Een land zonder burgers

Dit weekeinde heb ik dan eindelijk het rapport “Ongekend Onrecht” gelezen. Een aanrader voor iedereen. Als je wilt weten hoe een overheid in zichzelf gekeerd raakt met een eigen werkelijkheid dan moet je hier gewoon even voor gaan zitten. Het is niet zo dik en het leest als een trein.

Ik ga niet herhalen wat dezer weken al volop in het nieuws is gekomen: de minachting voor de burger, het en masse criminaliseren van mensen, het niet reageren op tegengeluiden. Het is allemaal bekend.

Waar ik het wel over wil hebben is een overheid die niet van individuen houdt, omdat ieder individu ergens een onverwachte eigenschap heeft die niet past in het systeem van de overheid. Wij stervelingen vormen altijd op enig moment een afwijking van het gemiddelde, en die afwijking moet worden uitgeveegd, weggedaan, ontkent.

De verhouding tussen overheid en burger is complex maar ook heel simpel. Complex omdat die verhouding niet eenduidig is. Soms is de burger inspreker (bijvoorbeeld bij bestemmingsplannen), soms directe beïnvloeder (bij verkiezingen), soms onderdaan (de Staat als wetgevende macht), soms klant (aankoop van een paspoort), soms tegenstander (politieke partijen, demonstraties), soms rechthebbende (bijvoorbeeld bij uitkeringen en toeslagen) enzovoort. Er zijn veel rollen die je als burger kunt innemen en het uitgangspunt is dat de overheid dienend is en zich goed instelt op al die rollen. Dat maakt het leven dus weer simpel, zou je denken. Bij bijvoorbeeld inspraak zorg je ervoor dat alle info op tijd voorhanden is, dat het proces heel duidelijk is en nauwgezet wordt gevolgd, dat iedere belanghebbende haar zegje kan doen en dat het besluit heel transparant wordt genomen en onderbouwd. Zo kun je dat per rol benoemen en afpellen. Je kunt het ook zo inrichten.

Je zou dus kunnen vooronderstellen dat de overheid in het geval van toeslagen alles zo inricht dat iedereen snapt wanneer en hoe hij recht heeft op een toeslag en dat het proces om te komen tot een toeslag heel helder en begrijpelijk is. Immers: iedere ingezetene heeft recht op een heel helder opererende overheid. Dan weet je of je recht hebt, je kunt een toeslag aanvragen en als alles klopt, dan krijg je die toeslag. En omdat iedere burger er één is kunnen dingen alleen anders worden als dat een gevolg is van jouw handelen of jouw veranderde toestand. Soevereine burgers verdienen een soevereine en persoonlijke aanpak.

Dit is niet vanzelfsprekend zo. Dit is mijn visie. Mijn visie is gebaseerd op een ethiek waarin de zwakkere altijd wordt beschermd door een overheid die altijd de sterkere partij is. Ouderwets gesproken heeft de overheid zwaardmacht: uiteindelijk ligt het geweldsmonopolie bij de Staat. Dat betekent dat de staat de enige partij in het land is die werkelijk zaken kan afdwingen. Hoe sterk je je ook acht als inwoner van Nederland, de Nederlandse staat is uiteindelijk sterker.

En precies dat inzicht moet leiden tot deemoed en voorzichtigheid. De staat moet zich te allen tijde opstellen als een strenge maar vooral rechtvaardige en duidelijke ouder. En daarin moet diezelfde staat weten en voelen dat je als inwoner afhankelijk bent van die staat.

In de afgelopen decennia is er het een en ander veranderd in de wijze waarop de overheid naar de burger kijkt. Ik bespreek twee zaken: het verdwijnen van onderscheidende wereld- en mensbeelden (het einde der ideologie, al in 1960 (!) beschreven door Daniel Bell) en consumentisme.

Einde van ideologieën

Het riedeltje in iedere sociologie van Nederland gaat over de verzuilde samenleving tot aan de jaren 60 van de vorige eeuw. Netjes geordende zuilen waarin sociaal-democraten, confessionelen en liberalen in hun eigen bubble konden leven. Nederland lag onder een natte brave deken maar was wel heel overzichtelijk. In de jaren na de jaren 60 werd steeds meer gevoeld dat al die grote verhalen toch verhalen uit het verleden waren en dat men toe was aan een nieuw elan. Tijd om afscheid te nemen van die grote verhalen dus. Daarom schreef Bell zijn boek. In 1992 schreef Fukuyama over ‘het einde van de geschiedenis‘. Geheel passend in de tijdgeest dat alles was uitgekristalliseerd. Landen waren of liberaal of sociaal-democratisch en die twee waren ook nog eens heel erg op elkaar gaan lijken.

De afgelopen decennia is er ook in Nederland een verandering geweest. Zelfs expliciet. Zo deed Wim Kok ooit de uitspraak dat voor de PvdA het afschudden van zijn ideologische veren én problematisch én bevrijdend zou zijn. Die uitspraak is nooit helemaal goed begrepen want Kok wilde niet af van de sociaal-democratie. Maar goed, woorden zijn daden en in de jaren die daarop volgden heeft de PvdA er alles aan gedaan om de veren geheel kwijt te raken. In het kader van macht verzamelen, hét doel van iedere politicus, zijn er veel veren verdwenen. Er werd volop bezuinigd op de verzorgingsstaat en er kwam een nieuw elan: de mondige burger in een participatiemaatschappij. Het liberale beeld van de vrije mens die zich vrij door de maatschappij beweegt, waarbij de overheid slechts marginaal aanwezig is werd de nieuwe ideologie. En hoewel Rutte altijd heeft beweerd dat visie een olifant in de kamer is, is er wel degelijk sprake van een visie. Je kunt niet beweren dat politiek “goed kiezen met schaarse middelen” is, zonder te reflecteren op dat woordje “goed”. Goed kiezen voor een liberaal is echt iets anders dan voor een christen of voor het enige lid van de PVV. Rutte doet er luchtig over maar hij heeft een visie: een vrije mondige burger en een teruggetreden overheid.

Deze nieuwe ideologie, die vooral nooit zo genoemd is zodat het lijkt alsof het doodnormaal is dat de overheid naar achter treedt en jij je eigen broek moet ophouden, is de dominante geworden. Tot op de dag van vandaag. Dat klinkt mooi, vooral als je een mondige burger met voldoende middelen bent. Want heel eerlijk: als het onderwijs steeds beroerder wordt zal zo’n bemiddelde mondige burger gewoon extra onderwijs regelen en inhuren. Je koopt de participatie.

Maar al die anderen dan? Al die mensen die gewoon modaal of minder verdienen en dat niet kunnen? Die overigens al lang participeerden door bijvoorbeeld vrijwilliger te zijn op de sportclub of in de speeltuin? Al die mensen hadden en hebben pech: die passen niet in het romantische plaatje van het liberalisme.

Dat ging lang best ok. Die gemiddelden kwamen niet in beeld en dan is er politiek gezien ook geen issue. Iedereen onder dat gemiddelde kwam ook niet in beeld bij de politiek want daar heb je niet zoveel aan. Intussen kwamen er voedselbanken in Nederland, nam discriminatie op de arbeidsmarkt niet af en gebeurden er onvoorziene dingen.

Het einde van alle ideologieën betekent in de praktijk vooral dat mensen niet moeten verwachten dat de overheid actief hun lot zal proberen te verbeteren.

Een van die dingen was waar dit rapport over gaat. Bulgaren bleken massaal de boel te flessen en onterecht allerlei toeslagen te ontvangen. Geheel in de geest van de tijd – burgers zijn pricipieel onbetrouwbaar – werd ook door de Tweede Kamer geroepen om de strengste handhaving en opsporing van fraude. De rest is geschiedenis. Vanwege een aantal Bulgaren zijn tussen de 25.000 en 35.000 mensen zwaar beschadigd. Lees het rapport en je begrijpt wat Rutte bedoelde met de steen die richting afgrond rolde.

De overheid kijkt toe bij de gevolgen van eigen keuzes.

Maar hoe zit het nu met de burger?

Consumentisme

Ook hier wordt al decennia over geschreven: de mens wordt steeds meer gekenmerkt door het consumeren van diensten en goederen. Het bewijs daarvoor hebben we de afgelopen maanden kunnen zien. De afvalstortplaatsen hebben niet eerder zo druk gehad. En nog steeds staan er rijen dik te wachten tot de karren kunnen worden geledigd. Dus die kant is redelijk duidelijk.

Hoe zit het met de overheid en de consument?

Een van de uitgangspunten van de markteconomie is dat er producten en diensten zijn die op de vrije markt aangeboden en verkocht moeten worden. Dat uitgangspunt is ook de overheid binnengeslopen. Na het privatiseren van een groot aantal (semi)overheidsinstellingen, is de overheid de burger ook als klant gaan zien. En daar zit een enorme denkfout. Als ik een nieuw paspoort nodig heb kan ik niet shoppen bij allerlei gemeenten en instellingen. Ik moet naar mijn eigen gemeente. Als ik zorg nodig heb in het kader van de WMO, idem. Als ik een toeslag krijg, idem. Door te pretenderen dat we met zijn allen klanten zijn suggereer je ook dat ik als klant iets anders, iets beters kan kiezen. En dat kan niet. De overheid is een absolute monopolist en ik moet me plooien naar de eisen en wensen van die overheid.

De overheid moet weet terug naar het besef dat je als burger ten diepste afhankelijk bent. Dat betekent dat juist de overheid bovenmatig goed moet zijn, uitblinken in alles. Betrouwbaar en heel transparant. Ik kan als burger echt nergens anders naar toe en dus moet de overheid op ieder moment dienstbaar zijn aan de burger.

Een land zonder burgers

Mijn conclusie uit dit alles is dat de overheid inmiddels een teruggetreden, niet verantwoordelijke overheid is geworden. Zij kijkt toe. De Tweede Kamer kijkt mee en reageert op incidenten en verzaakt daarmee de controlerende taak. Als de overheid inwoners niet meer ziet als burgers dan ontstaan er problemen. De stap die in het denken moet worden gezet is simpel: en zijn niet 35.000 mensen gedupeerd, er is 35.000 keer een mens (en waarschijnlijk veel meer als je naar gezinnen kijkt) gedupeerd. Steeds opnieuw. 35.000 keer.

En overheid die zo opereert zou collectief moeten worden weggestemd. Nederland verdient veel beter.

Die kloteburgers ook altijd

Zo, het rapport over de kindertoeslagenaffaire is gepubliceerd. De inhoud is bekend. De verontwaardiging is alom. Die verontwaardiging was er al lang bij de getroffen ouders. Eén foutje en de hele toeslag werd teruggevorderd. Niet eens een foutje, het kon ook een slordigheid zijn.

Hele gezinnen zijn zwaar gedupeerd en het was al jaren bekend dat dat zo was. De Ombudsman heeft er al jaren geleden (2017) over gerapporteerd. En het ging gewoon door. Week in, week uit.

De topambtenaren die werden verhoord blonken uit in het ontlopen van iedere verantwoordelijkheid. Als je aan de top zit, zit je daar omdat je verantwoordelijk bent. Altijd wel en nooit niet. Deze mensen straalden uit dat het nooit aan hen had gelegen. Altijd aan een ander. Dat ze ook buikpijn hadden maar ja, wat doe je daarmee hè. Hier zat aan tafel wat Heidegger ‘das Man‘ noemt. Het Men is dat waarnaar iedereen kan verwijzen en waarbij niemand zal zeggen “dat heb ík gedaan”. Niemand die verantwoordelijk is.

Dan denk je: ok, als ambtenaren kennelijk zo worden gevormd, (wel hoog in de boom en gewichtig doen maar als het misgaat reageren als een kind dat wordt betrapt met zijn hand in de koektrommel) dan zal onze premier wel verantwoordelijkheid en eigenaarschap tonen.

Niets is minder waar.

Tijdens zijn ondervraging sprak Rutte van een bal die richting afgrond ging en niemand die ingreep. Mijn mond zakte open. Ik dacht: dat is jouw werk toch? Dat werk dat je zelf altijd een baan noemt, de taak om toezicht te houden op fatsoenlijk beleid dat jouw ambtenaren uitvoeren. En niemand greep in. Ook Rutte niet. Zelfs Rutte niet. Juist Rutte niet.

En daar nog eens bovenop: de shit was groot voor hen die De Vries heetten, maar nog veel groter was de shit als je niet zo’n Nederlandse naam had. Dan werd er extra op je gelet en was het ingrijpen sneller en harder.

We zitten opgescheept met een overheid die zijn burgers ten diepste wantrouwt en veracht. Het is sneu slecht volk dat de kantjes er vanaf loopt en altijd uit is op het belazeren van de overheid. Het liefst bouwt onze overheid aan een panopticum waar iedereen altijd in de gaten kan worden gehouden en geobserveerd. Waar de straf voor niet het juiste doen binnen het overheidssysteem excommunicatie is. Het stopzetten van je toeslagen is zo’n excommunicatie. Als je je niet houdt aan de systeemeisen pleeg je een wandaad.

En als de overheid er niet meer onderuit kan, Groningen, dan komen er tranen, snikkende toespraken, handen op schouders en ferme taal. We gaan het regelen! Snel! We richten een commissie en een loket op met ambtenaren die nu eens out of the box denken en gaan handelen. Echt. Er komt een regeringscommissaris en die gaat het regelen. Er komen tafels waarin iedereen aan het woord komt. We staan dichtbij jullie, burgers, we houden van je en we gaan voor je zorgen.

De rest is geschiedenis. Zwarte geschiedenis.

Wat een mazzel voor hen die genoeg verdienen dat zij niet van de overheid afhankelijk zijn voor hun voortbestaan. Die het zelf kunnen regelen. Of beter nog: wat een mazzel als je een multinational bent die een ruling kan afspreken met de belastingdienst. Een ruling voor modaal, ik ben haar nog niet tegengekomen.

Ik ben verontrust.

Een samenleving bestaat bij de gratie van een sociaal contract tussen burger en overheid. De overheid zorgt goed voor de burger en in ruil gedraagt de burger zich fatsoenlijk. Een mooi evenwicht waarin de verantwoordelijkheden verdeeld en aanvullend zijn.

Onze overheid heeft dit contract eenzijdig opgezegd.

Onze overheid krijgt dus de burgers die men verdient. In het beste geval onverschillig of berustend. Van die burgers heb je als overheid tenminste geen last. Dat is fijn. In het slechtste geval cynisch en actief. Dat is lastig voor een overheid die niet houdt van gedoe. Dat soort burgers leveren gedoe op. Ze stemmen op verkeerde partijen, ze komen in opstand, ze gaan naar de rechter. Ze passen niet in de structuur van de overheid die gericht is op disciplinering. Niet op vrijheid.

Het wordt tijd voor een nieuw sociaal contract. Een contract waarin de burger weer de belangrijkste in het systeem is en de overheid dienend en deemoedig. Waar de eerste vraag van iedere ambtenaar is, “hoe kan ik je helpen?”.

Dat nieuwe contract gaat er nooit komen met een partij en een premier die hun eigen bal richting afgrond duwen en dan kijken wie er ingrijpt.

Verkiezingen zijn nabij.

Kerst zonder franje

Kerst is dit jaar anders dan anders. Ik ben een gewoontedier en ik hou van ritme door het jaar heen. Wintersport, de eerste crocussen, de warmte van de zomer, rondlopen in de Var, nog een keer rondlopen in de Var in oktober en dan december.

December is voor mij een maand van gezelligheid en nostalgie. Vroeg donker, de straten verlicht, lekker eten en drinken met vrienden en familie en op naar oud en nieuw. Vuurwerk en met een lichte kater aan een nieuw jaar beginnen.

Een onderdeel van de decembermaand is ook altijd een bezoek aan Kevelaer. Met de jongens, mijn zus of met mijn beste vriend Jan.

Meestal op een vrijdag rij ik dan richting Duitsland, bij Elten van de snelweg af en dan binnendoor naar Kevelaer. Het mooie is dat hoewel een grens een fictieve lijn in het landschap is, dat landschap en ook bebouwing, wegen, stoplichten, et cetera er allemaal direct anders uitzien als je eenmaal in Duitsland bent. Of in welk ander buitenland dan ook. Dat alleen al, zijn in het buitenland, vind ik de moeite van de rit waard.

Kevelaer. Wat moet je ermee? Het is een dorp uit een ver verleden. Een dorp dat de jaren 50 ademt. Een dorp vol kerken en Katholieke devotie. De gemiddelde leeftijd van de bezoekers (meest Nederlands) is 80. Wat ik ermee moet weet ik heel goed. Er heerst een weldadige rust, er is een volstrekte afwezigheid van hectiek en juist dat devote trekt me aan.

Alle kerken waar je naar binnen kunt. De banken leeg op hier en daar een biddende gelovige na. Ook hier is de wereld meer buiten dan binnen. Erg fijn.

En ook in Kevelaer heb ik mijn gewoontes. Bij Müller koop ik mooie potloden, bij een van de vele bakkers koop ik zwaar Duits brood en Bretzels voor de zonen. In de Gnadenkapelle koop ik kaarsen die ik daarna buiten bij de muur van de Wallfahrtskirche opsteek. Kleine gewoontes die daardoor een interne rust geven.

Als ik er ben met Jan, mijn beste vriend, gaat hij ook altijd water tappen in de Beichtkapelle. Dat schijnt ook te werken als je er niet in gelooft.

En zo wandel ik het dorp rond. De geur van de winter. Soms met sneeuw, meestal niet.

Er is al veel verdwenen in de loop der jaren. Er was ooit een goede boekhandel in de Luxemburger Galerie, waar men een zeer uitgebreide verzameling theologie en filosofie had. Verdwenen. Er tegenover zat een café waar men fantastische Reibekuchen verkocht. Verdwenen. Als je weer naar buiten liep was daar een fantastische bakker. Een man met een onverzettelijk gezicht en een vet Schwabisch accent. Verdwenen. Op een dag verdwijnt er nog meer. Eerst de winkels, dan de mensen. Jonge mensen vertrekken al uit Kevelaer. Naar de stad, weg uit het dorp.

Maar zolang ik weet ga ik er al naartoe. Dit jaar voor het eerst in lange tijd niet. En dat is erg jammer. Ik mis het. En ik weet dat ik niet altijd nieuwe potloden nodig heb en dat je ook zonder Duits brood lekker kunt ontbijten. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om ‘niet in Nederland zijn’. Het gaat om de vanzelfsprekendheid van allemaal RK kerken. Het gaat om de geest.

Het wordt een Kerst op de vierkante meter waarbij de boom de enige franje is. Verder moeten we het vuur aandoen en in de warmte met elkaar vooral de gezelligheid creëren. En volgend jaar hoop ik weer in Kevelaer rond te lopen.

Deo volente.

Winter in de Var

Winter in Carcès, vaak hebben we dat niet meegemaakt. Mijn gezin wordt er niet vrolijk van. Alles is dicht, het zwembad ligt er troosteloos bij en lekker in de zon zitten gaat ook niet echt. Na een paar dagen binnen is het uit met de pret. De games vallen tegen, de jongens hebben youtube uit en ‘wat gaan we eigenlijk doen?’

Nou, eropuit! Naar Marseille, Nice, Cannes of Aix.

Aix bijvoorbeeld in de winter is erg prettig. Beetje wandelen in de kou en aan het eind van de dag ergens achteraf, zeker niet op de Cours Mirabeau, een hapje eten is heerlijk. En ja, je gaat ook weer terug naar de berg en het verwarmde huis waar niet zoveel te doen is.

Mijn beleving is een andere. Ik geniet van ontbijt tot aan het moment dat ik mijn bed instap. De koude wandeling naar het dorp waar inderdaad alles er dicht uitziet. Maar niet is! Het café is gevuld met geroezemoes en de verwarming staat op max. De kerk ís koud maar dat moet ook. Wie heeft ooit gezegd dat het geloof gerieflijk moet aanvoelen?

Mijn ritje naar de supermarkt waar opeens allerlei winterartikelen liggen. Ook de lekkere. Kastanjes, foie gras in allerlei uitvoeringen. Het aantal boeken dat ik lees neemt per dag toe.

Vooral als er sneeuw valt is het wonderschoon. Het dal dat wit is en het verre uitzicht met heel in de verte Saint Antonin en le Grand Bessillon in de sneeuw. Prachtig.

Ik vermaak me, kortom, enorm.

Het gezin niet en dat betekent dat ik na een paar keer overstag ben gegaan. We gaan in de winter niet meer naar Carcès. Ik heb daar vrede mee want mijn gezin is voor mij belangrijker dan de Var.

En nu is het coronatijd. Het jaar waarin we stilstaan op de eigen vierkante meter. Met een Kerst die klein en heel intiem gaat worden. Een oud en nieuw waar we met elkaar in heel kleine kring op het nieuwe jaar gaan drinken. Dat zal het zo ongeveer worden.

Wat zou ik nu graag in de Var zitten. Ook in lockdown: betere wijn, beter eten en een mooier uitzicht. Het kan niet, het mag niet en het gaat niet gebeuren. De jongens zijn er blij mee. Dat is dan weer het goede nieuws.

De tijden zullen weer beter worden en het wordt ook gewoon weer winter.

De boekhandel als tijdmachine

Je staart naar het heelal en je kijkt in het verleden. Op miljoenen lichtjaren afstand staan sterren en je weet dat wat je ziet er misschien niet eens meer is. Heel ver verleden. Maar ook dichterbij is het verleden aanwezig. Als de zon nu zou ontploffen merken we dat pas over 8,3 minuut. We leven kortom in een tijdmachine, waarbij ook mijn verleden er is op het moment dat ik dit schrijf. Het is alleen redelijk abstract. Je weet dat het zo is maar het overkomt je. Het is een gegeven dat we niet kunnen manipuleren.

Tijdmachines, zo leren we, kunnen niet bestaan. Echt?

Ik ben tot het inzicht gekomen dat mijn eigen tijdmachine bestaat en boekhandel heet. Concreter nog, de boekhandel in mijn dorp. Nog concreter: Boekhandel Kramer & van Doorn.

Als ik de boekhandel binnenga dan stap ik in een ruimte waarin zich allerlei deuren bevinden. Deuren naar het verleden, naar het nu, maar ook naar de toekomst. Deuren die ik ken, andere die ik links laat liggen en soms ook een nieuwe deur. En hoewel de boekhandel begrensd is in tijd en ruimte is de toegang tot die andere werelden oneindig uitbreidbaar.

Mijn route is altijd dezelfde. Ik loop binnen langs de tafels met bestsellers. Die bekijk ik nooit. Ik loop naar achteren en ga naar de kasten met filosofie. En daar gebeurt het. Die kasten gaan open met ieder boek dat ik zie. Ik kan heel ver terug in de tijd als ik een boek van Plato pak en opensla. Ik stap dan in het Griekenland van eeuwen geleden. Ik kan oppervlakkig kennismaken met hem maar ik kan ook ervoor kiezen de komende weken rond te dwalen in het oude Athene. Van recentere datum kan ik de laatste vertaling pakken van het werk van Kant. Met hem meelopen op zijn wandeling door Koningsbergen zo rond 1790, iedere dag dezelfde wandeling met steeds andere en diepere gedachten. Ik kan Savater pakken om na te denken over politiek in deze tijd. Of Žižek. En ik kan opeens een geheel nieuwe deur openen en voor het eerst een boek van Giorgio Agamben lezen.

Daarna ga ik altijd naar literatuur. En daar is het precies hetzelfde. Ik kan de oudheid in door de deur te openen die Dante heet. En ik kan over die andere oneindige bibliotheek lezen bij Borges. En soms word ik gegrepen door een titel die voor mij een opening geeft naar een nieuw stuk heelal. Een titel als een wormgat naar een voor mij onbekende dimensie. Zwarte Schuur was voor mij zo’n titel.

Vaak kies ik voor bekende deuren naar bekende delen van de ruimtetijd. Dan koop ik het laatst uitgegeven boek van Beauvoir bijvoorbeeld. In dát deel van het verleden vertoef ik graag. De jaren 60 en 70 van de vorige eeuw zijn in mijn verleden belangrijk. Ik hou die tijd graag dichtbij en door zo’n boek te kopen lukt dat me ook.

Door alles te lezen reis ik door de tijd. Door veel te lezen krijg ik niet alleen een beeld van al die eeuwen maar ik kan het ook bijna ruiken en voelen. De tijd is dichterbij gekomen en al dat verleden wordt ook mijn verleden.

Sterker nog: door te lezen word ik onderdeel van die tijd, van het nu en van de toekomst mét al die mensen. De auteurs maar ook de personages in al die boeken. Ik breid mezelf uit in het heelal.

Maar hoe zit het dan met de toekomst?

Ook die is toegankelijk. Ik loop naar de kasten Maatschappij of Wetenschap en daar kan ik toegang vinden tot de toekomst. Of beter gezegd: tot hoe we nu over de toekomst denken.

Ik heb toegang tot de toekomst van de multiculturele samenleving bijvoorbeeld, waarbij ik met een ander kan meelopen en praten en denken over voordelen en nadelen. Maar ik kan ook in gesprek gaan over de Snarentheorie als alternatief voor of verdieping op de elementaire deeltjes van de kwantummechanica.

De boekhandel stelt me zelfs in staat het verleden niet alleen te betreden, maar opnieuw te creëren. Ik neem een kookboek met recepten die al eeuwen bestaan en maak die thuis na. De geuren gaan door het huis. In het nu kan ik zo de wereld over reizen. Ik kook heerlijk Koreaans. Ik neem een recept, ga bij de toko Koreaanse kruiden en kruidenpasta’s koken en ga aan de slag. En als ik daarmee bezig ben, weet ik dat op enig moment aan de andere kant van de wereld ook iemand dit bereidt.

Ik kan zo doorgaan. De afdeling reisboeken. Theologie. Ik stap de deur door samen met Anselm Grün die me dichterbij Benedictus brengt. Mij met hem laat wandelen. Geschiedenis, om een van de vele biografieën van Churchill te lezen. Contact met de Boerenoorlog of met Duinkerken waar ik ooit op het strand stond.

Omdat de fysieke boekhandel mij dit allemaal geeft zal ik nooit online boeken kopen. Het is niet alleen een kwestie van je lokale winkelier ondersteunen. Het is veel meer. Het is een panopticum waarin ik stap bij binnenkomst en waar ik een paar maal per week een deur open en in mijn eigen tijdmachine stap. Zo had Bentham zijn panopticum niet bedoeld – dat ging om een gevangenis, om het uitoefenen van macht over anderen – maar het principe is hetzelfde. Ik sta op één punt, mijn leven, en zie alles om mij heen en meer. Ik heb de macht om door deuren te lopen en nieuwe werelden te ontdekken. Mijn panopticum draait om vrijheid en reizen in de tijd.

Wow, kun je denken als je dit leest. Dat een gewone boekhandel dit doet. Of je kunt denken, ‘die Koopman draaft wel wat door’. Mag allebei. Maakt me niet uit. Wat ik weet is waar mijn fascinatie voor de boekhandel vandaan komt en waarom ik er werkelijk iedere dag opnieuw, even gretig kan rondlopen. Omdat het mijn eigen tijdmachine is waarbij de wereld toegankelijk wordt gemaakt. En het goede nieuws is dat er geen einde aan komt. Er is altijd een nieuwe deur naar een nieuwe bestemming, of gewoon een nieuw inzicht achter een bekende deur.

Een dag niet lezen is een dag niet leven.

Een kerk als een damestas

Wat toeristen doen als zij in een buitenland zijn: kerken bezoeken. Waar de gemiddelde Nederlander nooit een Nederlandse kerk van binnen ziet, gebeurt wel in het buitenland. Ik doe niet anders als ik in het buitenland ben. Overigens zie ik Nederlandse kerken wel van binnen. Althans, in mijn eigen dorp.

Maar goed, ook in loop altijd een kerk binnen als ik er een zie. In de loop der jaren moeten dat er toch heel veel zijn. Van kapelletjes tot aan de grootste kathedralen. Ooit, lang geleden heb ik eens in een dorpje de kerk bezocht waarin ik een kaarsje aanstak. Bij het kistje met kaarsen stond een kaartje met de tekst: ‘steek een kaarsje op als teken dat je hier bent geweest en dat je aan iemand dacht’. Doe het dan maar eens niet. In ons dorp in de Var steek ik iedere dag een kaarsje op. Je weet maar nooit.

Zoveel kerken en kerkjes. Sommige oninteressant, andere weer onderdeel van het hele netwerk van kerken in Europa die ooit zijn gebouwd door de Tempeliers.

Ik wil het nu over één specifieke kerk hebben. Hoe kwamen we daar?

Het is alweer wat jaren geleden dat wij vertrokken, het was herfst, naar Picardie. Mooi glooiend landschap, niet al teveel te doen en dus vooral tot rust komen. We hadden wat gehuurd in een landhuis in Sainte Preuve, een gehucht. Een landgoed zoals je het je voorstelt: mooie oude muren, oprijlaan met bomen in herfstkleuren en een mooi oud gebouw. Prachtplek. Het werd gerund door heel aardige mensen die goed voor ons zorgden. Lekker eten, een fijn ontbijt en een prachtige suite.

Verder niet veel te doen inderdaad. Dat betekende in de auto en eerst naar Laon. Vanuit de verte zie je Laon liggen: kroontje op een heuvel. Een mooie oude stad maar wel arm. Veel winkels waren dicht en je voelde dat de goede geest er even niet heerste.

We stapten in de auto en reden naar het noordwesten, naar Saint-Quentin. Beetje rondrijden op zoek naar een parkeerplek en toen de stad in. Er was duidelijk meer leven dan in Laon en we lunchten wat. We gingen wandelen, liepen een hoek om en daar stond een kerk. Niet zo mooi en zeker niet imposant. Je ziet dat er enorm aan gerommeld is in de loop der jaren. De drukke weg tussen ons en de kerk in. We staken over en gingen naar binnen.

En dan gebeurt het.

Tegen mijn vrouw zei ik later dat het een kerk was als de tas van een vrouw: van buiten klein maar van binnen eindeloos groot. De kerk van Saint-Quentin is precies zo. Je stapt een kleine entree binnen en dan opent zich de oneindige ruimte die het geloof moet zijn. Dat wordt verder benadrukt door het kale interieur. Alsof de kerk is leeggehaald, zo ziet het eruit. Ik werd stil in de uitgestrekte ruimte waar je weinig afleiding hebt. Je kunt niet anders dan ondergaan wat het is: een verbinding tussen de aarde waarop je staat en de hemel waar je naar reikt. Je voelt je eigen nietigheid. Doordat alle drukte buiten is gesloten is de stilte immens. De verstilling.

Je kijkt omhoog en ziet de pracht van de gebrandschilderde ramen. De kleuren en het licht erdoor als nabootsing van de Stad Gods. Dan kijk je naar beneden en je ziet dat je op een labyrint staat. Als teken van het zoeken van de mens naar de kern van het leven. Geen opsmuk. Geen rijkdom of pracht en praal. Gewoon jij als sterveling in deze kerk die er al eeuwen staat, branden heeft overleefd en in WOI bijna vernietigd is. En je weet dat als jij er niet meer bent, deze kerk er nog steeds zal zijn. Ongenaakbaar.

Ik ken geen andere kerk die dit effect heeft op mij. Zeker: de verhoudingen zijn altijd zo gekozen dat je je prettig voelt. De Gulden Snede, de verhoudingen van de Ark des Verbonds, Fibonacci (\varphi ): alles is meegenomen in het ontwerp van kerken. Vooral de Tempeliers waren daar heel consequent en consciëntieus in. Dat maakt dat je een soort volmaakte ruimte binnenstapt. Maar zo volmaakt als in Saint-Quentin had ik niet eerder en heb ik daarna niet meegemaakt.

Nog steeds, na al die jaren, is deze kerk voor mij een soort archetype van de kerk. Ik heb er veel gezien met juist wel heel veel pracht en praal. In Frankrijk, Spanje, Rome, Duitsland, Zweden, waar niet eigenlijk. En ik ben erachter gekomen, dat naarmate de mens meer moeite doet om het geloof aan te kleden met van alles en nog wat datzelfde geloof op de proef wordt gesteld. Als je je eigen nietigheid wilt voelen in een gebouw dat al eeuwen bestaat, reis dan af naar Saint-Quentin en onderga het wonder van de damestas. Klein van buiten, van binnen oneindig groot.

Inmiddels is de voorgevel in 2006 gerestaureerd en ziet de kerk er minder rauw van buiten uit. Geciviliseerder, netter, meer als een kerk. Ik denk dat de ervaring binnen niet minder is geworden.

Frankrijk in de sneeuw

Het lijkt wel een vorig leven, maar het was afgelopen februari dat we in Les Menuires waren. Althans, een klein stukje verderop in Les Bruyères. Bij toeval ontdekt. Een heel klein dorpje dat als een croissant gebouwd is rond een aantal liften naar een oneindig aantal pistes. We waren in andere dorpen geweest maar geen ervan was zo aangenaam als dit dorp. Klein en gezellig. En vanuit het hotel op loopafstand van de liften.

Deze week moest ik opeens daaraan denken. De aanleiding lag in alle ellende die Frankrijk weer te verwerken heeft. Het houdt niet op en het komt van verschillende kanten. Macron is fermer dan ooit om de Franse cultuur te verdedigen tegen iedereen die daar een einde aan wil maken. En terecht. De sfeer is angstig en grimmig en ook vastberaden. Niemand die Frankrijk eronder krijgt.

En opeens dacht ik aan Les Trois Vallées, aan een tijd van onschuld, van rust en van met zijn allen in de rij staan voor de lift. Opeengepakt met tweehonderd anderen die allemaal naar boven willen. Om daarna overigens weer naar beneden te gaan. En dan ’s avonds in een uitverkocht restaurant aan de steak of een van die loodzware lokale specialiteiten. De Savoye is gemaakt van Reblochon.

Wintersport in fantastisch. ’s Morgens wakker worden, de gordijnen opendoen en de besneeuwde bergen zien. De kou en vooral de geur van de kou. De hele dag buiten en de zon voelen. Ongeëvenaard is dat.

En wat me in dat kleine dorpje opvalt is de relaxte sfeer. Niemand heeft haast, alles is ok. Tijdens de lunch zit je op een terras in de zon veel te lang te wachten op je frietje maar ook dat is prima. Je hebt de tijd.

Het is een week waarin ik altijd volkomen gelukkig ben. Ik kom helemaal tot rust, de rest is de ochtend volop aan het skiën en na de lunch opnieuw. Ik niet. Ik wandel en lees. Op het balkon, met de zon op mijn hoofd lees ik boek na boek. Tussendoor wandel ik naar de sauna en iedere dag open ik mijn laptop om toch even te werken. Alles is ok.

De schoonheid wordt vooral veroorzaakt door de stilte die sneeuw ook altijd is. Hier en daar wat geruis, de eerste krakende voetstappen na sneeuwval en die blauwe lucht boven de bergen. Alles klopt en alles valt op zijn plek.

Eigenlijk is die week totaal anders dan de tijd nu en tegelijkertijd is die heel erg hetzelfde.

Waar ik nu beperking en uitzichtloosheid ervaar is dat daar totaal anders. Er is ruimte, er is drukte, er is onbezorgd ’s avonds uit eten gaan bij dat ene toprestaurant waar je de mensen inmiddels kent. De lichtheid van je bestaan komt daar geheel tot uiting. Alles is goed.

Maar het is ook hetzelfde in die zin dat alle dagen op elkaar lijken. Ontbijt, dan een half uur aan de gang om überhaupt naar de piste te kunnen (overigens valt dat me altijd op: skiën is zo enorm veel gedoe met kleding, schoenen, stokken et cetera) en daarna de dag die eruit ziet als de vorige én de volgende dag. Het is dat op donderdagavond er altijd een vuurwerkshow is zodat je weet dat je weer naar huis gaat, anders zou je het niet weten.

Op andere momenten wandel ik lang de hellingen naar Les Menuires. Erg druk met enorm lelijke hotels. En wat ik heel gaaf vind: een soort ondergrondse shopping mall uit de jaren 70. Veel donkerbruin hout, gele en bruine tegels. Ooit was dat helemaal hip, nu niet meer echt. Ik loop daar graag rond. En ook daar weer wat terrassen waar je heerlijk kunt zitten in de zon. Op de terugweg even langs een wat vreemde kapel onder een wat vreemde kerktoren. Als ik mazzel heb zit mijn gezin in een lift die boven mijn hoofd de top op gaat. Veel geschreeuw en heel veel plezier. Iedere dag die wandeling.

Een leven, zeg maar zoals nu. Herhaling. Het grote verschil is dat die herhaling een einde kent die ik ook ken. Op zaterdag is het over, voorbij en rijden we weer 1100 kilometer naar huis. Het is een herhaling met uitzicht. En precies dat ontbreekt in deze Covid-tijd: uitzicht op betere tijden. Geen idee. Slechts hoop.

Zo hoop ik oprecht dat komende jaar de pistes open zijn en dat ik weer in de avond kan aanschuiven voor een heerlijke Croziflette met een heerlijke Mondeuse of Gamay erbij.

Ik heb daar een hard hoofd in.

Wat helpt is dat ik maar heel weinig moeite hoef te doen om te voelen wat ik daar in Les Trois Vallées voel, waardoor ik zo senang ben. En het zou helpen als we hier een mooie winter krijgen met sneeuw en ijs op de ramen.

We gaan het zien.

De Grootste Schrijver is 10 jaar dood.

Ik was 14 toen ik de bibliotheek binnenliep. En zoals zo vaak zocht ik naar niets en dus naar alles. Met mijn hoofd een kwartslag naar rechts gebogen liep ik langs de kasten en haalde er een dik boek met een blauwe rug uit. Ik zag de omslag en mijn hart maakte een sprongetje.

Dat kwam zo.

Laat ik beginnen bij Vesalius. Nee, niet de grootste schrijver maar wel de man die heel systematisch het menselijk lichaam in beeld heeft gebracht. De man die het eerste anatomieboek schreef.

Een facsimile-uitgave van dat boek heb ik al decennia in bezit. Ik weet niet meer hoe ik er ooit aan ben gekomen, maar ik weet niet beter of het is er. En al heel jong keek ik gefascineerd naar die prachtige etsen. Waar Piranesi de Geest heeft weergegeven in I Carceri, daar heeft Vesalius het lichaam in kaart gebracht.

Enfin, de bibliotheek dus. Het boek dat ik uit de kast had gehaald was ‘Wenken voor de Jongste Dag’ van Harry Mulisch. En op het boek was een afbeelding van Vesalius gebruikt, een van de afbeeldingen die ik bezat.

Dit boek kon ik om twee redenen niet laten liggen. Ten eerste natuurlijk Vesalius, maar ook vanwege de titel. In het begin van de jaren 60 hadden mijn ouders bange tijden gekend door de Cubacrisis. Even leek het erop dat er een atoomoorlog zou uitbreken en als voorbereiding daarop distribueerde de Nederlandse overheid een envelop met de titel ‘Wenken voor de bescherming van Uw gezin en Uzelf’. Mulisch’ boek verwees daar direct naar. En De Jongste Dag resoneerde even hard: als bijbelvaste puber wist ik waar dit over ging. Johannes op Patmos kwam via Mulisch en Vesalius tot mij.

Ik was 14 toen alles op zijn plek viel.

Ik heb het boek geleend en in één keer uitgelezen. En toen nog eens. Daarna was er geen houden meer aan. Vanaf mijn 14de jaar heb ik niet alleen alles van Mulisch gelezen, maar ben ik ook alles gaan verzamelen. Alle eerste drukken, roofdrukken, exclusieve uitgaven et cetera.

Wat mij vooral greep was zijn associatief denken, zijn bravoure, zijn onbevangenheid en de samenhang der dingen. En natuurlijk, niet alles heeft verband met elkaar maar het vreemde is dat als je de verbanden maakt ze er ook zijn. Dat leven in je hoofd, in je geest vond en vind ik zeer aantrekkelijk. Tot en met ‘De Compositie van de Wereld’ ben ik gefascineerd. Dat boek is werkelijk door iedereen neergesabeld als filologische quatsch van de bovenste plank. Maar zelfs nu als ik lees over het ‘corpus’ dan zie ik in 1980 dingen beschreven worden die nu werkelijkheid zijn. De samenvalling van het individu met de techniek. Het convergeren van kapitalisme en socialisme in een autoritaire staat (China). En het is geen orakelboek maar een systematische analyse gebaseerd op muziek en logica.

Laat het gekte zijn, het is wel geniale gekte.

Ik bleef dus lezen. ‘Voer voor psychologen’ en natuurlijk een van mijn lievelingsboeken ‘Het seksuele bolwerk’. Ik kan in diepe bewondering de lijst compleet maken maar dat wordt erg saai. Dat doe ik dus niet.

Op 29 april 1988 heb ik Mulisch ontmoet en de hand geschud. Het was bij Broese in Utrecht waar het verzameld werk van Jung werd gepresenteerd met een inleiding van Mulisch. En zoals het gaat als je je held ontmoet, heb je op zo’n moment niets te zeggen. Het bleek een alleraardigste voorkomende wat schuchtere man te zijn, net als ik, die volledig veranderde toen hij zijn voordracht begon. Daar waren de bravoure, de alomwetendheid en het aplomb opeens weer. Mulisch in de publieke ruimte bleek een ander mens te zijn, en ook weer niet.

Toen ‘De ontdekking van de hemel’ uitkwam heb ik ook dat boek in een ruk uitgelezen. Ik kwam alle bewoners van Mulisch’ universum weer tegen. Van Castro tot Donner. Weer was er sprake van een gesloten systeem waarin alles met alles samenvalt en alles met alles samenhangt. Je kunt het lezen als een compendium bij Mulisch. De jaren daarna schreef hij nog, zoals Siegfried, maar het werd minder. Langzaam zag je een uitdovend schrijverschap.

Tien jaar geleden parkeerde ik mijn auto voor een supermarkt toen ik hoorde dat ‘in zijn woonplaats Amsterdam de schrijver Harry Mulisch’ was gestorven. Ik ben maar even blijven zitten, voor me uit kijkend. Stil. Mulisch dood. Het bewijs was geleverd dat ook Mulisch dood kon gaan.

Dit jaar ben ik in Nice samen met mijn zoon op zoek gegaan naar de plaquette die daar is aangebracht in de ‘Jardin Albert I’. We hebben gezocht tot we een ons wogen. Niet gevonden. Twaalf jaar na dato konden wij hem niet meer vinden.

Mijn zoon en ik stopten met zoeken en besloten richting stad te lopen. De drukte in. Het was warm en stoffig. En het was alsof onze voetstappen kleine wolkjes as opwierpen. Het was goed zo.

De vakantie die niet doorging

Oktober, de maand waar ik altijd naar uitkijk. En waarom? Heel simpel, vanwege ieder jaar opnieuw een week in de Var. Na de zomer is het altijd twee maanden keihard werken, lange weken maken, jongens weer naar school en dan opeens is er die ene week in oktober.

Een week die er in grote trekken altijd hetzelfde uitziet.

Vrijdagavond rond 20 uur in de auto en de volgende ochtend ter plekke. Terwijl de familie het bed induikt loop ik dan vroeg naar het dorp (1,5 km) en ga de markt op. Geen toeristen en wel alle vast kraampjes. De kippenboer, de kaasboer die ook perfecte worst verkoopt. Ik wandel in de frisse ochtend de hoofdstraat omhoog, ga naar de bakker en loop weer terug. Ik neem een koffie bij Le Central en steek een kaarsje aan in de kerk. En wandel weer terug de heuvel op naar ons huis.

Thuis aangekomen stap ik in de auto en ga naar de Ecomarché en doe inkopen voor een paar dagen. Als ik dan weer thuiskom dek ik de tafel en ga ik met een koffie op het overdekte terras zitten. De rest slaapt dan nog.

Thuis.

De kleuren van het bos, de geur van de herfst. In de verte het geknal van de jacht in de wijnvelden. Af en toe een sliert brandlucht in je neus van het hout dat door een boer ergens wordt verbrand. De stilte, de wind door de bomen. De lage maar aangename temperatuur.

En dan langzaam wordt de rest wakker en gaan we ontbijten. Rond een uur of drie ’s middags komt dan bij mij de man met de hamer en moet ik een tukkie doe. Als het meezit in de middag nog even in de najaarszon aan het zwembad. En als het echt meezit een beetje zwemmen. Daarna lekker eten met goede wijn.

De dagen zijn gevuld met een bezoek aan de markt van Salernes bijvoorbeeld, of die van Cotignac. Een dag misschien naar Aix en daar ’s avonds een hap eten. Altijd in ieder geval naar Sainte Maxime of Toulon. En dan de boot naar Saint Tropez of Porquerolles. De boottocht die heerlijk is, volkomen vakantie en volkomen rust. Saint Tropez is dan ook prachtig en heel relaxed. De drukke zomer ligt achter ons en wat rest is een prachtdorp in de najaarszon. Hetzelfde voor Porquerolles: een eiland in perfecte rust waar je heerlijk kunt fietsen en genieten van de prachtnatuur.

Ik verheug me ook altijd op het weerzien met de bakker, de caféhouder, de pastoor en die ene vent op het terras die een verre neef is van Steven Seagal. Ik verheug me altijd op eten bij Patou en Seb. Kussen op de wang, een mooie begroeting en dan binnen zitten met een toppizza en goedkope wijn.

Op de pétanquebaan achter het huis met iets teveel drank op een balletje gooien met het gezin. Of lopen door de wijnvelden en hier en daar nog wat achtergelaten druiven zien hangen.

De wandeling achter het dorp langs waarbij je flink omhoog loopt en dan opeens weer het dorp ziet liggen in alle pracht. Het is niet veel, maar wat is het mooi. Het oudste deel, middeleeuws, ligt er mooi bij in de najaarszon. De wandeling is heerlijk, duurt een flink uur en dan zit je gewoon weer bij Le Central.

Op vrijdag pakken we de koffers en ergens in de loop van de middag rijden we weer weg. Maar eerst alles meubelen binnen zetten, het zwembad afdekken en alle luiken dicht. Winterklaar.

Twaalf uur later zijn we weer thuis en heb ik een perfecte week achter de rug.

Nou, die vakantie ging dus niet door. En wat mis ik het. Ik kom erachter dat die ene week in oktober een accu is. Weg van alle dagelijkse Nederlandse beslommeringen en je onderdompelen in een heel simpel vredig leven. Een leven waarin alles zijn plek heeft en een leven dat door de meedogenloze herhaling heel rustgevend is. Die rust mis ik.

Twee weken geleden kregen we het bericht dat het zwembad was leeggelopen. Bijna had ik een reden om toch te gaan en te zorgen dat alles weer in orde kwam. Ik heb iedere verleiding weerstaan.

De Var is donker oranje gekleurd. Het devies is nu heel eenvoudig ‘blijf thuis’. Eenmaal daar is het daar thuis en zouden we moeten blijven. En dat is geen optie.

Dus: de vakantie die niet doorging. 2021 wordt mooi, denk ik zo.

Klant zijn in Frankrijk: een vorm van oorlog. Deel 2!

Nou, dat heb ik geweten. Een blog plaatsen over hoe het is om klant te zijn in Frankrijk. Een stevige blog met reële ervaringen. Geen woord gelogen. Wel met een nadruk op de moeite die het kost om klant te worden. Daar heb ik over geschreven met in mijn hoofd de momenten dat het me enorm moeite kost om voor elkaar te krijgen wat ik zou willen. Of als antwoord ‘nee’ krijgen wat ook een antwoord is. De reacties op mijn blog zijn talrijk en soms niet mals.

Blijkbaar is de stevigheid van mijn woorden aanleiding tot twee soorten reacties:

  1. volstrekt herkenbaar. Frankrijk zit precies zo in elkaar en als klant heb je het moeilijk. Of:
  2. wat een onzin. Blijkbaar heeft deze meneer alleen maar slechte ervaringen en die herken ik totaal niet.

Nu schrijf ik heel vaak over Frankrijk en ik heb het al eens eerder een raar land genoemd. Maar waarom dan eigenlijk?

Omdat het zo divers is. Stug en hartelijk, afstandelijk en omhelzend, regenachtig tot verzengend heet, sophisticated tot aan boers tot op het bot. Alles is aanwezig, soms tegenstrijdig en af en toe verenigd in één persoon.

Dat allemaal los van het feit dat ik altijd weer thuiskom als ik Frankrijk inrij.

Maar dat laat onverlet dat ik er ook over schrijf in hyperbolen. Mijn liefde voor Frankrijk is altijd overtreffende trap en dat zijn mijn ergernissen ook. Klant zijn is een moeizaam gegeven. En in je dorp en streek lukt het nog aardig maar probeer eens door te dringen tot een grote corporate. Of erger nog: probeer het eens via internet. Ooit koploper in Europa met Minitel, nu het slechtste jongetje van de klas.

Het hoort er allemaal bij.

Ik ben een blij mens als ik er ben, ik zie de mooie dingen maar ik zie ook de dingen die veel en veel beter kunnen. Ik lijd daar niet onder.

Dus beste lezers, mocht je je niet herkennen in mijn woorden, dan is dat geen ramp. Ik herken me er ook niet altijd in. Het varieert per dag, per belevenis, per periode. Maar het blijven mijn woorden.

Ik groet jullie allen en mogen we hopen dat de wereld weer eens normaal wordt.

(Voor de geïnteresseerden in klantonderzoek: https://www.info-ecommerce.fr/8796/quelle-relation-client-pour-le-e-commerce-de-demain)