervenden.
Ik kijk nog eenmaal om en zwaai, jij zwaait
ook en ik voel je grote droeve ogen in mijn rug.

Tokyo

Ik open slaperig de gordijnen
en zie, daar ligt de stad,
straten, verkeer, lage en
hoge gebouwen. Zoals iedere stad,
maar daarachter zie ik
voor het eerst in mijn leven
de sneeuwkegel van Mount Fuji

En ik weet dat ik niets moet weten
hier, dat ik niet gewoon verder
leef, maar dan op een andere plek,
de dingen doe die ik altijd al doe
want waar ik ook ben, ik ben het
in deze stad, maar zonder mij

Meer dan alle boeken die ik lees,
alle woorden in mijn geest,
deze stad als buitenkant wordt
langzaam mijn binnenkant, als ik zie
dat niets van mij hier werkt,
en ik merk hoe ik alles vergeet

Daar in de buik van de stad,
op een hoek, kijkend naar alle mensen
wachtend op het geluid als teken
om over te steken, steek ik over
in mijzelf, en doe wat ik niet graag doe,
ik laat het nieuwe, het onbekende toe

Die keuze wordt voor mij gemaakt
in een taal die ik niet versta, maar
wel begrijp, spreekt deze stad tot mij,
door alle drukte, met zachte stem en
lichte drang: laat jezelf los en kom,
begin met een nieuw begin. Ik haal diep
adem, en stort mij daarin.

Schrijven is leven.

Ik heb het plan opgevat hier regelmatig een gedicht te plaatsen. Die schrijf ik al geruime tijd maar het is ook best een drempel om te doen.

Drempels zijn er om te overschrijden, te overschrijven. Dus doe ik het toch maar.

Met een vulpen eerst op ruitjespapier uit Frankrijk en dan hier overtikken. Kom, laat ik het eens proberen.

Tot snel.

Zwembaden in Frankrijk: terugkerende ellende

Het zwembad bij ons huis is 23 jaar geleden aangelegd. Huis gekocht, bomen weggehaald, ruimte gecreëerd en aan het werk.

Er stond al een zwembad. Zo’n verplaatsbaar ding op een betonnen fundering. Zag er niet uit en was nog uit de Frans-Duitse oorlog. We wilden een echt zwembad, zo’n infinity pool met uitzicht over het dal en de bergen. Maar hoe kom je aan een goede bouwer? Via, via. De architect kende iemand, een goede. De beste man kwam, zag en overwon: hij ging het zwembad aanleggen.

Dat hebben we geweten.

Toen de eerste tegeltjes loslieten hebben we ons wat verdiept in de achtergrond van de beste man. En ja, achteraf kun je zeggen had je dat niet eerder kunnen doen, maar dat is altijd makkelijk. Wat bleek: ons zwembad was het allereerste zwembad in zijn gehele carrière. Wij waren de proeftuin.

We hadden gewaarschuwd moeten zijn toe bleek dat de ‘infinityrand’ niet helemaal recht was, maar goed, je zit in Frankrijk hè en het weer was prima, de zon scheen, het uitzicht prachtig. Maar we waren niet gewaarschuwd.

Nu, 23 jaar later, hebben we bijgeleerd. Vele malen is het zwembad gerepareerd: tegelmatjes opnieuw aangelegd, stukken weggehakt om het onderliggende betonijzer te herstellen zodat we geen bruine roestvlekken meer hadden, weer tegelmatjes, de rand die hersteld is. Et cetera enzovoort.

Het uitzicht is nog steeds geweldig en als ik ’s avonds op de rand hang en in de verte de lichtjes van Entrecasteaux zie flikkeren dan ben ik intens gelukkig. Het zwembad blijft.

We laten het nu in een keer goed restaureren.

Alles wordt eruit gehakt, de scheuren gerepareerd, er komt een nieuwe betonnen grondlaag en daar weer bovenop een aantal lagen zodat het weer jaren meekan. Deze bouwer hebben we goed gecheckt, deze keer niet met de portemonnee gekozen maar op basis van bewezen kwaliteit. We duimen op de goede afloop.

Hierna zijn de luiken overigens aan de beurt. Want ook die hebben betere tijden gekend. Een eigen huis is een boeiend bezit. Het houdt niet op. J’en ai marre intussen.

Eeuwig herfst in de Var

Een dag in oktober. Ik wandel van ons huis richting dorp, het is 8 uur in de ochtend. Het wordt licht, het is fris, de lucht vol zuurstof. Iets meer dan anderhalve kilometer wandelen, de berg af naar het dorp. Brug over, de lange toegangsweg, linksaf langs de Place Respélido, het oude tunneltje door en dan weer naar rechts. Ik loop altijd om, om aan mijn stappen te komen. De volgorde is steeds hetzelfde omdat ik van steeds hetzelfde hou: bakker, café, kerk, en dan weer terug naar huis. Ergens tussen een uur en anderhalf uur ben ik dan onderweg. Deze keer had Bar Le Central lampjes opgehangen aan de luifel.

Na de koffie en de kaarsjes in de kerk loop ik dezelfde weg weer naar huis. In mijn tas een baguette, een céreal en een sacristain. En als ik terug ben dan ben ik compleet gelukkig.

Het is ooit begonnen, 23 jaar geleden, toen ik voor het eerst een week in oktober in Carcès was. Na een lange hete zomer gingen we nog even terug. Ik wist direct dat ik volkomen thuis was.

Al die dingen heb ik in de zomer niet. De hitte is weldadig, het licht prachtig, de sfeer loom en snakkend naar een goede rosé. Maar dit haalt het niet bij de herfst.

Dit jaar zijn we naar Cannes gereden. Ook daar herfst. Minder druk, mooi licht en voor de lunch bij Plage Goéland aan het strand zitten. De kalme geluiden van de zee, de laagstaande zon op mijn gezicht, het rustige gepraat van de mensen op het terras, het gerinkel van glazen meest gevuld met rosé en de bediening die ook al heel relaxt is. Alles klopt.

De herfst in de Var mag wat mij betreft eeuwig duren. Een perfecte temperatuur, de geuren van gevallen blad en de rook van alle buren die hout en blad verbranden, de vroege schemering, het geluid van de jacht in de heel vroege ochtend en laat in de middag: alles vervult mij met geluk.

Het is om weemoedig van te worden.

Bericht na de dood

En opeens is iemand dood. Een mens, iemand die je heel goed kende, waar je van hield en dat al 28 jaar. Het was een aangekondigde dood. Dementie, langzame aftakeling en toen kwam de versnelling. Lichamelijke klachten. Sneller toch dan verwacht waren er in de vroege ochtend in de slaap, vijf versnelde ademstoten en dat was het. Een mens werd lichaam, meer niet.

De aanblik van de dode was een vertrouwde. Al vaker dode mensen gezien en eigenlijk altijd gelijkend. De wasachtige kleur en de diepe verstilling op het gelaat. Alsof iemand in grote vaart een huis had verlaten en het kopje thee stond nog onaangeroerd op tafel. Die verstilling. De aanwezigheid van een groot Niets.

De dode was voor ons dood. Hij was niet dood. Ik zal ook nooit dood zijn.

Alles wat de mens mens maakt was verdwenen. Op slag. Slechts herkenning van het lichaam, maakte dat er nog iets van voortzetting van een gezamenlijk leven was. Maar het was slechts een lichaam waar ik naar keek.

Dat is vandaag twee weken geleden. De wereld nam het over. Er kwam een mevrouw die met draaiboek in de hand alles regelde. Alles werd geregeld. Een liefdevol afscheid, mooie liefdevolle woorden en uiteindelijk de crematie. De laatste aanraking van de kist in de ruimte bij de oven.

Toen werd het stil.

In die stilte is het mijn omgang met de dood die me bezighoudt. Een wereld zonder hem, waarin ik nu leef. De berusting dat het een gezegend einde was. Geen gruwelijke strijd, geen gevecht tegen het onvermijdelijke, zoals bij mijn ouders het geval was.

De wetenschap dat je zelf nooit zult genieten van de rust die de dood ook is, na bijvoorbeeld een lang ziek zijn.

Er is geen geest zonder lichaam. De mens is lichaam. Als het lichaam sterft, sterft de mens.

Wat rest, zijn wij: de achterblijvers.

Waarom (extreem) rechts gaat winnen

Nog een week of vier en dan kennen we de uitslag van de verkiezingen. Er zal in Nederland weer een rechtse meerderheid komen en als er al een wat liberalere of linksige toets zal zijn, dan is dat om een meerderheid te vormen. Meer niet. Nederland is ten diepste een conservatief land. Als rechts samen met extreemrechts kunnen, dan gebeurt dat.

En toch. Niet alleen in Nederland is rechts groeiende. Op een paar landen na zien we dat overal in Europa, en zelfs in de wereld. Zelfs in Japan is een rechtse partij in opkomst.

Als iets zich overal voordoet, dan kan de oorzaak niet lokaal en specifiek zijn. Waardoor komt het dan wel?

Ik heb een vermoeden. Een vermoeden dat ik verder zal uitwerken maar hier alvast benoem.

Mijn vermoeden is dit: we leven in een wereld waar alles nú gebeurt, nú te volgen is, waarin we continu succesvolle mensen voorbij zien komen, we leven kortom in een grote etalage waarin in hoog tempo alles verandert. Daardoor zijn twee menselijke zaken verdwenen: de tijd nemen voor dingen en genoegen nemen met middelmaat of tegenslag.

Partijen die nú een oplossing bieden voor complexe zaken en beloven dat jíj door die oplossing als winnaar uit de bus komt, en die vervolgens de schuld leggen bij een heel ander deel van de samenleving (buitenlanders, de elite) die partijen zullen winnen. Overal. Partijen die uitleggen dat oplossingen tijd in beslag nemen (“tijd? Heb ik niet, ik wil nú mijn zin.”) en uitleggen dat de opbrengsten complex in kaart te brengen zijn en niet precies te duiden (“Huh, dus je komt niet voor mij op. Ik héb dus morgen geen huis?”), en ook nog uitleggen dat iedereen onderdeel is van probleem en oplossing (“Wat? Het is niet mijn schuld! Het zijn die buitenlanders!”), die partijen delven het onderspit. Nuance is heel ouderwets.

Waar extreemrechts aan de macht komt, doet zij dat met grote woorden, grote gebaren, simpele oplossingen en de belofte van vooruitgang voor het eigen volk. Er is altijd een vijand aan te wijzen die tegenwerkt en moet worden bestreden. Volgens de laatste intellectuele inzichten van BBB is dat de Raad van State en de rechtspraak. Weer een volksvijand gecreëerd.

Men is de nuance zat, men is het wachten zat, men is de feiten zat, men is het fatsoen zat.

(Extreem)rechts gaat winnen.