Herfst in de Var, fantastisch.

Zo rond medio oktober stopt ons dorp diep in de Var met leven. Althans, zo lijkt het. De markt op zaterdag is minder uitgebreid, louter etenswaar nog en natuurlijk wel de knappe française met jurkjes. C’est tout. Het uitgebreide terras van Bar Le Central is leeg, stoelen en tafels staan opgetast. De deuren van de winkels zijn dicht om de warmte binnen te houden. En alleen als het een beetje lekker is, zitten de bewoners op een terrasje koffie te drinken en te kletsen.

Waar het leven in de zomer naar buiten is gericht, keert men zich nu naar binnen.

Als ik ’s morgens vroeg wakker word dan is dat van het geknal van de jacht en de geur van brandend hout. De frisse kou komt tussen de luiken door de slaapkamer in en de vloer is koud. Eenmaal gedoucht pak ik een espresso en terwijl ik dat doe open ik het raam van de keuken. Mijn uitzicht is zoals boven: in de verte ligt Salernes, verscholen in de ochtendmist. Na de koffie loop ik naar het dorp, zo’n anderhalve kilometer bergafwaarts. De geuren zijn formidabel, overweldigend. De natte aarde ruik je volop, een heerlijke herfstgeur waarbij ik alleen maar kan denken aan goede truffels en goede wijn. Terroir.

Het dorp inlopend voel je de rust van het gewone leven. Even Seb van de lokale pizzeria gedag zeggen en door. Geen toeristen, geen drukte, geen volle parkeerplaatsen. Alles straalt rust uit.

In de lokale supermarkt ligt een herfstassortiment: bloedworst, pompoenen, marrons, Beaujolais nouveau in november. Alles ademt rust uit, bedachtzaamheid bijna. Alsof na de drukte van de zomer men weer tijd heeft om te aarden in de eigen omgeving, in het eigen leven. En dat voel je aan alles. De gesprekjes op het terras worden anders. De wijnoogst is binnen, de truffelman is weer met zijn hond op zoek naar truffels, bij de krantenmevrouw is alleen nog de Var Matin verkrijgbaar. De wereld is gekrompen tot waar het echt om gaat in het leven: het geluk op de vierkante meter.

Voor mij is de herfst het mooiste seizoen, een seizoen van compleet geluk. Als het droog is en de temperatuur ok, dan kun je me aan het eind van de middag vinden aan het zwembad met een glas whisky en een mooie sigaar. Uitkijkend over de bergen en in stilte, in mezelf gekeerd. Daar op die berg valt alles samen wat ertoe doet. Gezin warm en gezellig binnen, die vinden het te koud, en ik in het land waar ik me het meest op mijn gemak voel met de natuur die verkleurt tot een palet zoals mensen het niet kunnen maken.

Hier kan de zomer niet tegenop.

Frankrijk van een afstand: je weet wat je mist

Liberté, Egalité, Fraternité: ook in Carcès.

Al een tijd ben ik niet in Frankrijk geweest. Lang, te lang naar mijn zin. Ik heb mijn verjaardag nog gevierd in Carcès en media augustus was ik weer in Nederland. Eigenlijk maar twee maanden geleden, maar het voelt als een eeuwigheid. Begin november zal ik in ieder geval even de Auchan in Roncq aandoen. Maar dat is het dan ook.

Frankrijk is nooit uit mijn gedachten. Als het herfstig wordt heb ik heimwee naar Parijs en als de bomen verkleuren heb ik heimwee naar de velden en bossen in de Var. De geuren, kleuren en het licht.

Ik probeer ook wat objectiever te kijken naar Frankrijk. Waarom is mijn verlangen altijd zo groot en waarom gaat dat verlangen uit naar Frankrijk? Je kunt zeggen: pure gewenning! Ik kom immers al twintig jaar in hetzelfde dorp waar ik iedere steen en stoeptegel ken.

Maar dat klopt niet helemaal. Ik ben ooit verliefd geworden op Frankrijk zonder al die jaren achter me. Waarop dan precies? Ik ga een poging wagen aan de hand van een aantal herinneringen.

De Provence, Var

Hier bracht ik niet zozeer mijn eerste franse vakanties door, maar mijn herinneringen zijn wel heel scherp. We reden naar het zuiden en opeens veranderde het landschap. Het werd droger, heter en zonniger. De Autoroute du Soleil werd op een zeker moment omzoomd door palmen en bomen die je in het zuiden ziet. We gingen van de snelweg af bij Saint-Maximin-la-Sainte-Baume. Daar had ik op de camping een plek gereserveerd. Twee weken stonden we in een naar kruiden geurend veld met bomen. De hitte was zwaar maar heerlijk. Twee veel te kleine stoeltjes en zo’n campinggas-stelletje waarop ik koffie zette.

Honderden kilometers reden we door de Var. Naar zee, naar Nice, naar het noorden, overal. Het landschap vond ik prachtig en de mensen nog meer. Vriendelijk, heel eenvoudig en gastvrij. Ik kocht in de lokale supermarkt blikken couscous: twee blikken op elkaar, een met de groenten en een met de couscous zelf. Op één pitje kon ik zo een heerlijke maaltijd maken. Die supermarkt liep overigens over van allerlei lekker dingen. Wijnen, charcuterie, cassoulet in blik met onverwacht bleke worstjes en natuurlijk altijd topbrood met heerlijke kaas. De interne mens kwam geweldig aan zijn trekken.

Maar er was meer. Ik kwam er in de Var achter dat Frankrijk een samenleving is die geschraagd is op waarden. Niet op efficiëntie of functionele logica, maar op waarden. Het is niet voor niets dat op ieder Hôtel de Ville en op iedere gevel van scholen, de waarden opgesomd staan: Liberté, Égalité, Fraternité. En ja, we weten inmiddels dat niet iedereen gelijk wordt behandeld, maar het streven is er wel naar. De Var is ook een waardensamenleving: de historie, in toenemende mate de aandacht voor de oude taal en het altijd teruggrijpen op wat mensen bindt. De bodem, de geschiedenis en de afkeer van Parijs. Zo ongeveer. Als een van de waarden gelijkheid is, dan vertaalt zich dat in het feit dat iedereen in dezelfde rij staat om iets voor elkaar te krijgen. Vroeger bij het postkantoor en overheidsdiensten, tegenwoordig online (als het überhaupt al online is).

De basis is de overtuiging dat iedereen onderdeel is van hetzelfde volk, hetzelfde land en dat zullen we weten ook. Discussies gaan over politiek, sport, maar ook over overtuigingen. Vanuit welke waarden doen we de dingen? Daarmee is rationaliteit ver te zoeken. De elektricien kan wel drie keer langskomen met het verkeerde relais, maar dat is geen probleem. We praten gezellig verder bij een glas wijn over de wereld en omstreken. De intenties zijn goed, de uitvoering wat minder maar die is ook minder belangrijk.

In mijn twintig jaar de Var leerde ik dit kennen in de gesprekken met de mensen in het dorp. Men denkt anders dan wij hier in Nederland. Anders en voor mij prettiger. Er zit een soort stoere overtuiging en overlevingsdrift in de fransen. Maar er is meer.

Bretagne

Dat koppige, vasthoudende had ik al veel eerder ontmoet in Bretagne. In het noorden, Morlaix, Carantec, camping Les Mouettes. In het zuiden bij Carnac. Daar leerde ik de Bretonnen kennen. Op het eerste gezicht stugge lui tot je moeite doet en ze jou wat leren kennen. Dan gaan de deuren open en dan drink je samen wat in het café. De geschiedenis is onderdeel van het dagelijkse leven. Een eigen taal, een eigen stugge volhardende volksaard, een ruige natuur en ruig weer. Ik dacht toen dat die geaardheid, het geaard zijn, typisch Bretons was. Dat bleek dus niet zo te zijn.

Wat ik in Bretagne heb leren kennen, naast de mensen, zijn ook whisky en Gitanes. Mooie tijden.

De Bourgogne

De koude nachten in een tentje in Meursault, waar je voor een habbekrats in de campingwinkel top Meursault kon kopen voor weinig! Als gisteren. Het prachtige landschap met al die dorpjes waar eigenlijk nooit veel te doen is. Waar de mensen hard werken om de beste wijnen ter wereld te produceren. Ook hier de supermarkten met een assortiment dat je in Nederland nooit zal tegenkomen. Maar ook hier die koppigheid over het uitzonderlijke van de eigen grond, de eigen terroir. De trots op de afkomst en de manier waarop men al sinds lang op dezelfde manier met dezelfde liefde wijn maakt. Waarbij dat laatste helemaal niet waar is natuurlijk. Er staan nu grote RVS-vaten waarin de wijn langzaam tot wasdom komt en de wijnproductie is gerationaliseerd.

Ook hier dacht ik dat dat zelfbewustzijn vooral de Bourgogne gold. De beste wijn, het mooiste landschap, het beste eten et cetera. Maar ook hier was meer aan de hand.

Frankrijk buiten Parijs.

Buiten Parijs (Parijs kom ik zo op terug) is Frankrijk ruraal. Men leeft in, met en van de natuur. Of het nu om wijnbouw gaat, of het gaat om de kazen van de Savoye of een lokale worst of zelfs de vraag waar je eigenlijk de beste Cassoulet kunt eten: de binding tussen mens en natuur is altijd aanwezig. Ge-aard is men. Dat zie je overigens in meer rurale samenlevingen. Wat er in Frankrijk bijkomt is een aantal diepgewortelde waarden: vrijheid, gelijkheid, broederschap en laïcité. Wat mij opvalt in de gesprekken over politiek of over het milieu dat Fransen nooit rationeel kijken. Nooit vanuit de vraag wat bijvoorbeeld economisch de beste keuze is, of welke keuze het meeste geld oplevert. Bijzaken zijn dat. Waar het om gaat is of de dingen die gebeuren congruent zijn met de gedeelde waarden. Als Macron iets doet wat niet bevalt dan ziet men allereerst een rijke man die zich verheven voelt boven le peuple. En fransen zijn niet peuples maar actieve citoyens, actieve burgers, die hetzelfde willen worden behandeld. Vanuit de gedeelde waarden.

Het leven met de natuur is altijd onzeker. Een slechte winter en voorjaar en je oogst is kapot. De droogte van de afgelopen zomer zag men met lede ogen aan. En, of beter, maar er is altijd die gedeelde laag. We zijn Fransen met een hoofdletter en wij doen de dingen niet alleen beter maar we delen ook basiswaarden. Er zijn meer chauvinistische samenlevingen, Frankrijk voegt daar die universele waarden aan toe.

Parijs

En dan is er nog Parijs. De navel van Frankrijk, de plek waar al het gezag zich bevindt, waar de mensen de rest van de wereld beschouwen als achterlijk platteland, waar men mooi, hip, BCBG, gevat en grootsteeds wil zijn. Parijs is een universum op zich waarin men werkelijk niet snapt wat de rest van Frankrijk wil. Je ziet het in de krant als je hier in Nederland leest over Frankrijk. Er is een regering en er is een Président die macht heeft. Die, vanuit Parijs, uitmaakt wat er 800 kilometer verderop in Carcès gebeurt. Carcès, waar de pinautomaat het ‘apparaat van Macron’ wordt genoemd. De rest van Frankrijk lijkt niet op de Parijzenaar dus al die waarden gelden niet voor de rest, niet voor de boeren.

Frankrijk van een afstand

Je ziet het beter als je er niet bent, denk ik wel eens. Ik denk met heimwee aan mijn dorp en mijn terras. De chef die ’s avonds om half twaalf toch even een maaltijd voor je maakt, gewoon omdat je trek hebt en lang in de file hebt gestaan. Waar de burgemeester je horloge repareert want dat doe je nou eenmaal en graag ook kosteloos. Want ja, jij bent jij en je horloge is een Lip! Frans dus.

Het kleine en het knusse, maar ook het bedreigde van een dorp in de verarmde Var. Dat is aantrekkelijk. Dat gaat over gelijkgestemden die gewoon een mooi leven willen hebben. Gelijkgestemd maar ook gewoon gelijk en gebroederlijk op het terras. En de pastoor drinkt een glas mee, zolang hij zich maar niet bemoeit met de politiek maar alleen met de ziel. De terroir van een dorp.

Parijs is de stad waar ik heimwee naar heb juist omdat het een eiland is in Frankrijk. Ook, net als de rest, daar geen ratio maar de geest en de ziel. Parijs is filosofie, kunst, verliefdheid, politiek. Parijs is ’s morgens om zeven uur opstaan om de stad wakker te zien worden.

Frankrijk van een afstand is een verlangen naar alles wat ik ken en alles wat ik nog niet ken van het land en de mensen. Als ik er niet ben voel ik het, als ik er ben zie ik het een stuk minder scherp.

Een leven zonder Twitter

Voor mij ondenkbaar, een leven zonder Twitter. 2700 volgers en ik volgde zo’n 2000 mensen. Met heel veel plezier en ook goed contact. Een bubble van fatsoen en wederzijds respect. Een leven zonder Twitter? Ondenkbaar. En toch is het zo en het is mij overkomen. In een tweet heb ik The Black Knight uit Monty Python and the Holy Grail geciteerd en dat citaat is door het algoritme geïnterpreteerd als doodsbedreiging. Een citaat dus, maar ik had inderdaad geen aanhalingstekens gebruikt. Onnozel volgens mijn zonen. En de Black Knight kon, na verlies van armen en benen, niet meer anders doen dan verbaal King Arthur van alles toevoegen.

Dom van me? Wellicht. Verder was ik op twitter wel heel duidelijk maar altijd voorkomend.

Afijn: toen ik op een ochtend twitter opende stond daar dus opeens de mededeling dat ik een permanente ban aan de broek heb.

Minder twitter

Nu dacht ik er al over na om te minderen. Ik twitterde wel redelijk veel en ik opende twitter op ieder dood moment van de dag. Vaak legde ik ‘s avonds mijn mobiel weg om niet in de verleiding te komen. Al met al had ik veel interactie met de mensen die ik volgde (ongeveer 2000) en door wie ik gevolgd werd (zo’n 2500). Levendig, leuk, interessant, scherp et cetera. Met sommigen had ik heel veel contact. Dat leidde er toe dat ik heel veel online was.

Daarmee werd ik ook altijd in discussies getrokken, of beter nog: bemoeide ik me met discussies over onderwerpen die mij aan het hart gaan. Politiek, milieu, diversiteit, identiteitsdenken et cetera. De discussies waren altijd scherp op de inhoud maar ook vaak polariserend. Mijn blik op de wereld werd er een waarin we tegenover elkaar staan en nauwelijks nog tot elkaar te brengen zijn.

Twitter was voor mij kortom een grimmig platform waar ik heel veel plezier had met anderen. Leuke en vaak lieve anderen.

Nog voor ik zelf kon besluiten met tijdelijk te verwijderen, gewoon om weer een normale blik op de wereld te krijgen, is dat besluit voor me genomen.

Geen twitter

Het effect was primair ongeloof. Ik? Ik eraf gegooid terwijl ik zovelen zoveel haat zie spuwen? Huh? Maar nu ik me er eenmaal bij heb neergelegd is het effect een ander: rust en overzicht. Nieuws komt tot mij via journaal en krant, discussies volg ik op de radio en in alle stilte vorm ik een mening. Zeker mis ik de mensen met wie ik contact had. Een aantal heb ik een appje of mailtje gestuurd met de mededeling. Soit, dat was het.

Als ik feitelijk kijk wat het effect is zie ik dat mijn schermtijd op mijn iPhone met 60% gedaald is ten opzichte van vorige week. Ik zat bijna 12 jaar op twitter met meer dan 70.000 tweets. Stel dat ik inclusief lezen en scrollen per tweet zo’n 3 minuten per keer bezig was telt dat op tot iets minder dan een uur per dag op twitter (48 minuten). Gemiddeld. Iedere dag. Dat heet een verslaving.

Gedwongen of niet: het is goed om objectief te kijken naar je gedrag en je af te vragen of dit is wat je wil. Algoritmen zijn verslavend, contact met anderen ook en gehoord of opgemerkt worden in de drukte op twitter ook. Als je er eenmaal aan begint wil je meer en meer. Dat is ook wat ik nu voel, afgesloten zijn van een grote gemeenschap. De deur zit dicht en je mag de club niet meer in. Sorry, je pasje is verlopen.

Dus los van de rust die ik ervaar, ervaar ik ook die rusteloosheid. Met de dagen wordt die overigen minder en minder. De rust neemt de overhand. En ik heb meer tijd om te lezen!

Gevangen in algoritmes

Waar ik ook over nadenk is het binaire karakter van het algoritme. Ik heb bezwaar aangetekend omdat het een citaat betreft, maar zoals het thuisfront mij vertelde: algoritmes kennen Monty Python niet. Op mijn reclameren krijg ik dan ook geen antwoord. Talk to the cloud.

En nu is dit futiel, zonder echte gevolgen, maar overgeleverd zijn aan een algoritme (zonder humor of relativering) voelt “uncanny”. Dit is dus in het miniatuur waar heel veel van het ongenoegen in de wereld om draait. Geautomatiseerde systemen die op jou gedrag reageren zonder echte warme interactie. Bij Little Britain had je ooit een scene waarin mensen wat wilden, iemand dat intypte en dan als antwoord gaf ‘computer says no’. Dat is het onbehagen dat ik ook voel.

Los van het persoonlijke zie ik ook een meer zakelijke dimensie: zorg ervoor dat interactie met mensen ook altijd menselijk is en blijft. Schrijf je algoritme zo dat als iemand voor de tweede keer reclameert die persoon te maken krijgt met echte mensen. Haal het ongemakkelijke eruit zeker als het om zaken van belang gaat. Nu is dat bij mij minder het geval, maar wat zou ik graag met iemand van twitter van gedachten willen wisselen. Onmogelijk, computer says no.

Mensen zijn duurder in iedere interactie dan apparaten en techniek. In geld uitgedruk duurder. In relationeel opzicht zijn zij veel goedkopen, efficiënter en effectiever. Het is maar waar je voor kiest.

Hoe moet ik nu in Godesnaam verder?

Tja, verder leven zonder twitter. Heel eerlijk: ik heb nog iedere ochtend de reflex om twitter te openen. Dan zie ik de boodschap dat ik permanent verbannen ben en land ik weer op de aarde. Ik wandel naar de brievenbus, pak de papieren krant en ga ontbijten. Ik heb op dat moment weinig voorkennis over de stand van zaken in de wereld en dat voelt heel ouderwets aan.

Heb ik er last van? Jazeker. Ik mis dus bepaalde mensen, ik mis bepaalde discussies, ik mis mijn dagelijkse woordje.be wedstrijd, et cetera. Ik mis ook alle ophef over van alles. Dat heeft overigens twee kanten: ik mis de ophef op zich (waar maken we ons druk om) en ik mis ook mijn eigen opwinding daarover. Het leven voelt minder hyperig en hijgerig aan. Oh, en ik mis een platform voor mijn blogactiviteiten.

Ik ga dus nu twitterloos door het leven en het voelt ook als een beetje vakantie. Nu de rest van social nog? Zou het?

Een leider is wat hij doet. Een persoonlijk verhaal.

Mijn allereerste managementbaan, ergens in de jaren 90, kreeg ik via via. Ik was docent sociologie en filosofie en werd gebeld. Of ik manager wilde worden in Amsterdam. Dat leek me wel wat. Ik aan de slag met manager spelen. En eigenlijk deed ik maar wat. Ik kwam erachter dat de mensen van de afdelingen waaraan ik leiding gaf (het waren er vier) prima in staat waren het werk te verrichten wat gedaan moest worden. Mij vonden ze een onverwachte toevoeging: een docent. Nou ja, we gingen het met elkaar proberen. Ik had een grote kamer met een mooi bureau en in een la een kist sigaren. Het ging prima en het was een mooie plek om alles te leren. Maar je wil door.

Zo in de loop van de decennia loop je toch tegen alle grenzen aan die in jezelf zitten. Grenzen die je tracht te ontkennen, want zwakte is niet iets wat je wilt uitstralen. Als baas.

Ik deed hier en daar een workshop of een opleiding. Die waren nooit heel erg goed. Ik kwam terecht in een circuit van trainers en coaches zonder keurmerk, zal ik maar zeggen. Iedereen kon het worden en je had een job op het moment dat je in het netwerk zat van de opperbaas met budget. Sommige trainingen waren overigens wel prima. Maar dat was meer uitzondering dan regel.

Ik ging ook naar het buitenland. Ik leerde Zweden kennen en hun manier van doen. Ik heb gewerkt in Warschau en leerde daar de starheid in het bedrijf en de spiritualiteit van de mens kennen. Ik heb bij een startup de commercie mogen doen, tot in de UK. Londen maar ook the black country: dagen praten met managers in Birmingham en er na heel veel thee achterkomen dat zij eigenlijk niets konden beslissen.

Op Ashridge en INSEAD heb ik me volgezogen met kennis, kennis en nog eens kennis. En ongegeneerd veel plezier gehad.

Ik groeide als manager, ik werd beter door ervaring en ook door kennis. Maar altijd nam ik ook gewoon mezelf mee met mijn eigen biografie. Een biografie die geïmpregneerd is door een jeugd op Zuilen, Utrecht. Een harde jeugd in een harde wijk. Stofzuigers door ramen en daarna weer een borrel drinken met elkaar op de bank op straat, om de ruzie bij te leggen. Een leven met strijd. Onderling maar ook strijd met het leven. Armoe. Altijd weer de teleurstelling dat er gespaard was voor iets en er dan achterkomen dat het toch niet lukte. In mijn familie was ik de enige die de middelbare school had afgemaakt. Eerst de MAVO (een harde school) en daarna HAVO en VWO (heerlijk). Veel gestudeerd, ook als eerste in de familie. Toen ik mijn doctoraal deed was ik verbaasd dat ik dat had gehaald. Mijn familie was nog verbaasder.

Leren, leren, leren en leven

Met die sedimenten kun je opleiden wat je wil, maar het leven blijft strijd en iedere vooruitgang moet je bevechten en is in zijn uitkomst onzeker. Zuilen verdwijnt nooit meer uit mij.

Al mijn trainingen, workshops stonden voor mij in het teken van winnen. Daarom vond ik die ook nooit zo goed. Wat de trainer ook zei, ik wist het beter. En overigens was dat ook vaak het geval. Maar daar ging het niet om.

Op een moment in mijn leven ontdekte ik Benedictus. Kort samengevat: Benedictus schrijft in circa 350 AD een Regel, waarin hij schetst hoe je leiding geeft aan een klooster. De kern is dat je met aandacht en liefde de dingen moet doen. Nooit afraffelen, nooit zomaar iets doen, altijd concentreren en met aandacht zijn in wat je doet. Je dag zo indelen dat je geen stress ervaart, maar tijd hebt voor alles wat je doet. Tussen twee bezigheden altijd tijd nemen om te ‘migreren’ van de ene naar de andere activiteit. En als Abt moet je je oor altijd neigen naar de jongste (dat wil zeggen degeen die er het laatst is bijgekomen) in het gezelschap want die ziet de dingen zoals ze zijn. Besluiten neem je helder en je communiceert duidelijk daarover. En wees altijd eerlijk en betrouwbaar. Zacht op de mens, hard op de discipline.

Ik besloot Benedictijns te gaan leven, met succes. Ik heb weinig stress, ik heb altijd tijd voor dingen et cetera. De jongen van Zuilen leefde opeens met structuur en rust.

Maar nu komt het: ik deed de dingen op een andere manier, maar ik deed nog steeds dezelfde dingen. Ook als manager. Alles willen weten, alles controleren om zeker te weten dat ook gebeurt wat je hebt afgesproken, je overal mee bemoeien.

Een keerpunt, met dank aan mijn club

Tot het moment dat een team jonge professionals, die al hun tijd, talent en energie gaven om een startup van de grond te krijgen, mij vertelden dat ze wilden dat ik dingen anders ging doen.

Niets workshop, niets opleiding, niets boek, maar gewoon topmensen die mij net zo goed kenden als ik hen. Levende mensen die mij vertelden dat ik moest veranderen. Ze hadden last van mijn gedrag. Niet van mij, integendeel. Ze waardeerden mijn kennis, mijn karakter, mijn aandacht en mijn wil tot winnen. Maar wat kwam het er af en toe slecht uit.

Dat team heeft mij toen geleerd dat de vraag die je als leider altijd moet stellen is: ‘waarmee kan ik je helpen?’.

De kern van hun opmerkingen was deze: wat zij nodig hadden was een heldere visie, een duidelijke focus en een punt in de tijd waarop een en ander klaar moest zijn. Grote dingen dus, niet op detailniveau. Wat ze ook van mij nodig hadden was mijn goede humeur, herrie en optimisme. Waarmee ik hen in de weg zat was het bemoeien met details en werkpakketten. Overal een mening over hebben is niet erg, ze altijd uiten wel. Want hoe ik het ook wende of keerde, voor hun was ik de baas. En een baas met bemoeienis is een lastige baas.

Ze wilden geholpen worden.

Waarmee kan ik je helpen

Ze hadden gelijk. Sinds die bijeenkomst ben ik in de helpende stand gaan staan. Bij moeilijke besluiten met grote impact leg ik uit wat er gaat en moet gebeuren en wat het doel daarvan is. Mijn vraag is dan direct hoe ik hen kan helpen hier zelf vorm aan te geven. Ik waardeer hun expertise en kennis, ik waardeer wie zij zijn en het enige wat ik doe, is zorgen dat zij tot hun recht komen. Ieder gesprek begin ik met de instelling ‘hoe kan ik je helpen?’. En dan opeens blijkt er een heel mooie dynamiek tot stand te komen waarbij mensen veel meer talent maar ook meer vragen hebben dan je dacht. Zekerheid en onzekerheid wisselen elkaar af.

Dit klinkt simpel en je zult denken ‘dat doe ik ook altijd’, maar kijk eens goed naar jezelf. Ik dacht ook dat ik het goed deed, tot mijn team mij de spiegel voorhield.

Je moet er wel wat voor over hebben. Zo heb je het gevoel grip te verliezen omdat je niet ieder moment van alles op de hoogte bent. Dat gevoel verdwijnt snel. Wat blijkt is dat mensen om je heen je tijdig waarschuwen voor positieve en negatieve uitschieters. Je bent nog steeds op tijd. Daarnaast moet je heel helder zijn in doelstellingen. Heel concreet en duidelijk. Er vooraf over praten wat de gevolgen zijn, voor ieder afzonderlijk. Je moet altijd heel scherp zijn op randvoorwaarden: heb je alles geregeld? Hebben de mensen bijvoorbeeld een goed contract met een juiste beloning? Is helder wat van hen wordt verwacht? Moeten ze bijgeschoold worden? Is het een goed, collegiaal en veilig team? Is het team divers genoeg? Hebben ze de juiste hulpmiddelen?

Eigenlijk ben je als leider een facilitair manager op vele fronten. Een factotum.

Het allerbelangrijkste is altijd je beloftes nakomen, altijd duidelijk zijn in je communicatie en beoordeling van mensen. Helder verwoorden wat zij goed doen en wat niet. Als je als leider betrouwbaar bent en men weet dat je te vertrouwen bent kan zomaar de dag komen dat je team je tot de orde roept. Dat is een geschenk dat je moet omarmen. Ook al voelt het alsof je op je sodemieter krijgt van je moeder. Want een standje voelt altijd diep. Ook een standje van je team. En terecht.

Slechts wat diep raakt verandert de mens. Ook mij dus.

Herfst in Frankrijk

Carcès, oktober 2020

Niets dan fijne gevoelens en mooie herinneringen: Frankrijk in de herfst. Nu ben ik altijd graag in Frankrijk maar de herfst is altijd speciaal. Ik zal een paar herinneringen ophalen om dat te illustreren: waarom die drang na de zomer om terug te gaan?

Carcès

Laat ik maar beginnen in de Var, in Carcès. Een dorp van niks maar met alles wat een mens nodig heeft. Vriendelijke mensen en op zaterdag een fijne markt. En dan opeens is de zomer voorbij en wordt alles wat kleiner, ingetogener. De markt halveert ongeveer en toeristen, die sowieso schaars zijn hier, zijn er niet meer. Oktober is zo’n maand waar de temperatuur nog top is, 20-24ºC, laagstaande zon. Maar er is meer.

’s Morgens vroeg word je wakker door het verre geknal in de wijnvelden: de jacht. De geur van brandend hout omdat er altijd wel ergens een boer hout aan het opstoken is. Als ik dan in de vroege ochtend naar het dorp wandel dan voelt de wereld weldadig aan. Ik ben totaal op mijn plek. De geur van het vochtige bos waar ik loop. De straten die leeg zijn tot je in het dorp bent. Een paar terrassen. Kleiner, intiemer dan in de zomer. Een kop koffie en gewoon genieten van het feit dat je je eigenlijk te koud hebt gekleed.

’s Middags wandelen in de wijngaarden van Saint-Louis de Thoronet, net achter ons huis. Uren. Vroeger toen de jongens nog klein waren gingen ze oude jachtgeweerpatronen zoeken. Tassen vol. Thuiskomen en lekker lunchen. Dat lunchen brengt me op de volgende oktoberpracht.

De Hypermarché

Zo aan het eind van het jaar, beginnend in oktober, vullen de supermarkten zich met andere producten. In Carcès zijn er opeens allerlei soorten bloedworst. Top met een gebakken uitjes en een appeltje erbij. Mijn gezin gruwt ervan. Het aantal soorten worst is sowieso groter dan eerder in het jaar. De truffelman heeft ook betere truffels dan in de zomer. De lunch die je hier bij elkaar kunt scharrelen is veel lekkerder en rijker dan in de zomer.

Er is een tijd geweest dat ik in deze tijd naar Roncq reed, een kleine 250 kilometer, om daar bij de Auchan boodschappen te doen. Dozen wijn maar ook een half lam in een tempex-doos. Zakken met groenten voor pot-au-feu, wortel, prei, navettes, ui, selderij, noem maar op. Je kon de bouillon al ruiken. Kistjes met allerlei soorten paddestoelen. De auto zakte ver door de veren bij de terugreis.

Overigens kocht ik toentertijd nog de lekkerste sigaret ooit in Roncq. Tegenover de kerk zat de tabac die Boyards maïs verkocht. Ik nam dan een paar sloffen mee. De sigaretten zijn op enig moment door Brussel verboden. Te lekker waren ze.

Een andere herinnering aan een supermarkt is in l’Aigle, Normandië. Daar hadden we ooit een huisje gehuurd in de herfst en gingen boodschappen doen bij de lokale E.Leclerc. Er stond in de supermarkt een afgesloten glazen kast waar je jachtgeweren kon kopen. Dat vond ik heel mooi. Het idee dat je zelf je eten bij elkaar schiet en dus ook een directe band heb met het dier dat jij doodt. En zo’n geweer koop je gewoon de E.Leclerc.

Parijs

Tja Parijs. Parijs in de herfst is het allermooist. De geur die dan in de parken hangt is hemels en verleidt je om altijd weer terug te komen. Het gevallen blad geeft een zoete geur af, de paden zijn altijd wat vochtig en de mensen bewegen zich nog langzamer voort. Een beetje zitten in de bleke najaarszon op een bankje, liefst met je geliefde. Stil.

De maanden in Parijs heb ik doorgebracht wandelend van park naar park. De Bd Saint-Germain af naar de Jardin des Plantes. Onderwijl boodschappen doen op de Place Maubert, wijn, brood, kaas en worst. Slenteren door de straten is in de herfst heerlijk.

Ben je iets later in het jaar dan verandert Parijs in een uitbundige Kerststemming. Lichtjes, bomen, de geur van kastanjes op straat.

En overigens is het ook heerlijk om als het vroeg donker wordt te winkelen. Niet alleen de grote warenhuizen maar ook wandelen over de Rue du Faubourg Saint-Honoré is voor mij de ultieme najaarstractatie. Ergens een marc drinken als het te koud wordt en licht aangeschoten weer verder gaan.

En altijd even naar het graf van Sartre en Beauvoir natuurlijk. Zeker in de herfst.

L’Automne dus

Ik geef toe: de herfst is sowieso mijn favoriete tijd van het jaar. De warmte verdwijnt langzaam, de dagen worden korter, het licht wordt anders en de geur is heerlijk. Ik had dat als kind al. Maar sinds mijn verblijf in Frankrijk weet ik dat het ideale land in de herfst gewoon zuidelijk van ons ligt. Zo ver is het niet eens en als je de moeite neemt om wat te rijden kom je in een andere sfeer. Wat ik al schreef: gewoon een dag op en neer naar Lille bijvoorbeeld om daar van de stad te genieten en op de terugweg even stoppen in Roncq.

Een hotelletje boeken in Parijs en een paar dagen je laven aan een ander Parijs, een stad met een ander tempo. Maar ook een tikkie verder langs de Loire een reisje maken en kastelen bezichtigen. De Bourgogne waar in de herfst eigenlijk niks te doen is maar waar je fantastisch kunt eten.

En dus altijd weer in oktober naar Carcès. Als ik eenmaal van de snelweg afga en langs Brignoles en Le Val zo naar huis rij, word ik heel gelukkig. Gewoon zíjn en verder niets. Dat is mijn streven. En dat lukt daar volop.

De Côte d’Azur is niet alleen heet, saai en over the top. (*)

De natuur, de mooie stadjes en alle culinaire genoegens langs de Côte d’Azur kunnen je zomaar afleiden van allerlei culturele hoogtepunten. Er is al zoveel te zien! En toch nodig ik je uit voor een trip langs de Côte waarin grote en kleine cultuur centraal staan. Mijn subjectieve keuze en er is natuurlijk veel meer. We beginnen in Marseille en reizen een driehonderd kilometer.

Dag 1: Marseille.

Met zo’n 300 kilometer voor de boeg snuif ik de zeelucht op. Links van me zie ik de oude haven van Marseille, druk, levendig, warm. Tegenover me zie ik het Palais du Pharo en als ik naar rechts kijk zie ik de blauwe Méditerranée. De zee waarlangs we de komende dagen zullen rijden. Het begint hier en het eindigt in Monaco. Op zoek naar kleine culturele verrassingen.

Ik zie dit allemaal vanuit een grote culturele verrassing: het Mucem. Aan de kop van de haven lijkt het een groot blok zwart metaal. Een prachtig gebouw met altijd mooie exposities. Mucem is niet heel groot en dat maakt het zo aangenaam. Je kunt alles tot je door laten dringen zonder de uitputting van bijvoorbeeld het Louvre. Mucem legt ook altijd de connectie met Noord-Afrika, de Maghreb. Altijd verrassende exposities. Vaak prachtig, soms helemaal niet. Ben je er klaar mee? Gewoon wat drinken op het aangename terras en van binnen door het skelet naar buiten kijken. 

Als we naar buiten gaan lopen we richting de oude haven en daar links naar boven, Le Panier in. De oude wijk waar je veel street art vindt en hier en daar ook kleine galerietjes. Sommige vol met kitsch, sommige met verrassend mooie kunst. De sfeer is hier altijd top. Maar ik kom ook voor een ander museum: La Vieille Charité. Je zou er zomaar voorbijlopen, maar doe dat vooral niet. Door de poort naar binnen en je komt in een soort enclave van prachtige architectuur met altijd interessante kunst. De laatste keer dat ik er was hingen er hallucinante doeken van vijf bij zeven vol kleuren. Het was prachtig. En als de kunst wat tegenvalt dan is er genoeg te zien aan de barokgebouwen.

Weer naar buiten, richting haven en weer naar links. Op weg naar cultuur? Zeker. Naar een museum? Niet echt, maar wel een soort van: Maison Empereur. Een winkel, een quincaillerie van bijna tweehonderd jaar oud. Meer dan duizend vierkante meter van aaneengeregen “winkeltjes” waar al die tijd weinig aan is gewijzigd. Als je iets van Marseille wil voelen moet je hier naartoe. Alles kun je er krijgen. Een tijdmachine is het. 

Na een goede lunch in de haven stappen we op de boot naar Château d’If. Een oud fort (1531), lang gebruikt als gevangenis in de zinderende hitte. Als je er rondloopt kun je je voorstellen hoe het moet zijn geweest als gevangene. In de verte Marseille en geen enkele kans om daar te komen. Er is een kleine expositie over een literair werk, De graaf van Monte-Christo. Pure fictie met dit fort als plaats van handeling. Van filmposters tot een ets van Dürer, het is hier allemaal te vinden. Vreemde plek eigenlijk. Wel erg leuk om te bezoeken, al was het maar vanwege de boottocht.

Maar we moeten door.

Dag 2: Îles de Porquerolles

Na een goede nacht in een hotel aan de haven rijden we langs de kust. Een korte stop in Cassis voor een koffie, heerlijk als altijd. Even langs de Calanque de Port-Miou voor het prachtige uitzicht en dan door naar Toulon. Hier is niet zoveel te vinden, hoewel de haven wel heel aangenaam is. We rijden nog zo’n dertig kilometer door naar het uiterste puntje bij Giens, La Tour Fondue, om daar de boot te nemen naar Porquerolles. Ook een vast stekkie. Fiets huren en je kunt in een dag het hele eiland zien, inclusief wat forten, de vuurtoren en strand. Ga in ieder geval naar de Batterie des Mèdes, op het uiterste noordoostelijke puntje van het eiland. Het is een eind lopen maar zeer de moeite waard. Een prachtig bouwwerk en een adembenemend uitzicht. Bezoek ook de Église Sainte-Anne de Porquerolles, een kleine mooie stemmige kerk. En daarna wat drinken bij een van de restaurants op de Place d`Armes.

Wat voor mij als fervent lezer ook van belang is: Georges Simenon heeft hier gewoond en een van zijn boeken speelt zich hier af: “Mon ami Maigret”. Niets meer van terug te vinden, maar als je het boek leest proef je sfeer van dit eiland. Een oase in de zee. 

Een dag op het eiland maakt je rozig; we varen terug naar Giens om daa in de buurt te overnachten.

Dag 3: Saint-Tropez en Saint-Raphaël

De volgende dag gaan we richting Saint-Tropez, de D559 af. Dorpjes onderweg om van te smullen en dan het liefst tijdens een lunch. Gegrilde sardientjes of dorade met een petit blanc en je kunt weer een hele middag verder. 

Saint-Tropez bezoeken we vooral voor het stadje achter de haven en buiten het hoogseizoen. De haven is een tourist trap, terwijl als je iets verder doorloopt merk je hoe relaxed het hier kan zijn. Ik hou vooral van de wijk rond de voet van de Citadel. Rustig, een paar goede restaurantjes en een mooie klim naar boven. Maak die klim vooral! Vanaf de citadel heb je een geweldig uitzicht over de baai van Fréjus tot Sainte-Maxime. Eenmaal boven is er een klein leuk museum, het Musée d’histoire maritime. Mooi vormgegeven én je krijgt een inkijkje in het oude Saint Tropez. Philippe Starck heeft een van de ruimtes ingericht. 

Verder door Sainte Maxime naar Saint-Raphaël. Hier gaan we overnachten in een hotel aan de boulevard. Tja, los van zon zee en zand, is er in Saint-Raphaël iets te beleven? Je kunt naar het Musée Louis Funès natuurlijk, maar ik heb daar niet heel veel mee. Zijn films hebben me nooit kunnen bekoren. Maar er is een festival in Saint Raphael dat heel cultureel en dierbaar is.

Jaren geleden liepen we het stadje in vanuit datzelfde hotel. De boulevard Félix Martin in en toen hoorden we muziek, oude muziek en zang. Op de Place Pierre Coullet was een Provençaals muziekfestival gaande. Een toevalstreffer, maar je kunt het dus gewoon treffen. Muziek, eten, drinken, weinig toeristen en heel veel lokale bewoners. De sfeer was top, warm en zoel, de mensen gezellig en gastvrij en het werd een mooie zomernacht. En nee, dit is geen museum maar wel een kijkje in de culturele rijkdom van de Provence. Men zong er liederen in het Provençaals, wat zacht en rond klinkt, en we konden volop dansen. Dat was toen, maar het is een jaarlijks festival. Kijk op de site van de stad wanneer het precies is en zorg ervoor dat je het net zo treft als wij toentertijd. 

En het hotel is weer prima met vanuit het bad zicht op de zee.

Dag 4: Cannes en Nice

Na het ontbijt op naar Cannes. Dat is voor ons altijd een feestje. Natuurlijk is het heel toeristisch maar daar kun je doorheen kijken. Op de Rue d’Antibes lopen lokale bewoners van allerlei snit in de schaduw van de bebouwing. Stokoude chique vrouwtjes die langzaam voortgaan, zakenlui die haast hebben. Hier, en niet op La Croisette zie je het oude Cannes. We gaan altijd naar twee plekken: de Marché Forville en Le Suquet. 

De overdekte Marché is heel Frans. Alles kun je er kopen voor een prijs per kilo. Je gooit alles in een mandje, het wordt gewogen en je rekent af. Je vindt hier de culinaire cultuur van de Provence. Truffels, allerlei soorten boontjes (flageolet de coco) en poeder van cèpes. Kost wat, maar koop dat vooral. De rest van het jaar smaakt alles beter. Le Suquet is een prachtig stukje Cannes. Krap, overvol en authentiek. En als je van oudheden houdt bezoek dan het Musée de la Castre. Sowieso een mooie plek met mooi uitzicht maar ook een heel prettig museum.

Oh, en vergeet niet naar Ladurée te gaan om de lekkerste macarons ooit te kopen!

Vanuit Cannes is het zo’n veertig kilometer naar Nice. Hier gaan we overnachten in een fijn hotel in het centrum. Na inchecken gaan we de stad in, wandelen. We lopen richting de Promenade des Anglais en dan langs de zee naar het Negresco. Voor het eerst stappen we naar binnen de bar in. Een museaal hotel dat ruikt naar vergane glorie. Nog altijd prachtig maar zeer gedateerd. De reden dat je toch moet gaan is dat het prachtig is. Een heerlijke cocktail bestellen en wat rondlopen in de grote koepelzaal. Vol met kunst waar je stil van wordt. Zelfs de toiletten stralen rijkdom, historie en extravagantie uit. We relaxen en genieten.

Dag 5: Nice

De volgende ochtend gaan we wandelen. We hebben niet helemaal beseft waar we aan zijn begonnen. Ver is het niet maar het is flink klimmen. Waar we naar toe gaan? Een van de mooiste en fijnste musea die we hier kennen: het Musée National Marc Chagall.

Samen met Mucem is dit het omrijden waard. Waar veel andere musea je een inkijkje geven in de geschiedenis of een overzicht bieden van allerlei werk is dit een archetypisch museum. Geheel Chagall en als je binnen bent merk hoezeer Chagall onderdeel is van ons collectief geheugen. Je herkent alles direct, ook al zie je het voor het eerst. Trek hier echt tijd voor uit. Ga zitten op een bankje en kijk gewoon naar één werk. Lees erover. Leer over het merkwaardige leven van de man. Adembenemend is dit. Het museum zelf is heel mooi en licht en er is een fijne tuin. Hier moet je de tijd voor uittrekken, lezen over al het werk, alles op je in laten werken. Prachtig.

Later op de dag huren we fietsen en rijden we de stad uit richting de Colline du Château. Langs de Marché aux Fleurs (mooi stukje Nice) helemaal naar boven tot aan de twee kerkhoven. Prachtig uitzicht en een fijne rit. En als we terugfietsen doen we twee kerken aan. De kathedraal van Sainte-Réparate die groot, mooi en imposant is, en de Église Saint-Jacques-le-Majeur de Nice. Veel bescheidener qua omvang maar zo rijk qua inrichting. Een devote katholieke plek. Dat voel je aan alles.

Dag 6: Monaco

Op onze laatste dag gaan we naar de laatste stop: Monaco. Voor de musea? Nou, niet echt. Sterker nog, voor mij is Monaco een levend museum van overweldigende rijkdom. Je kijkt om je heen en je ziet een automuseum bij het Casino, een botenmuseum in de Port Hercule en natuurlijk een mensenmuseum van de zeer rijken. Maar als je dan toch iets van kunst wil meemaken, ga dan naar de tuin achter het casino. Prachtige beelden en objecten. Mooi en verrassend, gewoon in de open lucht. Je kunt door de kunst heenlopen. En natuurlijk met schitterend uitzicht op zee. Loop ook even het casino in. Het kan en daarom moet je het doen. 

Er is één museum dat ertoe doet, het oceanografisch museum. Spectaculair gebouwd aan zee en een koddig onderzeeërtje voor de deur. Een leuk informatief museum met een mooie collectie. Van levende vissen tot aan gigantische skeletten.

De wijk rond het paleis is zeker heel druk maar wel de moeite waard om gewoon eens doorheen te gaan. Het paleis op zich vind ik wat tegenvallen maar de ambiance is bijna dorps. En je vindt er een van de mooiste panoramische punten die ik ken. In één blik overzie je een heel land. Best bijzonder. Je kunt er ook lekker eten bij een achtergebleven Amerikaan, Tony. Prima plekje en tegenover het paleis. 

We zijn er. De driehonderd kilometer vanaf Marseille zitten erop. Hadden we meer kunnen zien? Vast wel. Kathedralen die we niet bezocht hebben, het Musée de la Légion Etrangère in Aubagne dat we links hebben laten liggen, het Musee Renoir in Nice en ga zo maar door.

Toch was onze trip een mooie mix van hoge en lage cultuur, van geest en lichaam en steeds vol liefde voor Frankrijk.

  • Mucem, 1 Esp. J4, 13002 Marseille
  • La Vieille Charité, 2 Rue de la Charité, 13002 Marseille
  • Maison Empereur, 4 Rue des Récollettes, 13001 Marseille
  • Calanque de Port-Miou, 50 Avenue des Calanques, 13260 Cassis
  • La Tour Fondue, 83400 Hyères
  • Église Sainte-Anne de Porquerolles, Place d’Armes, 83400 Hyères
  • La Citadelle de Saint-Tropez – Musée d`Histoire Maritime, 1 Mnt de la Citadelle, 83990 Saint-Tropez
  • Musée Louis de Funès, rue Jules Barbier, 83700 Saint-Raphaël
  • Website Saint-Raphaël: ville-saintraphael.fr
  • Marché Forville, Rue de Marché Forville, 06400 Cannes
  • Musée de la Castre, 6 Rue de la Castre, 06400 Cannes
  • Ladurée, 79 Rue d’Antibes, 06400 Cannes
  • Le Negresco, 37 Prom. Des Anglais, 06000 Nice
  • Musée National Marc Chagall, Av. Dr. Ménard, 06000 Nice
  • Cimetière de Château, All. François Aragon, 06300 Nice
  • Cimetière Israélite, All. François Aragon, 06300 Nice
  • Marché Aux Fleurs Cours Saleya, Cr Saleya, 06300 Nice
  • Cathédrale Sainte-Réparate de Nice, 3 pl. Rosetti, 06300 Nice
  • Église Saint-Jacques-le-Majeur de Nice, 1 Rue du Jésus, 06300 Nice
  • Casino de Monte-Carlo, Place du Casino, 98000 Monaco
  • Musée Océanographique de Monaco, Av. Saint Martin, Monaco

(*) ook gepubliceerd in En Route, nummer 177, Nazomer 2022.

Een stille begrafenis.

Carcès is een klein dorp dat steeds kleiner wordt. Een krimpende gemeenschap. Sinds 2015 is het dorp met zo’n honderd mensen gekrompen tot 3380 inwoners.

Jongeren trekken weg naar Aix, Toulon of Marseille. Op naar een goede opleiding of werk. De jonge mensen die achterblijven werken wat in de schaarse lokale horeca en retail of in de wijnbouw.

Ouderen zijn er volop en gaan op een dag dood. Na een meest lang en gezegend leven. Vaak in niet al te beste materiële toestand maar wel in goed welzijn. Het dorp is vergevingsgezind voor hen die er blijven. Het tempo is laag, het klimaat lekker en de dag beginnen met een koffie en een croissant is prima. En op een dag zit het leven erop en sterft iemand.

Ik heb in de loop der jaren al veel uitvaarten meegemaakt, van een afstandje, dat wel. Ik loop dat ‘s morgens naar het dorp en op weg naar Bar Central zie ik de zwarte uitvaartbus al staan. Het is altijd een bus. Vijf mensen erbij minimaal. Vier om de kist te dragen en een om voor te gaan. Wachtend.

Dan luiden de klokken, loom en gepast. De pastoor komt in vol ornaat naar buiten, de kist wordt uit de bus geschoven, de pastoor zegent de kist en schouders gaan eronder. De kist wordt de kerk ingedragen met erachter iedereen die de uitvaartdienst wil bijwonen.

De laatste keer vond ik verdrietig. Niet meer dan tien oude mensen stonden te wachten en liepen de kerk in. Tien. Ik heb uitvaarten gezien met meer dan honderd mensen gezien, luidruchtige uitvaarten met vijftig motorrijders. Dit was de kleinste ooit.

Ik zat op het terras met mijn jongste zoon en we spraken over het waarom van die heel kleine uitvaart. Waarschijnlijk een heel oude persoon met nog maar een heel klein netwerkje. Een vol leven dat eindigt als een stipje in de geschiedenis.

Het zet je aan het denken hoe het jou zal vergaan.

De koffie en de cacolac waren op en we gingen naar huis. Later die dag nog teruggegaan om twee kaarsjes aan te steken. Een, zoals altijd, voor al mijn geliefden en de ander voor die voor mij onbekende.

Droogte in Frankrijk

Vlakbij ons dorp ligt een meer, het Lac de Carces. Het is zo’n 2,5 kilometer lang en op z’n breedst 700 meter. Een kronkelige weg gaat er langs en het is er altijd druk. Zwemmen mag je er niet en erop varen is ook ten strengste verboden. Vissers vind je er volop. Een mooi meer, bedoeld als watervoorziening in de Var tot en met de stad Toulon. Een belangrijk meer dus ook.

Er zijn jaren dat het water laag staat maar zo laag als dit jaar hebben we het nog niet eerder gezien. Meters onder het normale peil. Er zijn zoveel stukken geheel drooggevallen dat die veranderd zijn in groene weiden. Het enige dat ontbreekt zijn de koeien.

Het is droog in de Var. Al maanden heeft het er nauwelijks geregend en als het al regent, zoals afgelopen week, dan verdampen de dikke druppels op het moment dat ze de grond raken.

Het is zo droog dat de lokale bewoners niet gewoon klagen, want dat doen zij bij ieder weer, maar bezorgd zijn. Een beetje hete zomer is goed voor de wijn, meer smaak, meer gecorseerd, maar deze zomer is toch echt anders dan de eerdere, zo zegt men. Het is niet gewoon warm maar onrustbarend warm.

We hebben zomers meegemaakt waarin de temperatuur opliep tot 40 graden plus. Op sommige dagen. Die temperatuur is dit jaar redelijk normaal. De nachten zijn niet meer koel, zo rond de 16 graden maar warm. 23, 24 graden gemiddeld. Iedere nacht weer.

Ik heb een boek laten liggen op een vensterbank en dat boek was door en door warm de volgende ochtend. Echt warm.

Weer is geen klimaat, klimaat kun je vaststellen door langdurig het weer te bestuderen, te volgen, en te vergelijken met eerdere periodes. Aan de hand van een jaar voortdurende droogte en hitte zal ik geen uitspraak doen over klimaatverandering. Sterker nog: ik ben geen klimatoloog en ik heb er dus geen verstand van.

Wat ik wel weet is dat de lokale bewoners verontrust zijn. Dat zij iets zien dat zij niet eerder hebben meegemaakt. Iets dat niet goed is.

Ik relativeer dingen graag om niet overal een crisis in te zien, of de ondergang van het Avondland. Ik relativeer de hitte in de Var dus ook en ik wil er geen voorbode in zien van iets dat onbeheersbaar is en daarmee zware gevolgen zal hebben.

Maar ik ben er niet gerust op.

Diep in Frankrijk, waar niets gebeurt?

Een typisch Frans dorp, ver weg van Parijs, diep in het zuiden. Mensen om half elf ’s morgens op het terras achter een biertje of een p’tit blanc, kletsend, rokend. Lome sfeer omdat het wederom een warme dag zal worden. Hier en daar een verdwaalde toerist met een croissant achter een kop koffie. Zich verbazend dat je hier je meegebrachte croissants gewoon op het terras mag opeten. In je eigen land zou je weggejaagd worden.

Een hoofdstraat met drie boulangers, een slager, twee kleine supers en nog het een en ander. Veel is het niet.

Veel is het wel geweest. Er was een Presse, met een kale altijd goedgehumeurde eigenaar die kranten verkocht van over de hele wereld. En speelgoed. En pennen en papier. En asbakken. En snoepgoed. En de Gala. Hij verkocht van alles, behalve sigaretten. Daarvoor moest je naar een van vier buralistes die dat wel mochten. De kale eigenaar had er altijd goede zin in. Tot op een zekere dag hij dat niet meer had. Les Mousquetaires, de supermarkt net buiten het dorp, verkocht opeens ook tijdschriften. Niet veel later stopte hij ermee. Hij vond het niet meer leuk. Zijn winkeltje werd overgenomen door de eigenaar van de supermarkt die het weer aan zijn dochters gaf. Alles werd verbouwd, de dochters bleken geen enkel talent te bezitten (of het moet het volstrekt negeren van klanten zijn geweest) en niet veel later was de winkel leeg.

Er zit nu een makelaar.

Van de vier buralistes zijn er nog twee over. Annex barretje, dat helpt. Er was ook ooit een speelgoedwinkel. Hadden veel Lego en de zonen konden er naar hartelust rondkijken. Soms kocht ik wat voor hen en de eigenaren waren leuke kindvriendelijke mensen. Ze stopten ermee en toen kwam er een jongere dame die het niet op kinderen had. Zelden in een speelgoedzaak zoveel chagrin tegengekomen. Ze kreeg het voor elkaar dat de zonen er niet meer naartoe wilden. Exit speelgoedzaak. Even heeft er nog een hamburgertent gezeten, maar hier eet men liever pizza. De pizzatent is er nog, Totolina.

Een echt Frans dorp dat ooit vol leven was. Restaurants, winkeltjes, ontmoetingsplekken, drukte. Maar de wereld verandert. Toeristen willen meer luxe, meer winkels bij elkaar met een breed assortiment. En ook de lokale bewoners kopen liever bij de Ecomarché omdat dat voordelig is. Alle crises hebben hier flink toegeslagen. Het inkomen is laag en iedere euro is er een. Dus ook de salle à manger op de foto is reeds lang gesloten. Het grootste hotel, het enige hotel van het dorp is dicht. Het wordt nu verbouwd en de gevel doet vermoeden dat er weer groots gelogeerd kan worden op termijn.

In de loop der jaren is het dorp minder druk geworden met winkeliers en andere neringdoenden. Af en toe een toerist die graag goed brood koopt en zich God in Frankrijk waant op het terras van Le Central.

Maar er is meer. Er komen weer nieuwe zaakjes terug. De groenteboer die ermee was gestopt, geen opvolging, liet een lege zaak achter. Ene Marie is gekomen en heeft er nu weer een bloeiende zaak van gemaakt voor de lokale bewoners. Net zo duur en vaak goedkoper dan de supermarkt: Chez Marie Fruits et Légumes. Er is een koekjeswinkel gekomen waar je allerlei lokale lekkernijen kunt kopen. De lokale ‘troisfoisrien’ is er ook nog steeds. Telkens een andere mevrouw die de scepter zwaait, maar je kunt er voor een habbekrats van alles en nog wat kopen.

Het dorp is veranderd. En het oude dorp zal niet meer terugkomen. Vroeger is dood, dus het is hoe het is.

Als je goed kijkt zie je door alles heen ondernemingsgeest, zorg voor de lokale economie en de wil om er iets van te maken. Dat hebben ze hier volop. Niet bij de pakken neerzitten, maar doen. En intussen stemt een meerderheid op RN. Dat dan weer wel. Een meerderheid van een minderheid die is gaan stemmen. Met wantrouwt Parijs en vindt tegelijkertijd dat Parijs meer moet doen voor de lokale economie.

Er gebeurt dus veel maar in zo’n laag tempo dat je het bijna niet waarneemt. Goed opletten en blijven kijken dus. De vertraging verdragen, dat moet je wel kunnen.

Wat makkelijk is als het hier al meer dan twintig jaar komt.

De dood en de levenden

Onlangs schreef ik over de dood van mijn vader. Over hoe hij in de oorlog uit Oostenrijk naar Bretagne was gelopen met een stel kameraden. Ik schreef dat ik een kleine foto heb van die tijd in Bretagne, hoe hij een koe zit te melken.

Het geheugen is een van de minst betrouwbare bronnen om op terug te vallen en te vertrouwen. Die foto bestaat, genomen door mijn vader en hij staat er dus niet op. Wel heb ik een foto van hem gevonden in het struweel, gekleed in te grote vuile kleren.

Omdat sinds de dood van mijn vader ik tot de levenden behoor die hem nog koesteren: hierbij die foto. Genomen ergens in de buurt van Quimperlé, Bretagne.