We worden onderdrukt.

Het echte, platte, gewone leven saai vinden. Je zal het maar hebben. Dat je naar buiten kijkt en denkt ‘dit lijkt allemaal wel zo, maar er is natuurlijk meer aan de hand’. En dan ga je zoeken en, verdomd, je vindt aanwijzingen dat er inderdaad meer aan de hand is.

Je kijkt naar het ophalen van het huisvuil en opeens valt je op dat er een nieuw iemand meeloopt. Niet eerder gezien. En hij zet de containers wel weer terug aan de weg maar laat het ophalen aan de ander over. Hij heeft ook een ander soort schoenen aan. Niet van die zware met dikke rubber zolen maar sportievere. Te nieuw ook. Er zijn meer gekke dingen.

Voor hij de container terugzet lijkt het wel of hij er iets ingooit. Met een swingend handgebaar neemt hij de container aan en daarbij wipt het deksel iets op. En dan doet hij iets met zijn rechterhand. Snel, te snel.

En wat nog het meest opvalt: hij zet alle containers perfect recht langs de stoeprand weer terug. Dat gebeurt echt helemaal nooit! Je moet ‘m altijd ergens bij de buren halen waar er gewoon drie of vier bij elkaar staan. Deze nieuwe vent is veel te netjes. Er klopt iets niet.

Je vergeet het weer.

Tot je in het dorp loopt en Handhaving aan het handhaven is. Er worden bonnen uitgeschreven en parkeerders aangesproken. En hoewel je ze inmiddels allemaal wel een keer hebt gezien loopt ook hier er opeens een tussen die te netjes is. Het valt je weer op. Hij blijft beleefd tegen overtreders, rustig. Betere schoenen en zijn uniform is heel nieuw. Hij kijkt veel om zicht heen. Hij ziet jou en hij knikt vriendelijk tegen je. Bijna alsof hij je kent of herkent. Hij kijkt je na en als jij omkijkt draait hij zich snel om.

Je vergeet het weer.

Op Facebook krijg je een post van een vriend die denkt dat de overheid zijn dorp aan het overnemen is. Niet alleen weigert hij een mondkapje te dragen, bewijs van slavernij, maar hij wordt ook boos als hij daarop wordt aangesproken. En dat is laatst gebeurd. Hij werd een winkel uitgewezen en buiten werd hij aangesproken door een BOA. Een keurige vent, daar niet van, maar wel een onderdrukker. En hij werd een paar keer gebeld op zijn mobiel en dan werd er snel opgehangen.

Daar heb je het: een keurige vent! Een ambtenaar. Een BOA.

Je gaat beter opletten in jouw eigen omgeving en op tv. Je ziet zogenaamde Romeo’s optreden op het Malieveld. Agenten in alledaagse kledij die opeens mensen arresteren. Je leest over ambtenaren die vuilniszakken controleren in Amsterdam en dan mensen bekeuren. Opeens moet je denken aan die man van KPN die laatst kwam vragen of je ook op glas over wil gaan. Dat ze dan in je huis moeten zijn. In de kruipruimte. Die vent zag er ook niet uit als een werkman. Meer als een keurige ambtenaar. En opeens kreeg je daar ook mail over. Hoe komen ze aan mijn mailadres?

In feite leef je in een wereld waarin ze bezig zijn je te controleren en aan te sluiten op hun netwerk. En waarom? Om de nieuwe slavernij te vestigen. Burgers worden geslachtofferd aan de overheid. Er is teveel toeval. Het kan niet allemaal zomaar gebeuren. Er is meer aan de hand. Je verliest je in Facebook en omdat je WA niet meer vertrouwt download je Signal waar een kennis van je ook zit. Een kennis wiens moeder opeens ziek werd na het bezoek aan een corona-teststraat. Een week later was ze dood. Een oom idem. Daarover wordt veel met elkaar gesproken op social. Het wordt je ook duidelijk dat de MSM, dat journalistentuig, daar allemaal geen aandacht aan besteedt. Niets hoor je over al die doden. Ouderen, jongeren, kinderen, ze worden allemaal weggepoetst in de statistieken. En die zijn ook al niet betrouwbaar. De echte statistieken, je ziet ze op Facebook, worden verzwegen. Het is niet meer dan een griep en al die doden, hoorde je laatst, zijn het gevolg van een heel groot experiment. Daarvoor moet je worden gevaccineerd: dat je geen weerstand meer biedt en dat je accepteert dat je onderdrukt wordt.

Nooit zul je dat accepteren. Je neemt maatregelen. Je vuil breng je weg naar de stort, snel, anoniem. Je neemt een ander mailadres en een ander nummer. Je let nog beter op. Op straat, in de supermarkt. En dan nog iets: nooit zul je je laten vaccineren!

Je vrienden, de wakkeren hebben gelijk, volgende week zul je erbij zijn op het Malieveld.

Oranje

Voetbal is niet iets waar ik uit mezelf naar kijk. Ik ken vrijwel geen namen van voetballers, ik weet niet welke teams er in de Stoelgangcompetitie spelen en als het over het buitenland gaat ken ik maar een paar namen van teams. PSG, Olympíakos, Olympique Lyon (kom vaak langs het stadion), Spartak Moskou en HSV. Dat ongeveer.

Maar deze week heb ik toch even gekeken en twee wedstrijden deels gezien. Een met oranje, tegen Oostenrijk (Zweigelt – vooral van Heinrich of Umathum – is top) en een met Italië.

Ik kan er kort over zijn.

Italië speelt met een flair en een durf die navolging verdienen. Een ballet op het veld. Altijd aanvallend, de ruimte zoekend, elkaar aanspelend. En steeds met een plezier onderling waar de schoonheid van afspat. Geen idee hoever zij komen maar wat een genot om naar te kijken.

Oranje speelt als een boekhouder en actuaris. Rekenend, beetje achterin hangen en breed spelend. De tegenstanders murw makend met een 10-1 systeem: tien in de verdediging én een keeper. En dan hopen op Dumfries, de enige speler die overal was en wil winnen. De rest wil niet verliezen.

Nogmaals: geen idee welk team verder komt maar het oog wil ook wat. In sport heeft heroïek een plek. Waarom is Hinault een geweldige wielrenner en Indurain niet. Precies.

Hup Holland Hup.

Een e-book is tekst, geen boek

Jaren geleden kreeg ik voor, ik meen, vaderdag een Kobo e-reader. Ik was daar heel blij mee. Als ik op vakantie ga dan nam ik altijd een koffer boeken mee. In drie weken las ik dan een boek of 15 en die moesten mee in de koffer. Het kwam voor dat ik zonder boek kwam te zitten en dat was niet fijn.

Twee vliegen in een klap: minder boeken mee want alles stond op één device én ik kwam niet zonder boek te zitten.

Een Kobo dus en al snel stonden daar tientallen boeken op. Van Baldacci tot Isaacson. Van de Bijbel tot Hemingway. Fictie en non-fictie en science fiction (van de geweldenaar PKD). Ik had kortom een hele bibliotheek tot mijn beschikking.

De eerste vakantie nam ik dus vijwel geen boeken mee maar wel mijn Kobo. Het ding is simpel te bedienen, oogt mooi en past perfect in mijn hand. Wat me direct opviel is hoe traag ie is. Mijn leessnelheid is redelijk hoog en een fysieke pagina omslaan gaat in milliseconden en op de Kobo duurt het een lichtjaar. Naar mijn gevoel.

Maar goed, het ding ging mee in de koffer. Naast een aantal boeken natuurlijk.

En ik moet zeggen, de eerste dag naar het Lac de Sainte-Croix zat ie in de tas en ik heb volop gelezen. Ik hou van heel licht reizen, hoe minder spullen des te beter. Lichte tassen, weinig spullen en dan is zo’n Kobo ideaal. In de felle zon moest ik even wennen aan het scherm, beetje somber. Ik moest wennen aan het “omslaan” van de pagina. Maar zoals het met alle nieuwe dingen is: je went eraan en dan gaat het goed.

Ik las, zonde, zwom en las. Prima.

Eenmaal terug legde ik de Kobo weg en pakte ik een boek. En opeens drong het verschil tot me door: op een e-reader lees je tekst en geen boek. Met een boek lees je een boek.

Wat is het verschil?

Boeken. Ik kan me geen leven voorstellen zonder boeken, fysiek aanwezige boeken. Neem nou dit boek:

Ik heb dit boek op 19 maart 1986 gekocht in Utrecht. Op de omslag staat een foto van Sartre in uniform. Hij was opgeroepen tijdens de zogenaamde Schemeroorlog en deed dienst bij de Meteorologische dienst van het Franse leger. Ik had al heel veel van en over hem gelezen en ik herkende de foto. 1939 en 1940, de jaren die in deze dagboeken aan de orde komen. Ik wist van deze tijd en ik wist dat bij Gallimard in 1983 “Les Carnets de la drôle de guerre” waren verschenen. En nu in Nederland.

Uitgegeven in de privé-domein reeks die ooit was opgezet door wijlen Martin Ros. Een boekengek met een neus voor kwaliteit. Een mooie reeks met grote namen en grote titels. De uitgeverij is de Arbeiderspers. Mijn moeder spaarde geld om de boeken van AP te kunnen kopen. Mooie titels, uitgegeven in hard cover met meestal een linnen coating. Ik heb de meeste van die boeken nog staan in de kast. Ik heb ze alle gelezen.

Je weet vooraf welk papier gebruikt wordt voor deze reeks: dik, wat gelig papier waar een klein ribbeltje in zit. Een mooie klassieke letter en de paginanummering altijd tussen haken.

Als je je vingers over het papier laat gaan voel je weerstand. De geur is specifiek. De boeken vallen altijd mooi open. Ze zijn niet heel zwaar en ze zijn heel handzaam in het lezen.

Je gaat lezen. De eerste pagina’s gaan er doorheen, je slaat pagina na pagina om en je verdwijnt in de tekst. Opeens lees je iets over Paul en je denkt ‘wat was er eerder met Paul?’. Pagina na pagina ga je terug en je leest weer stukjes tekst tot je bij de passage komt die je zocht. Ik sta op, loop naar de kast en pak je de Brieven aan Castor van Sartre. Ik lees daarin de passage over Paul van 16 november 1939. Iets anders qua weergave. Sartre schreef dus én een dagboek én brieven aan Beauvoir én hij werkte aan filosofisch werk.

Wat een boek is, is een universum dat zich voor je opent. Van omslag tot leeservaring. Van gevoel tot geur. Je kunt erin bladeren, het wegleggen, oppakken, doorbladeren, streepjes zetten, ezelsoren in maken. Een ding van waarde en die waarde komt niet alleen niet tot stand door louter de tekst.

Een e-reader is heel functioneel en je leest inderdaad de tekst gevat in letters. Altijd hetzelfde lettertype, dezelfde opbouw. Alsof je een handleiding leest die vooral functioneel moet zijn. Wat ik mis is het geheel van boek als ding en boek als inhoud en hoe die twee samenhangen, elkaar versterken.

Nu is er een nieuw fenomeen dat weliswaar wordt gedrukt maar eigenlijk een gedrukt e-book is: het zelfuitgegeven boek. Vooral in de zakelijke sector. Ik ken inmiddels een aantal mensen dat een boek heeft geschreven en het niet uitgegeven krijgt. Dan doe je dat tegenwoordig zelf. Ik maak een diepe buiging voor hen want ze hebben een boek geschreven en dat komt nog uit ook! Je kunt het kopen en dat doe ik dan ook af en toe. Wat je merkt is dat die boeken allemaal lelijk zijn vormgegeven. Omslag, tekst met titel, eventueel ondertitel en auteur. De sjablonen die worden gebruikt komen uit eenzelfde programma. Dat maakt dat deze boeken zielloos ogen, fletse kleuren, veel grijs en wit. Vooral heel functioneel. En zo benadert een gedrukt boek de tekst op je e-reader.

Mijn leven bestaat uit het lezen van fysieke boeken, zo’n twee per week. Ook op vakantie doe ik dat. Ik heb mijn Kobo altijd bij me en af en toe lees ik daarvan. Niets mis mee.

Maar het blijft tekst en wordt maar geen boek.

J’en ai ras le bol

Avenue Ferrandin, Carcès

J’en ai ras le bol. Ik heb ooit een asbakje gehad met die kreet erop en iedere keer als ik voelde dat ik er schoon genoeg van had, stak ik een Boyards maïs op en dan ging het weer een stuk beter.

En waar heb ik dan nu genoeg van (zonder het met Boyards weg te roken want dat is verleden tijd)?

Ik mis Frankrijk. Ik mis de Fransen. Afgelopen week sprak ik met vrienden die absoluut niet van Frankrijk en de Fransen houden. Zij zeiden ‘ja maar jij bent gewoon verliefd op Frankrijk, terwijl de mensen zo godvergeten arrogant en naar zijn’.

Nu hoor je dat wel vaker. Mijn ervaring is een heel andere. Ok, je moet het niet hebben van Parijs. Dat is toch echt anders dan de rest van het land. Ga ik het ook niet over hebben. Maar de campagne, de Var, waar ik geregeld kom is toch zeker niet zo arrogant en naar. Ik heb altijd de indruk dat men een soort gêne voelt jegens buitenlanders. Men spreekt alleen maar Frans, door Parijs wordt men gezien als kinkels en dan komen die toeristen met hun wereldse houding. Daar sta je dan met je restaurant met plastic tafels en altijd weer dezelfde pizza’s. Zoiets.

Mijn ervaring is ook dat die houding verdwijnt op het moment dat je zelf toeschietelijker wordt. Een beetje Frans spreken, beetje kletsen op het terras, interesse tonen voor mensen et cetera. Dan blijken die Fransen net mensen. Veel plezier in het leven, een scherp oog voor alle scheve verhoudingen in het land en, ja dat is waar, erg behoudzuchtig.

Daar zat ook de kritiek van mijn vriend: Frankrijk staat stil, wil niet vooruit en is een blok aan het Europese been. Als je dan een beetje in de geschiedenis duikt, zeg terug tot 1914, dan ga je al meer snappen van die houding. Dat men altijd wat op de hoede is voor Europa, dat sinds De Gaulle de Republiek sterk presidentieel is geworden, dat de Fransen schelden op Parijs en tegelijkertijd het heil uit Parijs verwachten als het leven tegenvalt. En daarbij, wie zegt dat vooruitgang een intrinsieke waarde heeft? Dat men vooruit moet? Waar staat dat? Is behoud niet ook heel erg mooi. Terroir, comme d’habitude.

Goed, mooie bespiegelingen, maar waar heb nu genoeg van? Waar zit mijn “j’en ai ras le bol”?

Gewoon: dat ik al zo lang niet in de moeilijke, tegendraadse, aartsconservatieve, heerlijke, liefdevolle, complete land ben geweest. En daar heb ik meer dan genoeg van.

La France me manque.

Terugkeer naar Frankrijk?

Carcès als navel van de wereld

Zoals het er nu uitziet ga ik binnenkort naar de Var, naar die berg waarvan ik tientallen kilometers ver kan kijken. ’s Avonds de lichtjes van Entrecasteaux, Saint Antonin, Salernes en verder. Ik verheug me er enorm op. En ik weet dat het voor slechts een paar dagen zal zijn en dat er nog steeds restricties zullen zijn. Maakt niet uit. Ook dan is het prima.

Ik heb natuurlijk al meer geschreven over de Var. Altijd met liefde en heel veel plezier. Al 19 jaar komen we in Carcès en het voelt altijd weer als thuiskomen. Terwijl je niet thuis bent als je er niet woont. Ik kan er niet lang genoeg zijn. De eerste week voel ik nog altijd de druk van Nederland en het werk, de tweede week kom ik al een beetje tot rust en de derde week ben ik pas echt helemaal los. Dan geniet ik het meest. Dan pas val ik samen met het tempo en de sfeer van het dorp. De routines en het kletsen met de locals.

En nu na een zeer lange tijd gaan we terug. Als het kan.

Terugkeren naar je huis op afstand is altijd opwindend en verwachtingsvol. Maanden niet geweest terwijl je wel het weer in de gaten hebt gehouden. Regen, stormen, sneeuw, wateroverlast: je hebt alles voorbij zien komen. Dat zal bij mij niet anders zijn dan bij iedereen: in mijn weerapp zit standaard Carcès en ik volg het weer. En soms vraag ik me af of het wel goedkomt met alle stormen en sneeuw en regen. We wonen in een woonbuurt met verder alleen Fransen en die houden een beetje een oogje in het zeil. Maar goed, je mag niet teveel leunen op de vriendelijkheid van je buren. Je kunt het ook anders regelen.

Wij hebben André, onze steun en toeverlaat ter plekke. Een Nederlander die al lang in het dorp woont en dan nog eens 200 meter bij ons vandaan. We hadden elkaar tot een paar jaar geleden nooit gesproken. Dat klopt dan weer wel, want om bij hem te komen moet je niet rechts de berg op, waar ons huis is, maar links de berg af. En daar kwamen we nooit. Tot we een tip kregen.

Het voordeel van André is dat hij op zijn Nederlands alle werklieden uitkiest: ze zijn betrouwbaar, ze komen op tijd en leveren goed werk.

Afijn: af en toe hebben we contact met hem om te zien of het huis alles overleeft. Wat meestal het geval is.

Maar toch, na een lange rit komen we na de winter aan en dan is het afwachten. Doet de koelkast het nog, hoe ziet het zwembad eruit, is er ergens in huis een lekkage geweest, zijn er takken uit bomen gewaaid?

Pas na jaren kom je er achter hoeveel het kost om een huis gewoon in goede staat te houden. Niet alleen in Euro’s maar ook in tijd. En zeker als je het huis deelt met meerdere gebruikers.

Wat ik heb geleerd is dat alles wat je bijvoorbeeld aan apparatuur hebt, super simpel moet zijn. Zo hebben wij een paar jaar geleden een überhippe koffiemachine gekocht. Prachtig ding en er kwam lekkere koffie uit. Mijn dag begin ik graag met café au lait (wat ik in Nederland nooit drink) bij het ontbijt. Ging super met dat ding. Heerlijke koffie en de melk was zeer schuimig. Vrienden van ons kwamen langs voor een paar dagen, en op de eerste ochtend overleed het koffieapparaat. Nog geen week oud. Design is mooi, maar praktisch gezien leidt het tot niets. Daarna een supersimpele Magimix gekocht.

Van koelkast tot wasmachine tot droger: eens in de zoveel jaar moet je de boel vervangen. Dat is niet erg maar je moet er wel rekening mee houden.

Dat onderhoud heeft ook iets knus. De lelijke plekken op het hek weer schilderen. In de zon met je blik blauwe verf op je gemak de boel schilderen. Met een laddertje tegen de muur, de dakgoten weer leegmaken. Bouten en moeren vastzetten, de gasBBQ weer aan de praat krijgen omdat alle gaatjes dichtgeslibd zijn. De ligbedden weer terugzetten bij het zwembad. Alle schorpioenen verjagen. Hier en daar een lampje vervangen. Het klokje op de oven gelijkzetten omdat er ergens ooit weer een stroomonderbreking is geweest. Naar het tankstation om de gasflessen te vervangen. En intussen een goed glas wijn erbij. Zelfs klussen is in de Var top.

Terugkeren naar Frankrijk levert dus werk op en dat is heerlijk. Het hoeft ook niet allemaal in één dag. Ok, de koelkast vervangen wel, maar de rest niet. Gewoon de tijd nemen en intussen genieten van het weer, de geur, de boulanger, het terras. Een beetje aanrommelen dus.

En precies dat wil ik een paar dagen gaan doen. En nacht doorrijden, ’s ochtends naar de Ecomarché en inslaan voor de komende dagen en dan het erf niet meer verlaten. Behalve voor de bakker.

Ik weet ook dat er weer tijden zullen komen die zorgeloos zijn. Geen idee wanneer, maar ze komen. Dat je ’s nachts weer bij het tankstation met alle anderen een espresso drinkt en een broodje koopt en weer doorrijdt. Dat de markt in het dorp weer volledig is, van matrassen tot aan sublieme kaas. Dat de restaurants weer gewoon open zijn met live muziek. Die tijden komen weer.

Tot dat moment is het kleine al heel groot. Verwacht niet teveel dan valt er ook niets tegen. Zo ga ik op pad. En met al die maatregelen is er ook heel veel tijd voor alle klussen. We gaan het zien.

On y va!

Gelukkig zijn in Frankrijk

Hoek Bd St Germain-Rue Thénard

Ik was een jaar of 26 toen ik in Parijs terechtkwam. Heel verhaal, maar ik bleef uiteindelijk een maand of vier. Ik woonde in de Rue Cujas op nummer 19, in het Grand Hotel Saint Michel op de derde etage aan de voorkant. Toentertijd een woonhotel waar ik voor Ffr. 10,– per nacht kon wonen. Omgerekend van dat zo’n Hfl. 3,50, dus voor honderd gulden per maand had ik een onderkomen. (Tegenwoordig betaal je voor een kamer een begintarief van €230 per nacht).

Een oude mevrouw, ze heette naar ik me kan herinneren Mme. Salvage, maakte ’s morgens soep en dan rook het hele gebouw naar soep. Als je wilde kon je ’s avonds een boule soep bestellen.

De kamer die ik had was groot, het waren eigenlijk twee kamers. In de woonkamer stond een grote tafel met groen ingelegd leer zonder stoelen. Verder stonden er twee oude leren fauteuils voor het raam en er waren twee bedden. Eén bed in een aparte ruimte en suite.

Op een dag stroomde er water langs mijn muur en ik ging naar beneden om dat te melden. Ach, dat was de idioot op de vierde was het antwoord. Een “filosoof” die de gewoonte had heel lang in bad te zitten en dan vergat hij wel eens het water uit te zetten. Kon gebeuren.

Zo dus ongeveer was de sfeer. Het waren de jaren 80.

Op een ochtend, ik stond altijd heel vroeg op, liep ik vanuit mijn hotel richting de Bd Saint Germain. Mijn doel was simpel: eerste bij een tabac een pakje Boyards maïs kopen en dan door naar de Place Maubert om brood, kaas, worst en wijn te kopen en gewoon even over de markt slenteren. En koffie bij Le Village Ronsard.

Het zou een warme dag worden en de stad was heiïg.

Ik kwam aan op de hoek op de foto en toen gebeurde het. Er overviel mij een diep geluk, een gevoel waarin alles samenviel en ook nog eens mijn kant op. Een geluk zoals ik niet eerder had gevoeld. Het vroege verkeer kwam voorbij, ik rook de uitlaatgassen, ik keek beide kanten op op de boulevard en alles klopte. Ik was in Parijs en Parijs was in mij.

Sinds die ochtend mis ik Parijs, altijd weer.

Zoals gezegd: ik was er een maand of vier. Niet altijd even gelukkig maar meestal wel. Ik heb iedere hoek en straat in mijn quartier leren kennen. Ik ging voor weinig eten bij een Algerijn in de Rue Boutebrie. Fantastische couscous voor weinig. Ik kocht een mooi pennetje op de Bd Saint Michel en later mooi papier (5mm ruitjes, lichtpaarse lijntjes) bij Gibert. Ik zat uren op de Place Contrescarpe en at in de Rue Mouffetard. Wandelde dagen in de voetsporen van Sartre. Baguette met worst en kaas, weggespoeld met goede rode wijn in de Jardin de Luxembourg. Alles was zoals het moest zijn.

Maar hoezeer ik ook alles deed, het gevoel van die ochtend is nooit meer teruggekomen als ik in Parijs ben. En ik ben er nog heel vaak geweest.

Dit soort momenten blijven je bij en moet je koesteren. Aan mijn herinnering zal wel het een en ander niet kloppen, want zo gaat dat met herinneringen. Feitelijk dan. Want gevoelsmatig klopt het nog steeds, en nog steeds kan ik die ochtend voelen, ruiken en ervaren.

Ik heb nu de luxe van een berg in de Var, waar ik uit kan kijken over de bergen van de Provence. Totaal anders dan de drukke stad en in het geheel geen Parijs. Alles is anders. Maar ook daar is het heel vroeg opstaan, terwijl het nog koel is op een dag die heel warm gaat worden, en wandelen, een heerlijk ritueel. Geen Place Maubert, maar wel een heel goede boulanger, de beste worst en een café Central om wat te drinken.

En soms, op weg naar het zuiden, doen we Parijs aan voor een nacht of drie en dan geniet ik weer met volle teugen. De zonen kennen het inmiddels goed en vinden het een geweldige stad. We eten couscous. Inmiddels koop ik geen sigaretten meer, maar als er nog Boyards zouden zijn, dan zou ik zeker een pakje kopen. Als we dan weer de stad uitrijden, nog zo’n 700 km voor de boeg, dan overvalt me altijd hetzelfde gevoel.

Paris me manque.

4 mei: verschrikkelijk

Het Monsterboekje van mijn vader

Mijn vader was 17 toen de oorlog uitbrak. Hij was 20 toen hij in het kamp verdween. Hij was 21 toen hij door ingrijpen van de toenmalige geneesheer directeur van het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht uit Kamp Amersfoort werd geplaatst bij de Luchtbescherming van het SAZU. Bij dat SAZU ging hij werken op 7 augustus 1944. Vijftien jaar later, op 7 augustus, kwam ik in datzelfde ziekenhuis ter wereld.

De man die de Entlassungsschein ondertekende was commandant Karl Berg. Dezelfde man die samen met Josef Kotalla (door mijn vader altijd Kotälla genoemd) ervoor gezorgd had dat mijn vader geen gevoel meer had in zijn rug. Door het slaan.

Tussen de droom van mijn vader om te gaan varen en die zevende augustus 1944 is veel gebeurd. Opgepakt en ontsnapt, in Wenen terechtgekomen en, om uit handen te blijven van de Duitsers, te voet naar Bretagne gegaan. Daar met een kameraad besloten terug te keren naar Nederland om in het verzet te gaan en weer opgepakt. Het doel was hem naar Buchenwald te deporteren, maar daar kwam dus iemand tussen.

Ik kan hier nog veel meer over vertellen maar dat doe ik niet.

Wat ik wel wil vertellen is dat ‘den oorlog’ nooit uit zijn en ook niet uit mijn leven is verdwenen. Ieder jaar rond eind april begon de slechte tijd. De slapeloze nachten waarin ik hoorde hoe hij zijn bed uitging. We woonden heel klein, op Zuilen in Utrecht, en de planken kraakten. Het zwijgen over de oorlog en de spanning tot en met de 4de mei. Ieder jaar opnieuw een donkere week. En dan, op de 5de mei zie hij: ‘zo, dat hebben we ook weer gehad’.

Dat je als kind dat natuurlijk ziet en het ook ergerlijk vindt. Je snapt er niks van en, wat je ook vraagt, een antwoord komt er niet. ‘Laat je vader maar’, zei mijn moeder dan.

Mijn vader heeft gezien hoe kameraden van hem werden vermoord in het kamp en hij kon niets doen. Een grote sterke man, bokser en worstelaar, en toekijken hoe iemand dood wordt geslagen. Later zei hij ‘twee, drie moffen had ik makkelijk kunnen hebben. Maar geen tien’. De onmacht.

Toen in de jaren 70 Van Agt ‘De drie van Breda‘ vrij wilde laten, zei mijn vader ‘lang gaan die het niet redden buiten de gevangenis’. Geen dag dat de oorlog er niet was.

Op een dag liep ik met hem in een winkelcentrum toen iemand riep ‘hé, Ben! Ben Koopman!’. We keken om en daar zat een man in een rolstoel met zijn zoon erachter. De man vroeg of mijn vader naar de herdenking in het PDA kwam. Mijn vader zei dat hij daar over moest denken. We liepen verder en ik vroeg ‘en?’ ‘Ik pieker er niet over’, zei hij, ‘dan eindig ik ook in een rolstoel’.

En hier sta ik, zijn zoon. De zoon van Ben Koopman. 14 jaar na zijn dood. Inmiddels ben ik mijn vader. Ik haat deze week tot en met 4 mei. Hoe ik het ook doe en wat ik ook probeer, ik vind deze week verschrikkelijk. En ik kan denken dat met mij de oorlog overlijdt als ik ga, mijn gezin ziet dat anders. Zonder dat ik dat ooit heb gewild weten zij ook dat deze week voor mij lastig is. Onbestemd, ongenaakbaar, onprettig.

Op 5 mei denk ik ieder jaar: ‘zo dat hebben we ook weer gehad’.

50 man

Al weken kijken we naar de Nederlandse politiek en verbazen we ons. Na de verkiezingen zijn we met elkaar in een situatie geraakt die steeds merkwaardiger wordt.

Nu vond ik de uitslag van de verkiezingen al merkwaardig. De groei van de VVD terwijl er zoveel mis is gegaan onder alle kabinetten Rutte, de groei van D66 door een lijsttrekker die zich anders dan normaal gedroeg en de groei van een fractie met fascisten. Een raar onkritisch land zijn we met elkaar.

Maar na de verkiezingen is het niet beter geworden.

Rutte is zijn positieve karma wat verloren. Steeds vaker rommelt hij en je ziet dat hij er steeds minder mee wegkomt. Kaag blijkt gewoon een ouderwetse machtspolitica. De Tweede Kamer stort zich op details en vergeet dat we in een grote crisis zitten met Corona, dat de klimaatproblemen niet weg zijn en vergeet ook en masse dat er duizenden, tienduizenden burgers zwaar gedupeerd zijn door de overheid. En vergeet ook dat er geen verbetering zichtbaar is in het handelen van de overheid.

De Tweede Kamer vergeet dat zij er namens ons zit en dat zij aan de macht is. Dat zij het voor het zeggen heeft in dit land. En wat doet de Tweede Kamer: de dekstoelen heen en weer bewegen.

En dan denk ik aan de woorden van mijn beste vriend Jan en weet dat hij gelijk heeft en dat die woorden precies van toepassing zijn op Den Haag:

Een organisatie met meer dan 50 man heeft geen buitenwereld meer nodig.

Ziek zijn in Frankrijk

Het begon met een pijnlijk plekje en het plekje werd steeds pijnlijker. En roder, en dikker. En, zoals we gewend zijn, dat gaat wel weer over voordat je een meisje bent zoals mijn moedertje altijd zei. Maar deze keer niet.

Ik besloot de dokter in ons dorp te bellen. Er is een aantal doktoren, en dokter K woont 200 meter van ons af en dus belde ik hem. Ik kon snel terecht. Heel snel. Direct eigenlijk.

In de hoofdstraat van Carcès kom je via een poortje bij een oud huis met een al even oud interieur. Dokter K is een wat oudere man die in een donkere kamer achter een groot bureau zit. Vriendelijk en hij neemt alle tijd. Zo’n dokter die als medicijnman je al direct op je gemak stelt en niet alleen de plek onderzoekt maar gewoon de tijd voor je neemt. Alles ging zeer relaxed en vooral efficiënt.

Tot zover herkenbaar.

Tot het uitschrijven van een recept. Waar je in Nederland een A5 briefje krijgt of een mailtje naar de apotheker gaat, liep ik de deur uit met twee volgeschreven A4-tjes. Met vulpen in zwierig handschrift, geneesmiddel na geneesmiddel. Ik liep de straat omhoog naar de Pharmacie en daar kreeg ik een boodschappentas medicatie mee. Voor een bult. Van tincturen, antibiotica tot aan een zalf met cortisonen. Geen probleem.

Ziek zijn in Frankrijk pakt anders uit dan in Nederland. Nu weet ik uit onderzoek dat ieder land “eigen” meest voorkomende ziekten heeft. We lijken erg op elkaar maar toch pakken lichamelijke kwalen verschillend uit per land. Nederland is grootverbruiker van paracetamol en maagzuurremmers bijvoorbeeld (hier wel in de supermarkt te koop, in Frankrijk niet), Frankrijk heeft een arsenaal pillen voor leverproblemen en allerlei middeltjes voor de bovenste luchtwegen. Verstuiver, druppels en wat al niet.

Wat me het meest opvalt in de keren dat ik een beroep moest doen op de gezondheidszorg is de rust die heerst. Je zou bijna zeggen een gebrek aan tomeloze efficiëntie die bij ons zo normaal is.

Zo gebeurde het ooit op de dag van aankomst ik ’s morgens naar het dorp reed, ontbijt regelde en ging ontbijten met een brak gezin. En bij de eerste hap van mijn tartine Nutella lag een stuk kies los in mijn mond. Hoppa. Het voelde als een rotsblok. Ik de lokale tandarts gebeld, het zal rond 10 uur zijn geweest en de beste man bleek op zaterdag te werken.

Nu moet ik nog iets zeggen over de tandarts. Ik kende hem al van het terras. Een jonge grote kale vent met een wat nors voorkomen. Wat hem voor mij won, was het feit dat hij altijd in muscle cars rijdt. Een grote zwarte Camaro SS, Dodge Challenger of Charger. Altijd zwart en altijd scheef geparkeerd. Ik mocht de man wel.

Ik kon direct komen. Ik liep de wachtkamer in en daar zat een aantal dorpsbewoners waarvan in een aantal kende. Ik legde uit waarom ik er zat en ik kreeg direct voorrang. Want ja, een gebroken kies is heel vervelend en ik moest weer terug naar het ontbijt! Mijn verwachtingen waren laag. Beelden van de schooltandarts met een voetaangedreven boor kwamen naar boven. Carcès is nou eenmaal niet het centrum van de wereld, dus wat kon ik verwachten.

Ik werd geroepen en liep een hypermoderne ruimte binnen. Een camera werd op mijn mond gericht zodat ik op een scherm kon meekijken en hop, hop, hop er werd een nieuw stuk kies geboetseerd en aangebracht. Uitharden met blauw licht, ik kon alles zien, en ik mocht afrekenen. Ik was klaar voor €34. Ik groette alle mensen in de wachtkamer, bedankte hen en liep opgelucht naar buiten. Een kwartiertje en een klein prijsje.

Efficiënt, zeer vriendelijk, heel laagdrempelig. Direct contact ook zodat je weet waar je aan toe bent.

Dat niet alles even modern is weet ik inmiddels ook.

Ooit viel mijn jongste zoon ’s avonds op de rand van een trap en zijn hele kin lag open. Ik, zoals het hoort, naar de Pompiers in het dorp. Daar ontfermde de hele ploeg zich over hem en hij stond in het middelpunt van de belangstelling. Er moest en zou een ambulance bij gehaald worden, want het was een kind en daar neem je geen risico mee.

De ambulance moest komen uit Cotignac en daarna reed ik door de donkere nacht achter de ambulance aan naar Brignoles. Daar in het ziekenhuis zag ik ook die andere kant. Oude wachtkamers met flets licht en bijbehorende muren. We gingen zitten in een leren fauteuil (?) van het soort dat mijn vader ook altijd had. Maar ook daar relaxte mensen die direct vonden dat we voor moesten gaan. Étrangers én een kind! Dus hoppa naar binnen, een roesje, hechten, nog een half uurtje wachten en we mochten weer naar huis. En ook nu direct de rekening die volgens mij €80 was.

Ziek worden in Frankrijk is niet iets waar je tegenop hoeft te zien. Men is relaxt, gericht op jou en je kwaal. Het gemak waarmee gebruik wordt gemaakt van medicatie is onnederlands. Helemaal niet “kijk het nog even aan” of iets dergelijks. Het is gewoon direct pillen, zalfjes en tincturen. En als de pharmacien een goede bui heeft krijg je er nog het een en ander additioneel bij.

Wat me ook opvalt is de afwezigheid van de bureaucratie waar Frankrijk ook groot in is. En, zeker, ik heb niet de ervaring van een inwoner van Frankrijk. Die kan best anders of negatiever zijn. Maar van alle keren dat ik of mijn familie gebruik moest maken van de zorg ging dat vlekkeloos en vriendelijk.

Het beste blijft natuurlijk om niet ziek te worden en te genieten van alles wat Frankrijk te bieden heeft.

AstraZeneca en Goede Vrijdag

Op Goede Vrijdag kreeg ik om 18:37 uur een oproep en toevallig stond mijn telefoon op geluid. Ik was aan het koken en verheugde me op het weekeinde. Ik nam op en het werd een gesprek van 22 seconden.

“Met Dick Koopman”

“U spreekt met de assistent van dokter XX. Wij hebben vaccins over, wilt u zich laten vaccineren?”

“Jazeker”

“Kunt u nu komen?”

“Jazeker!!!”

Ik deed het gas uit, sprong in mijn auto en 5 minuten later melde ik me bij de praktijk. Ik kreeg een formulier van twee pagina’s dat ik moest invullen. Daarnaast een bijsluiter die ik moest lezen. Bijwerkingen netjes op een rijtje. Het ging om het AstraZeneca vaccin.

Na het lezen kreeg ik de prik en mocht ik buiten in een tent 15 minuten wachten. Er zat een medisch geschoolde oppasser die mij tegenhield toen ik na 5 minuten wegwilde. 15 waren het er! Naast mij waren er nog twee patiënten die gebeld en gevaccineerd waren. Ik vroeg waar de bitterballen waren en of dit een vrijmibo nieuwe stijl was.

Mijn gevoel voor humor werd niet gedeeld.

Na een kwartier werd ik vrijgelaten en ging ik naar huis, verder met koken.

Toen mijn gezin thuis kwam werd ik vol ongeloof gefeliciteerd en we constateerden dat de vaccinatiegraad 25% was. Althans, in dit huis.

Had ik bijwerkingen? Een beetje. Ik werd moe en ik voelde me wat misselijk. Na twee dagen was dat voorbij.

En nu ben ik gevaccineerd en ben ik zo blij als een baby. Ik gedraag me nog steeds hetzelfde, ik hou rekening met alles en ik doe geen gekke dingen. Ik voel me veel minder kwetsbaar. Vrijer in mijn hoofd en hart. Dit is het enige middel om uit onze situatie te komen. De enige. De rest is allemaal symptoombestrijding.

Ik gun iedereen op heel korte termijn een vaccinatie. Op naar een gezamenlijke vrijheid.