Het is alweer jaren geleden dat er dicht bij ons huis brand was. De hemel kleurde bruin, de geur was enorm. De kinderen waren nog klein en we besloten het huis te verlaten. Le Sommet ligt bijna aan het einde van een doodlopende weg. Je kunt over een muurtje de wijnvelden van Saint-Louis betreden, maar dat is het dan ook.
In de auto met kids en paspoorten en we gingen eten in Cotignac. Ergens in de avond reden we terug. De brand was gedoofd en het huis intact. De volgende dag zagen we de hoeveelheid as die was neergekomen. Een zwembad vol en rondom het huis lag het overal. Maar wij hadden geen directe last.
Hoe anders was dat voor anderen. Hoewel het een kleine brand was was er schade. En het was gewoon beangstigend hoe snel alles ging.
De Var staat in brand. Zuid-Europa staat in brand. Op heel veel plekken zijn branden ontstaan. Soms door onweer maar meest door de mens. Een weggegooide peuk of opzettelijk brand gesticht (zoals op Sicilië). Over een lengte van 22 kilometer brandt het. Van de kust bij Saint-Tropez door het Massif des Maures omhoog. Arm land en arme mensen.
Marseille is een geweldige stad. Rommelig, mooi, rauw, open naar de zee en de wereld. Ik kan er steeds weer komen. Ik verheug me op de zee, de haven, lekker eten, MuCem, Le Panier en ga zo maar door. Ik ben er graag. Onlangs dus ook. Een hotel aan de haven. Rechtsaf de deur uit en wandelen maar.
Dat heb ik volop gedaan met mijn zoon. Samen kunnen we enorm goed wandelen. Zonder doel, zonder richting, gewoon wandelen en dan zien waar je terechtkomt. We liepen de Canebière af tot de gewone winkels overgingen in winkels met telefoonhoesjes. Een beetje scharrig en daarmee ook interessant. Buurten waarin wordt geleefd door mensen van over de hele wereld. Wat drinken op een terras bij een uitgelaten Algerijn die liedjes zong en weer door.
We liepen richting haven en bogen iets af naar links toen ik deze winkel zag:
4 Rue de Récollettes
Ogenschijnlijk gewoon een Franse winkel zoals je er zoveel tegenkomt. In Aix bijvoorbeeld. Een etalage met wat messen, Laguiole, Opinel et cetera. We besloten toch maar even naar binnen te gaan. Dat wil zeggen, ik besloot dat en de zoon ging gedwee mee. Hij weet hoe ik van kookgerei hou.
De deur ging open en we stapten in een kleine winkel met louter messen. Van heel goedkoop tot heel duur, van heel groot tot heel klein. Keukenmessen, jachtmessen, paddestoelmessen met een borsteltje en siermessen met parelmoer. Werkelijk alle soorten en maten lagen er in vitrines uitgestald. Rechts was een kleine doorgang en we gingen verder. Daar kwam ik in het kookwalhalla.
En winkel op zich gevuld met allerlei potten en pannen. Van Creuset tot aan LeBuyer, van plaatstaal tot gietijzer. In alle soorten en maten.
Een overvloed aan pannen op zo’n klein oppervlak. Ik zag daar een van de mooiste pannetjes ooit staan overigens. Italiaans van geborsteld RVS. En ook deze winkelruimte had een kleine doorgang: naar de afdeling met bakgerei.
Daar stond een norsige man met een enorm embonpoint achter de kassa. Ik zei tegen hem dat deze winkel ‘très formí was. Daarop zei hij ‘formi, formi, formi….’ en toen ik hem aanvulde met de rest van de Aznavourtekst stonden we samen te zingen. Hij breed lachend. Totaal geen norse Fransman, meer een behoedzame.
Na deze ruimte was er weer éen: met zeefjes, 1 kookboek (La Cuisinière Provençale, maar daar wel honderden stuks van), eierdopjes etc etc.
Vanuit deze ruimte kwamen we in de ruimte waar een doe-het-zelfafdeling was. Van lijnzaad en -olie tot en met staalwol en fittingen. Alles. Alles. Naast de kookwaren vond ik zelf de speelgoedsectie het leukst. Heel oud speelgoed, veel hout en blik. Prachtige spullen allemaal. Geen troep te vinden.
In totaal zijn het elf winkels in een winkel met drie ingangen en drie etages. De kleinste etage heeft alleen kleding. In totaal 1300m2 met meer dan 50.000 artikelen in wat zij zelf “de grot van Ali Baba’ noemen. Iedere winkel heeft een eigen kassa. Mijn zoon zei dat het wel allemaal straatjes leken uit een film van Harry Potter. Die sfeer. Ongelijke vloeren, oud hout, scheve kasten, smalle lage doorgangetjes.
Wat opvalt is het gevoel voor kwaliteit dat in deze winkel heerst. Alles is goed gemaakt en van goed materiaal. Gemaakt om lang mee te gaan en iedere keer dat je iets beetpakt dat je voelt dat het goed is. Zoals dat heel mooie pannetje.
Maison Empereur bestaat als sinds 1827 en het is nog steeds in handen van de familie Empereur.
Ik was al onder de indruk van Dehillerin in Parijs maar ik moet eerlijk bekennen dat dit toch een hors catégorie ervaring is. Twee zaken dus om steeds weer terug te keren naar Frankrijk.
En heel eerlijk: waar in Parijs Le Roi te vinden is, is er maar éen Keizer van Frankrijk en die huist in Marseille.
Adressen:
Maison Empereur 4 Rue des Récolettes, 13001 Marseille
Terug van drie weken Frankrijk, mijmer ik nog na over weer een heerlijke tijd. Een paar dagen Marseille (waarover later meer in een volgende blog) en daarna lang op Le Sommet in de Var. Vooraf netjes alles geregeld: de eigen verklaring dat we geen Covidgerelateerde klachten hadden, de appli gedownload en er onze QR-codes ingezet zodat we overal onze pass sanitaire konden laten zien. De jongste zoon die nog niet volledig was gevaccineerd netjes een test laten doen en de oudste eveneens voor die later invloog.
We waren er klaar voor.
In de auto en op weg. Twaalf uur later parkeerde ik de auto in Marseille en stapten we uit. Onderweg hadden we gezien dat iedereen zo snel men inpandig was een masker droeg. Ook hier in de parking. Eenmaal op straat op weg naar het hotel was de sfeer uitgelaten zomers en relaxed. In het hotel masker op, bij de ontvangst, in de lift (niet meer dan twee personen) en op de gangen. Geen uitzonderingen gezien.
Ik ben veel met mijn jongste zoon de stad in geweest. Wandelen en hier en daar wat drinken. Wat een prachtige stad. En wat ons opviel: op het moment dat het echt druk was (rond de haven) droeg men een masker maar verderop op de Canebière, waar de winkels overgaan in winkeltjes met smartphonehoesjes, droeg nog een procent of twintig een masker. Verder niet.
Nog niet één keer was gevraagd naar mijn pass sanitaire. Tot we een tocht boekten naar het Île d’If. Toen moesten we hem wel tonen. Later op het eilandje moesten we hem nogmaals tonen om toegelaten te worden tot het museum. En ook nu: op de boot binnen iedereen met een masker, buiten niet. In het kasteel op en erbuiten af.
Zo is het drie weken lang gegaan. Alles en iedereen heel relaxed omdat de regels heel duidelijk zijn en door iedereen worden nageleefd. De Intermarché in het dorp, in de kerk, lopend naar het terras op en eenmaal zittend af.
Pas toen we de ‘grens’ met Monaco passeerden werden we aangehouden en moesten we alles laten zien. En ook daar hetzelfde beeld: binnen en op drukke plekken buiten een masker op.
Gedrag valt te sturen
De regels in Frankrijk zijn heel duidelijk, dat bleek. Bij iedere winkel stond een bordje met ‘masque obligatoire’ en omdat iedereen er zich aan hield werd het normaal. Duidelijke regels dus. Daarnaast hadden winkels eigen aanvullingen. Bij de bakker in het dorp mochten niet meer dan twee mensen tegelijkertijd binnen zijn. En iedereen die zich daaraan hield. Geen uitzonderingen. Supermarkt: idem.
Bij de Abbaye de Thoronet moest iedereen zijn pass sanitaire laten zien en die werd ook gescand voor je naar binnen mocht. Dat deed dus iedereen en ook daar de maskers.
Er waren twee dingen: de regels waren helder én iedereen deed mee (of was de pineut als je het zo wilt zien). Dat maakt dat het gedoe heel democratisch was, zonder aanzien des persoons, en daarmee heel acceptabel. Ik heb nergens mokkende mensen gezien. Het was prima.
En ook op de overdekte markt in Cannes, zie de foto, droegen mensen een masker. Eenmaal buiten ging het ding weer af. Tot men weer in een van de smalle drukke straten kwam, dan ging ie weer op. Ook hier weer simpel: als je twee meter afstand kunt houden, geen masker verplicht. Kan dat niet: masker verplicht.
En ja, soms is het gedoe, dat vind ik ook. Maar overal zijn maskers te koop voor de luttele prijs van €1,90 per 50. En je moet er gewoon een aantal bij je hebben.
Later werden de regels iets aangescherpt, precies op de aangekondigde datum! Dat betekende dat de niet (volledig) gevaccineerden een bewijs moesten overleggen van een test. In ons dorp kon je die test gewoon doen bij de Pharmacie voor €25,01. Een kwartier later kreeg je netjes je dossier met bewijs van negatieve test. Laagdrempelig en makkelijk. Als je de, altijd drukke, pharmacie binnenliep kreeg je voorrang als het om een test ging. Ook hier: iedereen moest dit doen en dus was het prima. Geen uitzonderingen, geen geklaag, geen gedoe. Heldere regels en een goede infrastructuur.
Wat vond ik ervan?
Ondanks het feit dat in Frankrijk bijna 67% volledig gevaccineerd is is dat in PACA anders. In PACA woont 5,1% van alle Fransen (5,1/67,1 miljoen), het aandeel mensen op de IC is 16% (297/1852), op zondag 15 augustus zijn er in PACA 19 nieuwe opnamen op de IC bijgekomen (26% van het totaal in heel Frankrijk). Het aantal besmettingen (per 100.000 inwoners) ligt in PACA meer dan twee keer zo hoog als in heel Frankrijk (536/246). En ook hier geldt dat de niet- of gedeeltelijk gevaccineerd het ziekenhuis bevolken.
Wij wisten dit vooraf. Wij weten ook dat we zelf goed beschermd zijn en getest. We weten ook dat we op ons bergje geen enkel risico lopen en dat dat risico er alleen maar is als we ons onder de mensen begeven.
En als je je onder de mensen begeeft, zie je dat duidelijke regels en een bevolking die zich daaraan houdt vrijheid geven. Ik heb me nergens kwetsbaar gevoeld. Nee, dat is niet waar. Eén keer wel: we stonden met zijn drieën in de lift in het hotel toen er toch mensen bijkwamen staan. Ik ben uitgestapt. Dat wilde ik echt niet. Maar dat was dan ook de enige keer.
Pas bij terugkomst in Nederland voelde ik de kwetsbaarheid weer. In de supermarkt, waarin geen maskers meer gedragen worden en iedereen weer over elkaar buitelt bij de groenten. In de boekhandel, waar ik voor een kast staande het gehijg van een andere klant in mijn nek voelde. Terug in Nederland dus.
Ik zou graag strengere regels in Nederland willen om erger te voorkomen. Heel eerlijk: overal een masker dragen is echt geen opgave. Het is normaal als iedereen het doet. Erg fijn en ontspannen.
Tsja, dan laat je je toch weer overhalen door de puber om naar Monaco te gaan. En zo togen wij vanuit ons dorpje naar Monaco, wetend wat we tegemoet gingen. Twee uur rijden en de auto was geparkeerd onder de terminalpier. Trappen en liften naar boven en daar stonden we in het Zuid-Franse equivalent van Valkenburg of Monschau of ieder ander toeristenoord.
En zeker, het is prachtig. Het uitzicht over de haven, de bergen achter dit ministaatje. Allemaal mooi. Maar er straalt ook een zekere armoe vanuit. Armoe en Monaco gaan niet samen en precies daar zit het ‘m in. Alles is ingesteld op ofwel massatoerisme (bovenop de rots in de oude stad), of op wat men in de sociologie “conspicuous consumption” noemt (beneden bij het casino).
Eerst maar de oude stad. Op het eerste gezicht oogt het helemaal niet zo toeristisch. Tot je richting paleis loopt. Een eigenlijk wat klein en rommelig gebouw met daaromheen typische toeristenwinkeltjes. Petjes, shirts, sneeuwbollen, kentekenplaten, noem het maar op en je kunt het er kopen. En dat gebeurt volop. Zelfs nu tijdens corona is het er heel druk.
En over corona gesproken: bij binnenkomst in Monaco werden we aangehouden en moesten we onze pass sanitaire tonen. Voor het eerst tot nu.
En dan de benedenstad. Ik vind dat je het een keer moet hebben gezien. De auto’s, het casino, de opgespotenen der aarde. Eén keer is genoeg. De puber wilde twee dingen: auto’s kijken, klokkies kijken en dan toch ook een derde, de kans hebben dat hij Max Verstappen tegenkwam. Nou wilde het toeval dat net toen wij boven waren, Verstappen een post op insta zette van zichzelf hollend langs de kade. We waren wat laat.
Dus wij auto’s kijken, nogmaals het casino en winkels met de duurste horlogemerken. Winkelende mensen met achteloos drie of meer tassen van peperdure merken, behangen met glimmend goud dat meer dan een modaal inkomen kost. De parkeerplaats voor Hotel de Paris waar je als sterveling niet mag komen, auto’s die miljoenen kosten. Niet een paar, maar tientallen.
Conspicuous consumption. Het kopen van spullen die een kernwaarde hebben (een auto) maar die zo luxe en zo over de top zijn dat ze slechts nog één doel hebben: laten zien dat je bulkt van het geld. Meer niet. En de ander laten voelen dat die niet bulkt van het geld. De reden dat men wil wonen in Monaco, los de van de Monegasken, is natuurlijk geld. Het is crowded en lelijk, en als je een uitzichtje denkt te hebben wordt er gewoon voor je neus een nieuwe flat gebouwd. Nee, voor de schoonheid kun je beter richting Èze gaan. Ook peperduur maar een Frans belastingrégime.
Precies dat uitstralen van al die rijkdom maakt me moe en opstandig. Er heerst in Monaco een ethische leegte die zijn weerga niet kent. Het is leeg, oppervlakkig, nietsig.
Ik de haven lag een boot, de KAOS. Nu kun je alles opzoeken en dus ook van wie deze boot is. Let op: de KAOS is van een van de nazaten van de oprichter van WalMart. Gekocht voor 300.000.000 dollar en het kost per jaar 30.000.000 dollar om hem in de vaart te houden. Het is dus een boot. Die per jaar een bedrag kost waarvoor een gemiddelde Nederlander 700 jaar moet werken.
Dit is Monaco. Luxe ledigheid.
Ga naar Nice, of Cannes. Ook daar dure auto’s en boten. Maar vooral een stad eromheen en een achterland van Fransen, gemiddelde Fransen die gewoon lekker willen leven en eten en drinken. Die wat sparen voor later of voor hun kinderen. Ga een keer naar Monaco om te zien welke wereld er ook is.
Volgende keer krijgt de puber weer zijn zin overigens.
Het echte, platte, gewone leven saai vinden. Je zal het maar hebben. Dat je naar buiten kijkt en denkt ‘dit lijkt allemaal wel zo, maar er is natuurlijk meer aan de hand’. En dan ga je zoeken en, verdomd, je vindt aanwijzingen dat er inderdaad meer aan de hand is.
Je kijkt naar het ophalen van het huisvuil en opeens valt je op dat er een nieuw iemand meeloopt. Niet eerder gezien. En hij zet de containers wel weer terug aan de weg maar laat het ophalen aan de ander over. Hij heeft ook een ander soort schoenen aan. Niet van die zware met dikke rubber zolen maar sportievere. Te nieuw ook. Er zijn meer gekke dingen.
Voor hij de container terugzet lijkt het wel of hij er iets ingooit. Met een swingend handgebaar neemt hij de container aan en daarbij wipt het deksel iets op. En dan doet hij iets met zijn rechterhand. Snel, te snel.
En wat nog het meest opvalt: hij zet alle containers perfect recht langs de stoeprand weer terug. Dat gebeurt echt helemaal nooit! Je moet ‘m altijd ergens bij de buren halen waar er gewoon drie of vier bij elkaar staan. Deze nieuwe vent is veel te netjes. Er klopt iets niet.
Je vergeet het weer.
Tot je in het dorp loopt en Handhaving aan het handhaven is. Er worden bonnen uitgeschreven en parkeerders aangesproken. En hoewel je ze inmiddels allemaal wel een keer hebt gezien loopt ook hier er opeens een tussen die te netjes is. Het valt je weer op. Hij blijft beleefd tegen overtreders, rustig. Betere schoenen en zijn uniform is heel nieuw. Hij kijkt veel om zicht heen. Hij ziet jou en hij knikt vriendelijk tegen je. Bijna alsof hij je kent of herkent. Hij kijkt je na en als jij omkijkt draait hij zich snel om.
Je vergeet het weer.
Op Facebook krijg je een post van een vriend die denkt dat de overheid zijn dorp aan het overnemen is. Niet alleen weigert hij een mondkapje te dragen, bewijs van slavernij, maar hij wordt ook boos als hij daarop wordt aangesproken. En dat is laatst gebeurd. Hij werd een winkel uitgewezen en buiten werd hij aangesproken door een BOA. Een keurige vent, daar niet van, maar wel een onderdrukker. En hij werd een paar keer gebeld op zijn mobiel en dan werd er snel opgehangen.
Daar heb je het: een keurige vent! Een ambtenaar. Een BOA.
Je gaat beter opletten in jouw eigen omgeving en op tv. Je ziet zogenaamde Romeo’s optreden op het Malieveld. Agenten in alledaagse kledij die opeens mensen arresteren. Je leest over ambtenaren die vuilniszakken controleren in Amsterdam en dan mensen bekeuren. Opeens moet je denken aan die man van KPN die laatst kwam vragen of je ook op glas over wil gaan. Dat ze dan in je huis moeten zijn. In de kruipruimte. Die vent zag er ook niet uit als een werkman. Meer als een keurige ambtenaar. En opeens kreeg je daar ook mail over. Hoe komen ze aan mijn mailadres?
In feite leef je in een wereld waarin ze bezig zijn je te controleren en aan te sluiten op hun netwerk. En waarom? Om de nieuwe slavernij te vestigen. Burgers worden geslachtofferd aan de overheid. Er is teveel toeval. Het kan niet allemaal zomaar gebeuren. Er is meer aan de hand. Je verliest je in Facebook en omdat je WA niet meer vertrouwt download je Signal waar een kennis van je ook zit. Een kennis wiens moeder opeens ziek werd na het bezoek aan een corona-teststraat. Een week later was ze dood. Een oom idem. Daarover wordt veel met elkaar gesproken op social. Het wordt je ook duidelijk dat de MSM, dat journalistentuig, daar allemaal geen aandacht aan besteedt. Niets hoor je over al die doden. Ouderen, jongeren, kinderen, ze worden allemaal weggepoetst in de statistieken. En die zijn ook al niet betrouwbaar. De echte statistieken, je ziet ze op Facebook, worden verzwegen. Het is niet meer dan een griep en al die doden, hoorde je laatst, zijn het gevolg van een heel groot experiment. Daarvoor moet je worden gevaccineerd: dat je geen weerstand meer biedt en dat je accepteert dat je onderdrukt wordt.
Nooit zul je dat accepteren. Je neemt maatregelen. Je vuil breng je weg naar de stort, snel, anoniem. Je neemt een ander mailadres en een ander nummer. Je let nog beter op. Op straat, in de supermarkt. En dan nog iets: nooit zul je je laten vaccineren!
Je vrienden, de wakkeren hebben gelijk, volgende week zul je erbij zijn op het Malieveld.
Voetbal is niet iets waar ik uit mezelf naar kijk. Ik ken vrijwel geen namen van voetballers, ik weet niet welke teams er in de Stoelgangcompetitie spelen en als het over het buitenland gaat ken ik maar een paar namen van teams. PSG, Olympíakos, Olympique Lyon (kom vaak langs het stadion), Spartak Moskou en HSV. Dat ongeveer.
Maar deze week heb ik toch even gekeken en twee wedstrijden deels gezien. Een met oranje, tegen Oostenrijk (Zweigelt – vooral van Heinrich of Umathum – is top) en een met Italië.
Ik kan er kort over zijn.
Italië speelt met een flair en een durf die navolging verdienen. Een ballet op het veld. Altijd aanvallend, de ruimte zoekend, elkaar aanspelend. En steeds met een plezier onderling waar de schoonheid van afspat. Geen idee hoever zij komen maar wat een genot om naar te kijken.
Oranje speelt als een boekhouder en actuaris. Rekenend, beetje achterin hangen en breed spelend. De tegenstanders murw makend met een 10-1 systeem: tien in de verdediging én een keeper. En dan hopen op Dumfries, de enige speler die overal was en wil winnen. De rest wil niet verliezen.
Nogmaals: geen idee welk team verder komt maar het oog wil ook wat. In sport heeft heroïek een plek. Waarom is Hinault een geweldige wielrenner en Indurain niet. Precies.
Jaren geleden kreeg ik voor, ik meen, vaderdag een Kobo e-reader. Ik was daar heel blij mee. Als ik op vakantie ga dan nam ik altijd een koffer boeken mee. In drie weken las ik dan een boek of 15 en die moesten mee in de koffer. Het kwam voor dat ik zonder boek kwam te zitten en dat was niet fijn.
Twee vliegen in een klap: minder boeken mee want alles stond op één device én ik kwam niet zonder boek te zitten.
Een Kobo dus en al snel stonden daar tientallen boeken op. Van Baldacci tot Isaacson. Van de Bijbel tot Hemingway. Fictie en non-fictie en science fiction (van de geweldenaar PKD). Ik had kortom een hele bibliotheek tot mijn beschikking.
De eerste vakantie nam ik dus vijwel geen boeken mee maar wel mijn Kobo. Het ding is simpel te bedienen, oogt mooi en past perfect in mijn hand. Wat me direct opviel is hoe traag ie is. Mijn leessnelheid is redelijk hoog en een fysieke pagina omslaan gaat in milliseconden en op de Kobo duurt het een lichtjaar. Naar mijn gevoel.
Maar goed, het ding ging mee in de koffer. Naast een aantal boeken natuurlijk.
En ik moet zeggen, de eerste dag naar het Lac de Sainte-Croix zat ie in de tas en ik heb volop gelezen. Ik hou van heel licht reizen, hoe minder spullen des te beter. Lichte tassen, weinig spullen en dan is zo’n Kobo ideaal. In de felle zon moest ik even wennen aan het scherm, beetje somber. Ik moest wennen aan het “omslaan” van de pagina. Maar zoals het met alle nieuwe dingen is: je went eraan en dan gaat het goed.
Ik las, zonde, zwom en las. Prima.
Eenmaal terug legde ik de Kobo weg en pakte ik een boek. En opeens drong het verschil tot me door: op een e-reader lees je tekst en geen boek. Met een boek lees je een boek.
Wat is het verschil?
Boeken. Ik kan me geen leven voorstellen zonder boeken, fysiek aanwezige boeken. Neem nou dit boek:
Ik heb dit boek op 19 maart 1986 gekocht in Utrecht. Op de omslag staat een foto van Sartre in uniform. Hij was opgeroepen tijdens de zogenaamde Schemeroorlog en deed dienst bij de Meteorologische dienst van het Franse leger. Ik had al heel veel van en over hem gelezen en ik herkende de foto. 1939 en 1940, de jaren die in deze dagboeken aan de orde komen. Ik wist van deze tijd en ik wist dat bij Gallimard in 1983 “Les Carnets de la drôle de guerre” waren verschenen. En nu in Nederland.
Uitgegeven in de privé-domein reeks die ooit was opgezet door wijlen Martin Ros. Een boekengek met een neus voor kwaliteit. Een mooie reeks met grote namen en grote titels. De uitgeverij is de Arbeiderspers. Mijn moeder spaarde geld om de boeken van AP te kunnen kopen. Mooie titels, uitgegeven in hard cover met meestal een linnen coating. Ik heb de meeste van die boeken nog staan in de kast. Ik heb ze alle gelezen.
Je weet vooraf welk papier gebruikt wordt voor deze reeks: dik, wat gelig papier waar een klein ribbeltje in zit. Een mooie klassieke letter en de paginanummering altijd tussen haken.
Als je je vingers over het papier laat gaan voel je weerstand. De geur is specifiek. De boeken vallen altijd mooi open. Ze zijn niet heel zwaar en ze zijn heel handzaam in het lezen.
Je gaat lezen. De eerste pagina’s gaan er doorheen, je slaat pagina na pagina om en je verdwijnt in de tekst. Opeens lees je iets over Paul en je denkt ‘wat was er eerder met Paul?’. Pagina na pagina ga je terug en je leest weer stukjes tekst tot je bij de passage komt die je zocht. Ik sta op, loop naar de kast en pak je de Brieven aan Castor van Sartre. Ik lees daarin de passage over Paul van 16 november 1939. Iets anders qua weergave. Sartre schreef dus én een dagboek én brieven aan Beauvoir én hij werkte aan filosofisch werk.
Wat een boek is, is een universum dat zich voor je opent. Van omslag tot leeservaring. Van gevoel tot geur. Je kunt erin bladeren, het wegleggen, oppakken, doorbladeren, streepjes zetten, ezelsoren in maken. Een ding van waarde en die waarde komt niet alleen niet tot stand door louter de tekst.
Een e-reader is heel functioneel en je leest inderdaad de tekst gevat in letters. Altijd hetzelfde lettertype, dezelfde opbouw. Alsof je een handleiding leest die vooral functioneel moet zijn. Wat ik mis is het geheel van boek als ding en boek als inhoud en hoe die twee samenhangen, elkaar versterken.
Nu is er een nieuw fenomeen dat weliswaar wordt gedrukt maar eigenlijk een gedrukt e-book is: het zelfuitgegeven boek. Vooral in de zakelijke sector. Ik ken inmiddels een aantal mensen dat een boek heeft geschreven en het niet uitgegeven krijgt. Dan doe je dat tegenwoordig zelf. Ik maak een diepe buiging voor hen want ze hebben een boek geschreven en dat komt nog uit ook! Je kunt het kopen en dat doe ik dan ook af en toe. Wat je merkt is dat die boeken allemaal lelijk zijn vormgegeven. Omslag, tekst met titel, eventueel ondertitel en auteur. De sjablonen die worden gebruikt komen uit eenzelfde programma. Dat maakt dat deze boeken zielloos ogen, fletse kleuren, veel grijs en wit. Vooral heel functioneel. En zo benadert een gedrukt boek de tekst op je e-reader.
Mijn leven bestaat uit het lezen van fysieke boeken, zo’n twee per week. Ook op vakantie doe ik dat. Ik heb mijn Kobo altijd bij me en af en toe lees ik daarvan. Niets mis mee.
J’en ai ras le bol. Ik heb ooit een asbakje gehad met die kreet erop en iedere keer als ik voelde dat ik er schoon genoeg van had, stak ik een Boyards maïs op en dan ging het weer een stuk beter.
En waar heb ik dan nu genoeg van (zonder het met Boyards weg te roken want dat is verleden tijd)?
Ik mis Frankrijk. Ik mis de Fransen. Afgelopen week sprak ik met vrienden die absoluut niet van Frankrijk en de Fransen houden. Zij zeiden ‘ja maar jij bent gewoon verliefd op Frankrijk, terwijl de mensen zo godvergeten arrogant en naar zijn’.
Nu hoor je dat wel vaker. Mijn ervaring is een heel andere. Ok, je moet het niet hebben van Parijs. Dat is toch echt anders dan de rest van het land. Ga ik het ook niet over hebben. Maar de campagne, de Var, waar ik geregeld kom is toch zeker niet zo arrogant en naar. Ik heb altijd de indruk dat men een soort gêne voelt jegens buitenlanders. Men spreekt alleen maar Frans, door Parijs wordt men gezien als kinkels en dan komen die toeristen met hun wereldse houding. Daar sta je dan met je restaurant met plastic tafels en altijd weer dezelfde pizza’s. Zoiets.
Mijn ervaring is ook dat die houding verdwijnt op het moment dat je zelf toeschietelijker wordt. Een beetje Frans spreken, beetje kletsen op het terras, interesse tonen voor mensen et cetera. Dan blijken die Fransen net mensen. Veel plezier in het leven, een scherp oog voor alle scheve verhoudingen in het land en, ja dat is waar, erg behoudzuchtig.
Daar zat ook de kritiek van mijn vriend: Frankrijk staat stil, wil niet vooruit en is een blok aan het Europese been. Als je dan een beetje in de geschiedenis duikt, zeg terug tot 1914, dan ga je al meer snappen van die houding. Dat men altijd wat op de hoede is voor Europa, dat sinds De Gaulle de Republiek sterk presidentieel is geworden, dat de Fransen schelden op Parijs en tegelijkertijd het heil uit Parijs verwachten als het leven tegenvalt. En daarbij, wie zegt dat vooruitgang een intrinsieke waarde heeft? Dat men vooruit moet? Waar staat dat? Is behoud niet ook heel erg mooi. Terroir, comme d’habitude.
Goed, mooie bespiegelingen, maar waar heb nu genoeg van? Waar zit mijn “j’en ai ras le bol”?
Gewoon: dat ik al zo lang niet in de moeilijke, tegendraadse, aartsconservatieve, heerlijke, liefdevolle, complete land ben geweest. En daar heb ik meer dan genoeg van.
Zoals het er nu uitziet ga ik binnenkort naar de Var, naar die berg waarvan ik tientallen kilometers ver kan kijken. ’s Avonds de lichtjes van Entrecasteaux, Saint Antonin, Salernes en verder. Ik verheug me er enorm op. En ik weet dat het voor slechts een paar dagen zal zijn en dat er nog steeds restricties zullen zijn. Maakt niet uit. Ook dan is het prima.
Ik heb natuurlijk al meer geschreven over de Var. Altijd met liefde en heel veel plezier. Al 19 jaar komen we in Carcès en het voelt altijd weer als thuiskomen. Terwijl je niet thuis bent als je er niet woont. Ik kan er niet lang genoeg zijn. De eerste week voel ik nog altijd de druk van Nederland en het werk, de tweede week kom ik al een beetje tot rust en de derde week ben ik pas echt helemaal los. Dan geniet ik het meest. Dan pas val ik samen met het tempo en de sfeer van het dorp. De routines en het kletsen met de locals.
En nu na een zeer lange tijd gaan we terug. Als het kan.
Terugkeren naar je huis op afstand is altijd opwindend en verwachtingsvol. Maanden niet geweest terwijl je wel het weer in de gaten hebt gehouden. Regen, stormen, sneeuw, wateroverlast: je hebt alles voorbij zien komen. Dat zal bij mij niet anders zijn dan bij iedereen: in mijn weerapp zit standaard Carcès en ik volg het weer. En soms vraag ik me af of het wel goedkomt met alle stormen en sneeuw en regen. We wonen in een woonbuurt met verder alleen Fransen en die houden een beetje een oogje in het zeil. Maar goed, je mag niet teveel leunen op de vriendelijkheid van je buren. Je kunt het ook anders regelen.
Wij hebben André, onze steun en toeverlaat ter plekke. Een Nederlander die al lang in het dorp woont en dan nog eens 200 meter bij ons vandaan. We hadden elkaar tot een paar jaar geleden nooit gesproken. Dat klopt dan weer wel, want om bij hem te komen moet je niet rechts de berg op, waar ons huis is, maar links de berg af. En daar kwamen we nooit. Tot we een tip kregen.
Het voordeel van André is dat hij op zijn Nederlands alle werklieden uitkiest: ze zijn betrouwbaar, ze komen op tijd en leveren goed werk.
Afijn: af en toe hebben we contact met hem om te zien of het huis alles overleeft. Wat meestal het geval is.
Maar toch, na een lange rit komen we na de winter aan en dan is het afwachten. Doet de koelkast het nog, hoe ziet het zwembad eruit, is er ergens in huis een lekkage geweest, zijn er takken uit bomen gewaaid?
Pas na jaren kom je er achter hoeveel het kost om een huis gewoon in goede staat te houden. Niet alleen in Euro’s maar ook in tijd. En zeker als je het huis deelt met meerdere gebruikers.
Wat ik heb geleerd is dat alles wat je bijvoorbeeld aan apparatuur hebt, super simpel moet zijn. Zo hebben wij een paar jaar geleden een überhippe koffiemachine gekocht. Prachtig ding en er kwam lekkere koffie uit. Mijn dag begin ik graag met café au lait (wat ik in Nederland nooit drink) bij het ontbijt. Ging super met dat ding. Heerlijke koffie en de melk was zeer schuimig. Vrienden van ons kwamen langs voor een paar dagen, en op de eerste ochtend overleed het koffieapparaat. Nog geen week oud. Design is mooi, maar praktisch gezien leidt het tot niets. Daarna een supersimpele Magimix gekocht.
Van koelkast tot wasmachine tot droger: eens in de zoveel jaar moet je de boel vervangen. Dat is niet erg maar je moet er wel rekening mee houden.
Dat onderhoud heeft ook iets knus. De lelijke plekken op het hek weer schilderen. In de zon met je blik blauwe verf op je gemak de boel schilderen. Met een laddertje tegen de muur, de dakgoten weer leegmaken. Bouten en moeren vastzetten, de gasBBQ weer aan de praat krijgen omdat alle gaatjes dichtgeslibd zijn. De ligbedden weer terugzetten bij het zwembad. Alle schorpioenen verjagen. Hier en daar een lampje vervangen. Het klokje op de oven gelijkzetten omdat er ergens ooit weer een stroomonderbreking is geweest. Naar het tankstation om de gasflessen te vervangen. En intussen een goed glas wijn erbij. Zelfs klussen is in de Var top.
Terugkeren naar Frankrijk levert dus werk op en dat is heerlijk. Het hoeft ook niet allemaal in één dag. Ok, de koelkast vervangen wel, maar de rest niet. Gewoon de tijd nemen en intussen genieten van het weer, de geur, de boulanger, het terras. Een beetje aanrommelen dus.
En precies dat wil ik een paar dagen gaan doen. En nacht doorrijden, ’s ochtends naar de Ecomarché en inslaan voor de komende dagen en dan het erf niet meer verlaten. Behalve voor de bakker.
Ik weet ook dat er weer tijden zullen komen die zorgeloos zijn. Geen idee wanneer, maar ze komen. Dat je ’s nachts weer bij het tankstation met alle anderen een espresso drinkt en een broodje koopt en weer doorrijdt. Dat de markt in het dorp weer volledig is, van matrassen tot aan sublieme kaas. Dat de restaurants weer gewoon open zijn met live muziek. Die tijden komen weer.
Tot dat moment is het kleine al heel groot. Verwacht niet teveel dan valt er ook niets tegen. Zo ga ik op pad. En met al die maatregelen is er ook heel veel tijd voor alle klussen. We gaan het zien.
Ik was een jaar of 26 toen ik in Parijs terechtkwam. Heel verhaal, maar ik bleef uiteindelijk een maand of vier. Ik woonde in de Rue Cujas op nummer 19, in het Grand Hotel Saint Michel op de derde etage aan de voorkant. Toentertijd een woonhotel waar ik voor Ffr. 10,– per nacht kon wonen. Omgerekend van dat zo’n Hfl. 3,50, dus voor honderd gulden per maand had ik een onderkomen. (Tegenwoordig betaal je voor een kamer een begintarief van €230 per nacht).
Een oude mevrouw, ze heette naar ik me kan herinneren Mme. Salvage, maakte ’s morgens soep en dan rook het hele gebouw naar soep. Als je wilde kon je ’s avonds een boule soep bestellen.
De kamer die ik had was groot, het waren eigenlijk twee kamers. In de woonkamer stond een grote tafel met groen ingelegd leer zonder stoelen. Verder stonden er twee oude leren fauteuils voor het raam en er waren twee bedden. Eén bed in een aparte ruimte en suite.
Op een dag stroomde er water langs mijn muur en ik ging naar beneden om dat te melden. Ach, dat was de idioot op de vierde was het antwoord. Een “filosoof” die de gewoonte had heel lang in bad te zitten en dan vergat hij wel eens het water uit te zetten. Kon gebeuren.
Zo dus ongeveer was de sfeer. Het waren de jaren 80.
Op een ochtend, ik stond altijd heel vroeg op, liep ik vanuit mijn hotel richting de Bd Saint Germain. Mijn doel was simpel: eerste bij een tabac een pakje Boyards maïs kopen en dan door naar de Place Maubert om brood, kaas, worst en wijn te kopen en gewoon even over de markt slenteren. En koffie bij Le Village Ronsard.
Het zou een warme dag worden en de stad was heiïg.
Ik kwam aan op de hoek op de foto en toen gebeurde het. Er overviel mij een diep geluk, een gevoel waarin alles samenviel en ook nog eens mijn kant op. Een geluk zoals ik niet eerder had gevoeld. Het vroege verkeer kwam voorbij, ik rook de uitlaatgassen, ik keek beide kanten op op de boulevard en alles klopte. Ik was in Parijs en Parijs was in mij.
Sinds die ochtend mis ik Parijs, altijd weer.
Zoals gezegd: ik was er een maand of vier. Niet altijd even gelukkig maar meestal wel. Ik heb iedere hoek en straat in mijn quartier leren kennen. Ik ging voor weinig eten bij een Algerijn in de Rue Boutebrie. Fantastische couscous voor weinig. Ik kocht een mooi pennetje op de Bd Saint Michel en later mooi papier (5mm ruitjes, lichtpaarse lijntjes) bij Gibert. Ik zat uren op de Place Contrescarpe en at in de Rue Mouffetard. Wandelde dagen in de voetsporen van Sartre. Baguette met worst en kaas, weggespoeld met goede rode wijn in de Jardin de Luxembourg. Alles was zoals het moest zijn.
Maar hoezeer ik ook alles deed, het gevoel van die ochtend is nooit meer teruggekomen als ik in Parijs ben. En ik ben er nog heel vaak geweest.
Dit soort momenten blijven je bij en moet je koesteren. Aan mijn herinnering zal wel het een en ander niet kloppen, want zo gaat dat met herinneringen. Feitelijk dan. Want gevoelsmatig klopt het nog steeds, en nog steeds kan ik die ochtend voelen, ruiken en ervaren.
Ik heb nu de luxe van een berg in de Var, waar ik uit kan kijken over de bergen van de Provence. Totaal anders dan de drukke stad en in het geheel geen Parijs. Alles is anders. Maar ook daar is het heel vroeg opstaan, terwijl het nog koel is op een dag die heel warm gaat worden, en wandelen, een heerlijk ritueel. Geen Place Maubert, maar wel een heel goede boulanger, de beste worst en een café Central om wat te drinken.
En soms, op weg naar het zuiden, doen we Parijs aan voor een nacht of drie en dan geniet ik weer met volle teugen. De zonen kennen het inmiddels goed en vinden het een geweldige stad. We eten couscous. Inmiddels koop ik geen sigaretten meer, maar als er nog Boyards zouden zijn, dan zou ik zeker een pakje kopen. Als we dan weer de stad uitrijden, nog zo’n 700 km voor de boeg, dan overvalt me altijd hetzelfde gevoel.