Woensdag 5 februari 2026

09.00 uur.

Ervoor gekozen vandaag wat langer in bed te blijven. De eerste Meta Meeting is pas om 10.30 sinds we vanaf 1 januari minder energie moeten verbruiken. En om 16.00 gaat de boel weer dicht. Vorige week liep een meeting uit en toen begon de slimme meter te loeien. Wat een herrie. ’s Middags werd ik gebeld door de MES, de Meta Energy Service. Wel mooi om te zien hoe die dienst veranderd is.

Drie jaar geleden nog maar hebben ze ons geholpen van het gas af te gaan en een warmtepomp plus zonnecellen te installeren. Was echt top hoe dat ging. Toen in augustus vorig jaar bleek dat er niet genoeg bomen meer zijn voor de biogasinstallatie, veranderde hun opstelling. Het werd een dienst die schaarse goederen moet verdelen. Mijn cynische constatering is dat ik blij mag zijn dat ik van oudsher Nederlander ben en geen dubbele achternaam heb. Ik heb tenminste nog stroom tussen 10-16 uur. Mijn buren zes huizen verderop hebben stroom van 11-14 uur. Andere verdeelcategorie.

Voor de inwoners is er sowieso beperkte stroom. Hier in het dorp ging de NFT-hub van IDUNA voor met energie. Vanwege de werkgelegenheid werd er gezegd. Ja ja. Maar ik snap het wel. Sinds mensen hun DNA kunnen NFT’en is het big business geworden. Voor eeuwig vastgelegd in Blockchain. Onsterfelijkheid. Je kinderen kunnen je NFT-legacy verkopen aan mensen zonder papieren of van een verkeerde komaf. Zo krijgen die ook toegang tot diensten. Altijd handig. Er kwam geen baan bij maar we staan wel op de kaart in de westerse wereld. Het zonnecelveld op de oude A27 draait overuren voor IDUNA en als het bewolkt is krijgen ze energie van het windpark Amelisweerd. En pas dan wij.

Wat wel went overigens: werkdagen met contact tussen 10-16 uur. Wat deze winter erg lastig is, is de kou. Ik had laatst de thermostaat op 16,5ºC gezet maar na een minuut of tien werd die teruggezet naar 15ºC. Direct had ik in mijn CitizenApp een betaalverzoek van €250. Dat waren dus heel dure graden.

Donderdag 6 februari 2026

14.00 uur.

Zo, klaar met de Metameeting voor vandaag. Besproken hoe we mensen in wijken met minder dan tien gezinnen toch kunnen blijven servicen. Dat wordt een hele klus, omdat er heel veel van dat soort wijken zijn. De steden zijn leeggelopen toen wegen werden gesloten vanwege de stikstofshit die er was en men massaal is gaan wonen in tiny houses rond de datacenters. Kun je je huis tenminste nog verwarmen én koelen van de restenergie. En koelen is best nodig. Rond begin augustus begint tegenwoordig de droge zomer en dan is het echt heet, echt heet. Meer dan 50ºC. De maanden daarvoor heeft de regen tenminste een verkoelende functie maar als de regen uitblijft dan wordt het moeilijk. En dan kunnen koelen met de restenergie is best een luxe.

Komend weekeinde met Niek naar het park om (illegaal) hout te verzamelen. We gaan met de bakfiets om in ieder geval genoeg te hebben voor een paar dagen. Zo krijg ik het nog iets warmer.

Gisteravond, ik had echt mijn dag niet, kreeg ik een melding op CitizenApp waarom ik geen test had ingeleverd. Shit, helemaal vergeten. Ik baal ook wel van dat iedere dag testen maar anders kan ik geen eten et cetera bestellen bij de Meta Food Service. Prima app hebben ze, maar zonder test kan ik staren naar het scherm zonder dat ie iets doet. Ik heb dus nog maar even getest en de boel geüpload via de chip. Ik kreeg direct een negatief resultaat terug. Daar ben ik blij mee. Geen corona.

Die Thèta-3 variant is wel eng. Ik weet nog dat ik januari ’22 corona had, Omíkron-1. Stelde geen bal voor. Thèta-3 is echt gevaarlijk. Nederland heeft nu nog een kleine elf miljoen inwoners en ik leef nog! Maar goed, ik laat ook iedere maand een booster toedienen. Dat is mooi. Ze hadden net op tijd dat resomeren uitgevonden. Alleen al in mijn omgeving hebben meer dan tien mensen zich laten oplossen. Vroeger kreeg je de resten thuis, maar dat is niet meer. Die gaan nu naar het Meta VitaFund, voor mest. Dat is ook gebeurd met al het vee en alle huisdieren. Als je volledig vegan leeft zoals wij tegenwoordig is er veel productie nodig. Dan komt iedere kilo mest van pas.

Blij dat ik niet in de buurt woon van een Meta VitaFund installatie. De lucht is niet te harden heb ik gehoord.

Vrijdag 7 februari 2026

11.15 uur

Ik ben moe. Weinig geslapen. Het waaide hard en de isolatie klapperde. Moet ik vastzetten. Ik ben bijna jarig en wil wat met Niek doen. Het liefst had ik mijn kinderen hier, maar die zitten tegenwoordig in Groot-China. Ze wonen prima in Taipei. Vroeger zou ik naar hen zijn gevlogen maar ik heb niet voldoende CitizenPoints verzameld voor een ticket. Ik vergeet te vaak iets, ik ben geen goede burger. De thermostaat vergeet ik, ik vergeet de Leider te danken, ik vergeet mijn urine opnieuw te gebruiken en zo gaat dat maar door. Ik heb gewoonweg niet voldoende punten. Ik zal ze dus niet meer zien, behalve in onze Meta Meetings. Voelt als echt aan, dus ik berust. Verder wordt mijn verjaardag gewoon klote natuurlijk. Geen drank meer omdat dat slecht voor je is. Vegan koeken die je kunt oplossen tot een smoothie verhogen de feestvreugde ook niet. Ik heb dus iets waar niemand achter mag komen. Ik heb nog twee Cohiba Siglo V liggen en een gaat er dit jaar doorheen, de ander over vijf jaar, als ik zeventig word.

Zaterdag 8 februari 2026

08.00 uur.

Zojuist is het laatste nieuws van de week via MetaVerse in mijn brein gedownload en ik kan me dus helemaal op de hoogte stellen. Eerst een koffiecube oplossen en lekker drinken. Weekeinde. Vandaag niets en morgen naar de parade voor de Leider. Daar worden de laatste maatregelen bekend gemaakt en ga ik zien wie er niet meer bij zijn vergeleken met vorige maand. Geresomeerd. Er is altijd muziek en ik vind het wel een uitje. Dat pak zit niet zo lekker maar ik doe het er maar mee. We gaan het zien! Koffie!

3 tips voor een fijne isolatie.

Stel je voor, je houdt op alle plekken waar je bent rekening met corona. Met kerst ontvang je heel beperkt mensen en die doen allen een test vooraf. Negatief. Met oud en nieuw zie je vooral vrienden buiten bij een vuurtje en ook zij zijn getest: negatief. En dan word je wakker op 1 januari en voel je je brak. Zoveel heb je niet gedronken en heel erg laat was het ook niet. De volgende dag word je wakker met een enorme keelpijn en doe je voor een derde keer een zelftest: bam, twee vette roodroze strepen. Positief.

Het overkwam mij.

Ik hoefde niet na te denken en ging direct in isolatie op de slaapkamer. Het gezin ging in quarantaine en bleek negatief te testen. Dat was winst. Ik maakt een afspraak bij de GGD en op 4 januari reed ik naar Doorn en werd flink in neus en keel gepord. `s Nachts om een uur of vier kreeg ik de uitslag die ik al kende. Positief. Ik had corona.

Ik zat toen al voor de derde dag in isolatie en besloot dat nog even vol te houden. Hoe heb ik dat ervaren?

Op het moment dat ik positief bleek schrok ik wel wat. Ik heb astma en ik had geen idee wat de gevolgen zouden zijn voor me. Zou het op mijn longen slaan, zou ik het benauwd krijgen of zou het gewoon voorbij gaan? Je kunt niet anders dan gewoon afwachten en lezen over corona. Bij benauwdheid de huisarts bellen, las ik.

Ik besloot me er maar gewoon aan over te geven. Ik heb altijd de mond vol van allerlei filosofen en nu dacht ik aan Heidegger. Die heeft veel geschreven over Gelassenheit: de dingen, de wereld nemen zoals die zich aan je voordoen, zonder dat allemaal te willen interpreteren of te begrijpen. Ik zou me er niet tegen te verzetten. Verzet je niet.

Je gezin krijgt opeens een heel gekke plek, namelijk aan de rand van je bestaan. Ze mogen niet binnenkomen maar willen wel voor je zorgen. De jongste zoon die de deur op een kiertje doet en vraagt ‘heb je zin in een stroopwafel?’ en die dan op het kastje legt en heel snel weer verdwijnt. Je wordt je heel erg bewust van het kleine geluk in het leven. Je gezin is er zonder er te zijn. Dat gevoel is heel waardevol. Vier ieder mooi moment.

Ik heb met alles veel meer tijd genomen dan ik ooit doe. Lang douchen en lekker warm worden. Heel bewust scheren. Niet éen Netflix-aflevering over de Tweede Wereldoorlog kijken maar gewoon drie achter elkaar. Ongegeneerd lang in een kookboek lezen en bedenken wat ik allemaal zou koken als het leven weer normaal werd. Urenlang luisteren naar Radio 1. Soms met heel veel aandacht, soms als ruis op de achtergrond. Leven alsof je over een bochtig bospad loopt langs een riviertje. Soms ben je dichtbij en zie je het riviertje en hoor je de stroming, soms is het een geruis in de verte. Soms met heel veel aandacht en soms achteloos. Ik vertraagde de tijd waarmee de dagen korter werden. Heel lekker. Sluit je dus op in het nu en laat dat heel lang duren en langzaam voorbijgaan.

En zo kom ik op drie tips bij isolatie:

  1. Verzet je er niet tegen
  2. Vier ieder mooi moment, hoe klein ook
  3. Verdicht de tijd tot een punt

De belangrijkste manier om er doorheen te komen is natuurlijk weten dat er een einde komt aan je isolatie. Bij mij betekende dat overigens dat het gezin na mij ook corona had. En dan na enige dagen gaat het leven weer aan en ga je dat ene gerecht koken, luister je alleen nog naar Met het oog op morgen en neem je niet meer de tijd om veel tv te kijken.

Het was een raar soort mini-vakantie.

Nice! Het is mooi gedaan.

In het najaar 2021 was ik weer eens een dag in Nice en in 2020 had ik de mazzel voor alle lock downs en beperkingen vier nachten er te kunnen verblijven. En zo ben ik in de loop der vele jaren geregeld in Nice geweest en kijk ik ernaar uit terug te keren.

Wat maakt het nou zo’n aantrekkelijke stad, want dat is het voor mij?

Mijn liefde voor Frankrijk en de Var is inmiddels wel bekend. De afwisseling van natuur, van ruig tot lieflijk, en ook de afwisseling van steden vind ik erg verleidelijk. Marseille is ruig en volks en luid en heel basaal. Cannes is een echte kleine leefstad. Ondanks alle toerisme wordt er hier volop geleefd. Je ziet en ruikt dat aan alles. En dan Nice. Ruig noch volks, leefstad met de allure van de Côte d’Azur.

Als je met de auto naar Nice gaat en je rijdt langs het vliegveld de boulevards af richting de stad voel je de weelderigheid van de kust over je heen komen. De zee is knalblauw, de zon aanlokkelijk, en links de gebouwen die groter en ouder worden. De Promenade des Anglais op langs het Negresco en linksaf parkeergarage Ruhl in. Snel parkeren en dan naar boven.

En daar sta je dan, op de Promenade met zicht op de zee.

Ik zou zeggen: omdraaien en de stad in inwandelen. Lunchen met de voeten in het zand komt later wel. Je vindt er echt alles. Grote brede boulevards met alle grote merken, en in de zijstraten (bijvoorbeeld Rue du Maréchal Joffre en omgeving) kleine boetieks met mooie kleding, schoenen, keukenspullen et cetera. Je kunt er heerlijk winkelen.

Je kunt ook naar de Place Masséna lopen en daar van Lafayette genieten of op het plein wat drinken en mensen kijken. Je kunt er ook naar die fantastische mannetjes in de lucht kijken die ’s avonds verlicht worden.

Steek ook eens over en loop naar de oude stad. Zeker, het is een tourist trap, maar wel een om in rond te lopen. Hier word je verleid om rond vier uur ’s middags te dineren bij een lokaal toeristenrestaurant. Niet doen dus. Kwaliteit is toeristenkwaliteit. De oude stad is wel heel mooi om te wandelen. Langs het standbeeld van Garibaldi rechtsaf naar de markt en van daaruit naar het strand. Een prachtroute.

Als je puf overhebt kun je de Colline du Château beklimmen. Een hele wandeling maar wat een beloning als je eenmaal boven bent. Het mooiste uitzicht dat een mens zich kan wensen.

Tot zover het toeristische praatje.

Want waarom is Nice zo aantrekkelijk voor mij? Dat komt door de sfeer en het verrassende karakter van de stad. Als ik er rondloop voel je dat Nice de rand van Frankrijk is en een brug met Noord Afrika. Je proeft het in het eten en je ruikt het als je aan de Méditerranée staat. Daar, aan de overkant ligt Afrika. Waar je dat voelt in de havenstad Marseille in de ruigheid en de no nonsens mentaliteit, voel je het hier in de kleinere dingen. De loomheid, het pittige eten. De verrassing zit voor mij ook in de verschillende sferen die er zijn waarbij de stad altijd zichzelf blijft. Of je nou Canadees gaat eten bij Le Québec (toeristisch, veel en vet) of in een zijstraatje bij Sushiya van ramen geniet (beide niet echt Frans), de stad neemt je op in een soort weldadige luxe van niks hoeven.

Ik heb die sfeer nog het meest ervaren bij de wandeling naar het Musée Marc Chagall. Die wandeling gaat vanuit het centrum naar buitenwijken, langs drukke verkeersaders tot in een weelderige wijk waarin de rust direct op je neerdaalt. Het museum zelf is prachtig en de moeite waard, maar de wandeling heen en terug is dat ook.

Toen wij in het Hôtel le Roosevelt logeerden liep ik wel eens de buurt achter het hotel is. Niet richting de drukte maar tussen alle woonblokken door. Daar vooral zie je de luxe maar ook de aandacht voor details. Prachtige gebouwen waar ieder detail doordacht is en perfect is uitgevoerd. Grote witte gebouwen badend in het zonlicht. Erboven een hemelsblauwe scherpe lucht.

De laatste keer in Nice gingen we op aandringen van mijn zoon een cocktail drinken in het Negresco. Hij wilde per sé daar naar toe en ook voor mij was het de eerste keer. Een nieuwe laag werd daar aan Nice voor mij toegevoegd: die van een luxe, rijk verleden waar de rijken uit de hele wereld kwamen genieten van de kust en het mooie leven. Nu is het een beetje vergane glorie.

We genoten van een cocktail in de bar. De bar heeft uitzicht op de lift. Uit de lift stapten twee zeer oude mensen. Keurig verzorgd, pasteltinten in de kleding en twee kleine vinnige hondjes aan de lijn. Weggelopen uit een boek van Somerset Maugham. Even betrad het verleden het heden en voelde ik dat het ooit een va et vient moet zijn geweest van welgestelden. Een prachtige bar met erachter een prachtige koepelzaal en een zeer opmerkelijk toilet.

Ieder stukje van Nice klopt voor mij. Ultiem zomer vieren. Je laven aan weer en sfeer. Zorgeloos en zacht.

Stoeltjes in de kleuren van de Tour de France.

Zuid Frankrijk is zeer divers en ik kan over ieder plekje en iedere stad een idolaat verhaal schrijven. Steeds weer. En toch is Nice voor mij anders. Waar de andere steden veelal klein opgezet zijn heeft Nice veel ruimte. Zowel horizontaal met pleinen, straten, de Porménade, het strand als verticaal: de colline, de heuvel waar het museum ligt. En waar je ook uitkomt, het oogt steeds ruim, wijds, licht, zomers en heel erg relaxed. Nice is een klasse apart. Waar je van andere steden moe wordt, rust je in Nice uit.

Het is mooi gedaan.

Terminus Nord

Reizen is voor mij begonnen toen ik op mijn achttiende de trein uitstapte op het Gare du Nord in Parijs. De drukte, de geuren, de mensen en vooral Parijs! Geld had ik niet heel veel en dus was het plan te kamperen in het Bois de Boulogne. Een zware rugzak achterop bij mij en mijn vriendinnetje.

We stapten het station uit en direct werd mijn aandacht getrokken naar een zaak aan de overkant van de Rue de Dunkerque: Terminus Nord. En hoewel we niet veel te besteden hadden zijn we er toch naar binnen gelopen en hebben wat besteld.

Ik heb daar de heerlijkste maaltijd ooit gegeten. Ik weet niet meer hoe laat het was, ik weet niet meer wat we gegeten hebben. Het enige dat ik weet dat ik voor het eerst van mijn leven op eigen houtje terechtgekomen was in een totaal Franse tent. Zo een met spiegels en veel koper. Met obers die zo treffend door Sartre zijn beschreven in l’Ètre en le Néant (een boek dat ik pas later zou lezen). Met geroep naar de bar, “un café, un”. Met Parijzenaars die aan hun tafeltje wat aten, wat kletsten en daarna (wat toen nog kon) een Gitanes maïs opstaken.

Naar mijn gevoel hebben we daar uren gezeten, maar dat zal wel niet kloppen.

Bon, we hebben daarna nog twee weken op de camping gestaan. Niet heel best, crowded en best ver buiten de stad. Maar Parijs is nooit meer uit mijn leven verdwenen. En nog steeds wil ik naar Terminus Nord om wat te eten. Zal nog steeds op en top Frans, of beter Parijs’ zijn met Franse klassiekers op het menu.

Later heb ik in de tientallen keren dat ik in Parijs was en woonde allerlei restaurants bezocht. Van achenebbisj couscous-tentjes in Quartier Latin tot La Coupole of Café de la Paix. Alles. De eerste klap bleek toch een daalder waard: Terminus Nord staat voor mij nog steeds voor oer-Parijs.

Als ik eerlijk ben mis ik Parijs altijd.

Wappies met slechte bedoelingen

Je komt ze tegen op social. Mensen die tegen alle coronamaatregelen zijn en de huidige toestand vergelijken met alle vervolgingen in de Tweede Wereldoorlog. Mensen die zich afficheren als “nieuwe Joden”. De vergelijking wordt soms helemaal doorgezet. In demonstraties lopen ze met gele sterren op hun kleding. En nog steeds, ook nu de demonstraties zijn opgedroogd, zie ik alle vergelijkingen voorbijkomen op twitter. Die de regering onderdrukkers noemt. Stellen dat er later tribunalen moeten komen voor de landverraders. Die een eigen partij hebben: FvD.

Dat soort wappies, een veel te vrolijk klinkende term, moet zich doodschamen. Allereerst natuurlijk voor hun uitingen maar eigenlijk nog veel meer voor hun volstrekte lege brein waarin hersenactiviteit is gereduceerd tot slechtheid en ressentiment. Slecht volk.

Dit is mijn vader

De foto van mijn vader in de gevangenengalerij in het huidige museum.

Ben Koopman. Geboren in 1923 in een gezin met twee broers. Zijn ouders hadden het niet al te breed en probeerden het gezin goed op de been te houden. School zat er niet in, gewerkt moest er worden. En dat betekende dat mijn vader op zijn 13de jaar scheepsjongen werd. Op de foto hierboven een jaar of 17, 18. 1940 of 1941 gemaakt en op de foto kijkt hij wat beschouwend in de camera, niet wetend wat er gaat komen. Wat ging er komen?

Dit is Joseph Kotalla

Joseph Kotalla, of zoals hij meestal genoemd werd Kotälla, werkte in de jaren 40 van de vorige eeuw in Kamp Amersfoort. Na vele omzwervingen, waar zijn sadisme was gebleken, werd hij overgeplaatst naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, kort PDA. Hij was 15 jaar ouder dan mijn vader. Zijn bijnaam was de Beul van Amersfoort en er was een trap naar hem vernoemd: de Kotälla-trap. Een harde schop in het kruis van gevangenen van het PDA.

Hoe leerden zij elkaar kennen?

Daar is dus mijn vader, Ben, en een Duitser, Joseph, die elkaar in de oorlog leren kennen. Maar hoe? Simpel. Mijn vader werd gearresteerd wegens verzetswerk tegen de bezetter en hij kwam in 1943, 20 jaar oud, in Amersfoort terecht. Daar heeft hij maanden vastgezeten en leerde hij Joseph, 35 jaar oud, kennen. Hadden ze goede gesprekken of wisselden ze gedachten uit. Zouden ze elkaar zoals nu op social hebben ontmoet. Zou mijn vader hebben kunnen demonstreren en Kotälla voor fascist hebben kunnen uitmaken?

Ik denk het niet.

Mijn vader kende hem van het vele slaan, het trappen, het eeuwig op de appèlplaats staan en daar oefeningen doen tot men er dood bij neerviel. Hij kende hem van de Rozentuin. Een smalle gang met prikkeldraad waarin hij voor straf oefeningen moest doen en, als het niet goed ging, hij halfdood werd geslagen. Hij kende hem jaren later nog doordat de rug van Ben altijd gevoelloos en koud is gebleven. Kapotgeslagen door een sadist die er plezier in had mensen dood te slaan.

Kotälla was een in- en inslecht mens. Zijn sadisme kon hij volledig kwijt in een systeem dat was ingericht op het vernietigen van mensen. Verzetsmensen, Joden, politieke gevangenen, Roma, Jehova-getuigen, communisten en socialisten, Sinti, homoseksuelen, ga zo maar door. Kotälla was de hand in de handschoen. Net als zijn baas, Karl Peter Berg. Individuen, raderen in een machine waar zij zich helemaal goed bij voelden. Konden doen wat zij wilden omdat het onderwerp van hun haat, andere mensen, vernietigd mochten worden.

De laarzen van Berg

Dit is een bronzen afdruk van de laarzen van Berg. Voor de appèlplaats staan zij in het grint. Ervoor lege voetafdrukken van al die gevangen die in het PDA hebben gezeten. In totaal hebben zo’n 40.000 gevangen vastgezeten in het kamp, waarvan er 468 zijn vermoord. Berg keek toe hoe men voor hem stond, vooral niet opvallen want dat kon betekenen dat je de avond niet zou halen.

Jaren na de oorlog barste mijn vader in tranen uit. Hij, bokser, worstelaar, had meegemaakt dat een kameraad van hem werd doodgeslagen. Hij kon niets doen. “Twee, drie van die moffen had ik kunnen hebben”, zei hij “maar geen vijf of zes”. Hij moest toezien en verder niets. Zestig jaar later kwamen de tranen.

Terug naar Ben.

Mijn vader heeft het overleefd. Hij stond op de lijst om naar Buchenwald te worden gestuurd tot de directrice van het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht ingreep. Zij kende mijn vader uit het verzet. Zij heeft bij Berg voor elkaar gekregen dat hij op 28 mei 1944 vrijgelaten werd uit het kamp en ging werken in het SAZU. Daar werd hij vervolgens op 7 augustus 1944 formeel in dienst genomen als ‘huisknecht’, twee maanden na de ontberingen van het kamp. Vijftien jaar later ben ik in hetzelfde ziekenhuis geboren, op 7 augustus.

En nu die wappies weer

Mijn leven is geïmpregneerd door de oorlog. Die is er altijd wel en nooit niet. Dat is nou eenmaal zo. Ik heb in mijn jeugd de jaren meegemaakt waarin mijn vader stil werd rond 4 mei. Waarin hij woedend was toen de ‘drie van Breda‘ vrijgelaten zouden worden. Hij vertelde nooit veel. Wel later over die kameraad, soms over vriendschap in het kamp en hoe fragiel die altijd was. Wat mijn vader eraan over heeft gehouden is een feilloos gevoel voor helden, bange mensen en verraders, lafaards. Je mag bang zijn zei hij dan, maar nooit een lafaard en zeker geen meeloper.

Als ik wappies zie en hoor die de vergelijking maken met de oorlog moet ik altijd denken aan wat mijn vader zei van de Binnenlandse Strijdkrachten van net na de bevrijding. Dat waren in de oorlog grote lafaards waar je niets aan had en toen het veilig was kwamen ze naar buiten. Doen alsof zij het verzet waren geweest. En heel stoer, vrouwen kaalscheren en met menie besmeuren. “Dat soort volk is nutteloos als het erop aan komt. Volkomen nutteloos.” Zijn woorden. Mijn gedachten als ik dat boze protesterende volk zie. Volkomen nutteloos als het erop aan komt.

Een kerk in Frankrijk.

Op weg naar het zuiden zo aan het einde van de dag een hotel zoeken. Niet een F1 langs de autoroute maar een echt hotel. In een tijd dat niemand ooit van internet had gehoord had ik iets inmiddels heel ouderwets in de auto liggen: een rode Michelingids én een Logis de France gids. Papier, dichtbedrukte pagina’s. Sommige dorpen had niet eens een vermelding van een hotel of een restaurant. Met dat boekje in de hand reed ik Frankrijk door, en ik kwam altijd wel ergens goed terecht.

Nu ook weer. Niet eens lang onderweg reed ik door de Champagne. Prachtig. Najaar en dus vroeg donker. Ik besloot van de autoroute af te gaan en door te rijden naar een fijn dorp. Dat was redelijk snel gevonden. Niet groot, aangenaam qua uitstraling en vrijwel uitgestorven.

De Logis de France heette Lion d’Or en is inmiddels omgedoopt in le Champenois. Een fijn lokaal hotel met aardige mensen. Eenmaal op de kamer nam ik een verdiende borrel en ging de deur uit, linksaf het dorp in.

Daar kwam ik aan bij een kerk. Ik ging naar binnen, liep er doorheen en wilde, zoals altijd, een kaarsje aansteken. Dat schijnt ook te werken als je er niet in gelooft. Vandaar. Op een tafeltje lag een tekst. Die tekst luidde ongeveer: “steek een kaarsje aan en laat zo een lichtje achter op deze Heilige plek. Voor hen in je hart maar ook voor hen die hier na jou komen. Als teken van verbintenis met en liefde voor elkaar in de tijd”.

Die tekst raakte me enorm. Dat lag zeker aan mijn stemming maar het was ook een tekst die mij erop wees dat we niet alleen zijn. Dat er altijd mensen zijn met wie we verbonden zijn. We hoeven elkaar niet te kennen maar door zo’n lichtje in het duister ben je wel met elkaar verbonden.

Die kerk staat in het dorp Sézanne.

’s Avonds nog lekker gegeten in het hotel en de volgende dag door naar het zuiden. Op naar een volgend dorp met een kerk. Die tekst is me echter altijd bijgebleven (en zal zeker anders zijn geweest dan ik me herinner, want tja, het geheugen is een Fabeltjeskrant) en ben ik verder niet meer tegengekomen.

Dus, mocht je ooit in Sézanne zijn, stop dan even en steek een kaarsje op in de kerk. In verbinding met elkaar.

‘Belastingdienst gebruikte in toeslagenaffaire algoritme dat lage inkomens selecteert’

Een kop van de Website van De Volkskrant. Zo klinkt het net alsof men er niets aan kan doen. Het was het algoritme dat de selectie toepast. En we weten met elkaar dat algoritmes zomaar ontstaan en zichzelf ontwikkelen tot monsters! Daar komt geen mens meer aan te pas.

Onzin natuurlijk.

Tel dit op bij alle wanstaltige door de overheid veroorzaakte zaken en het wordt met de dag erger. Zo denk je dat het niet erger kan (zie bijvoorbeeld de toeslagenaffaire) en het kan weer erger. Ik denk dat er bij de Belastingdienst zomaar nog meer boven water zal komen. Dat uitvoeringsinstanties incompetent blijken door een aantal oorzaken: de wetgeving is van zo lage kwaliteit dat uitvoering erg moeilijk blijkt, er wordt neergekeken op mensen met een smalle beurs, er is niet geïnvesteerd in kennis, kunde en menskracht bij die instanties waardoor men maar wat doet.

Hier zitten geen algoritmes achter maar beleid en een mens- en wereldbeeld. Dát is aan de hand.

Den Haag moet niet gek opkijken van een toenemende afstand tussen burgers en overheid. Zij veroorzaakt die afstand zelf. En vergroot die ook.

Een land zonder regering.

Af en toe horen we nog iets van onze demissionaire regering. Naast een sporadische persconferentie komt zo nu en dan een minister voorbij in de media. Vandaag bijvoorbeeld naar aanleiding van de rellen. “Heeft Ferdje al gezegd dat hij boos is” vraagt mijn zoon dan, en ja hoor, Grapperhaus is boos. Rutte, niet geïnteresseerd in sociologisch geneuzel, die het weer over tuig of iets dergelijks heeft. Minister Dekker, de man van de afbraak van rechtszekerheid voor mensen zonder een riant inkomen, die iets roept wat waarschijnlijk niet klopt. En dan heb je het wel weer gehad.

We kijken naar een regering die niet wil regeren. Een tweede kamer die zich uit in rituele dansjes zonder ooit een bedreiging te worden voor de gevestigde macht. We, in ieder geval iedereen die gestemd heeft, kijken naar gedrag van politici die ten diepste lak hebben aan ons. Politici die het niet eens meer als taak zien snel te komen tot een kabinet. Waar je vervolgens voor of tegen mag zijn, dat maakt niet uit. Omdat dat kabinet er niet komt, ja ooit, sta je als stemmende betrokken burger voor aap. De boven ons gestelden lachen naar ons en vinden ons koddig. En verder trekt men zich er niet veel van aan. Politici die hun opdracht zo verzaken horen vervangen te worden door politici die hun opdracht wel serieus nemen.

We zien een bestuur dat verzaakt. Kindertoeslag-gedupeerden die nog steeds wacht op hun eigen ten onrechte afgenomen geld. Inwoners van Groningen die van hun premier te horen krijgen dat hij niets belooft („We hebben al zoveel beloftes niet waar kunnen maken.”) want alle vorige beloften heeft hij ook al niets mee gedaan. Dus dan maar geen belofte. Zoek het uit beste mensen. En de groeten na.

Ik begrijp inmiddels het wantrouwen jegens de politici in Den Haag. Er komt niets meer uit hun handen, er komt niets belangwekkends uit hun monden, er is niets dat het vermelden waard is. 17 maart 2021 waren de verkiezingen en we zijn dus nu acht maanden verder. Zonder resultaat. Zonder goede uitleg ook. Het is een illusie te denken dat dit gedrag geen consequenties heeft. Dat heeft het wel. Mensen zullen zich verder afkeren van Den Haag en meer open staan voor de verhalen van extreem rechts of totaal onverschillig worden.

Als je als politicus zo weinig toont te geven om de inwoners van het land, zullen die inwoners niet veel meer geven om jou. En dus ook niet meer naar je luisteren. Wat je ook zegt. Dat ligt niet aan hen maar het begint bij de politici. Bij mensen als Rutte, Hoekstra en Kaag.

Ik merk bij mijzelf een toenemende onverschilligheid en soms een voor mij nieuw gevoel, cynisme. De definitie van een cynicus is “iemand die vraagt waar de kist staat, als hij bloemen ziet”. Ik heb dat zo nu en dan als ik Rutte of De Jonge hoor of zie. Ik geloof het niet meer. Ik geloof niet meer in hun oprechtheid of in hun verlangen recht te doen aan de inwoners van dit land. Ik ben cynisch omdat ik geloof dat het Rutte alleen nog te doen is om machtsbehoud en om de langstzittende MP te zijn. Ik ben cynisch omdat ik in de blik van De Jonge denk te zien dat hij nog steeds, na anderhalf jaar, geen idee heeft waarover hij het heeft. Dat ik denk te zien dat Grapperhaus totaal geen vat heeft op het hele veiligheidsapparaat en dus boos reageert, als een machteloze vader.

En ik ben boos omdat ik een regering verdien. Niet van mijn kleur misschien, maar zo werkt het nu eenmaal. Wel een regering met fatsoenlijke mensen die oprecht begaan zijn met iedere inwoner van dit land. Met iedereen die nagejaagd is door de Belastingdienst, met iedereen die in een huis zit dat op omvallen staat, met iedereen die zich kapot werkt in de zorg, met iedereen die voor de klas staat, met iedereen die vroeg opstaat om het vuil op te halen, met iedereen die na de rellen ’s nachts de stad weer toonbaar maken. Met iedereen dus. En daar een visie op hebben en een leider durven zijn.

Ik verlang naar andere politici dan die er nu zijn. Ik verlang naar een premier die wel geïnteresseerd is in oorzaken en aan zelfonderzoek doet en beter wil worden. Ik verlang naar een premier die zelf niet de olifant in zijn eigen kamer is.

Een interessante trip door Frankrijk. (*)

Na een lange rit kwam ik aan bij l’Écrevisse in Brumath, in de Elzas. Ik parkeerde de auto naast het hotel, pakte de koffer en checkte in. Ik was moe van het rijden vanuit Parijs en was toe aan een douche en een borrel. Het hotel was typisch voor de streek. Oubollig, traditioneel gezellig met bloembakken vol geraniums. De mensen waren vriendelijk en ik kreeg een prima kamer. Men vroeg of ik ook wilde eten die avond. Een goed idee. Dus op naar de kamer en relaxen. 

’s Avonds ging ik naar het restaurant om te eten. Eindelijk kwam ik dan aan op de plek waarvoor ik kwam: het restaurant! Ongeschoren en in vakantiekleding ging ik de klapdeur door en kwam in een voor mijn doen zeer chic restaurant. Ik detoneerde volkomen qua uiterlijk. Louter nette mensen in nette kleding. Ik ging zitten en ik werd nerveus van alle aandacht. Een ober voor de wijn, een ober om de stoel aan te schuiven, een ober die de cloche van het bord haalde en dat ging maar door. Maar goed: ik was waar ik wilde zijn.

Het restaurant waar Sartre vaak had geluncht in 1939! Wie? Sartre!

Wie was Jean-Paul Sartre?

Jean-Paul Sartre heeft decennialang het publieke debat gedomineerd in Frankrijk, vanaf de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren 70. Hij is in 1905 geboren en heeft vrijwel zijn hele leven in Parijs gewoond, waar hij in 1980 is overleden. Niet alleen in Frankrijk was hij spraakmakend maar ook ver daarbuiten. Hij was niet alleen filosoof maar ook romancier en politiek activist die zich altijd aan de kant van de verdrukten opstelde. Zijn toneelstukken werden over de hele wereld opgevoerd. Het linkse geweten van Frankrijk. Tot na zijn dood vroegen mensen ‘wat zou Sartre hebben gevonden?’. Hij leefde een leven dat een voorbeeld voor velen zou worden, ook voor mij. En daarom was ik naar de Elzas uitgekomen, om te zijn waar hij geweest was.

Het had met zijn leven ook anders kunnen lopen. Hij had leraar kunnen blijven zoals in Laon. Maar het liep anders. In 1929 gaat hij filosofie studeren, hij leert Simone de Beauvoir kennen en tot aan zijn dood zijn zij onafscheidelijk. 

Vanaf medio de jaren 30 publiceert hij volop. Filosofie en psychologie. Zijn doorbraak komt met de roman ‘Walging’. De hoofdpersoon, Roquentin, ontdekt de totale zinloosheid van het bestaan en ziet de wereld met angst en walging tegemoet. In die gemoedstoestand moet Sartre in 1939 naar het ‘front’ in de Elzas. Tussen aanhalingstekens, want hoewel er oorlog is met Duitsland, gebeurt aan dat front niet bijster veel. Men wacht. Sartre wacht met duizenden anderen. Deze periode wordt ‘la drôle de guerre’ genoemd: de schemeroorlog. In 1940 wordt hij gevangengenomen en brengt hij enige tijd door in een kamp, nabij Trier.

Bij zijn terugkeer in Parijs publiceert hij in 1943 zijn hoofdwerk ‘l’Ètre et le Néant’ (Het Zijn en het Niet). Hij raakt een snaar bij vooral jonge mensen. Zijn boek gaat over echte mensen, over echte situaties. En het gaat erover dat het leven voor je ligt om te doen wat je wil. Dat het leven jouw leven is en niet van de je ouders, van de kerk of van de staat. Alles wat je doet is voor eigen rekening. Dat betekende ook dat Sartre en Beauvoir wel altijd bij elkaar woonden in dezelfde hotels maar nooit samenwoonden of getrouwd waren. Dat was burgerlijk en burgerlijk moest je sowieso afkeuren. 

Na zijn terugkeer uit het kamp besloot Sartre een verzetsgroep op te richten. De oorlog betekende een breuk in zijn denken en werk. Voor de oorlog keek Sartre vooral naar de individuele mens en zijn verhouden tot de wereld. Door de oorlog en zijn verblijf in het kamp  zag Sartre hoezeer mensen van elkaar afhankelijk zijn en dat de mens ten diepste een sociaal wezen is. Zijn werk na de oorlog is dan ook anders dan ervoor. Die ervaringen heeft hij verwerkt in de romancyclus ‘De wegen der vrijheid’.

Zijn houding, die opstand tegen het ‘normale’ heeft tot ver in de vorige eeuw mensen geïnspireerd. Van de naoorlogse jeugd in Saint-Germain tot aan de studenten van 1968. De burgers keurden het natuurlijk allemaal af. Als Sartre uiteindelijk in 1980 sterft is die roem goeddeels verdwenen. Andere filosofen hebben zijn plaats ingenomen. Op zijn uitvaart komen zeker 50.000 Parijzenaars, en Frankrijk is in rouw.

‘Jean-Paul Sartre est mort’ koppen de kranten.

Maar wat deed ik nou bij l’Écrevisse in Brumath?

Simpel: Sartre had daar geluncht. Vele malen zelfs. 

In Parijs had ik ongeveer al alle plekken bezocht die iets met hem te maken hadden. In 1980 had ik een boekje gekocht ‘over het existentialisme’, vanwege de titel. Het was een voordracht van Sartre uit 1946 waarin hij het existentialisme uitlegde. Eenmaal thuis begon ik te lezen en ik legde het pas weg toen ik het uit had. Ik las zinnen als ‘de mens is vrijheid’ (p.24) en ‘de mens is wat hij doet’ (p.37). Deze man raakte een snaar en is die blijven raken, tot op vandaag. En dus ging ik niet alleen alles ván Sartre maar ook óver hem lezen. Biografieën, interviews, tijdschriften, studies over zijn werk. Ik wilde weten hoe deze man geleefd had om het allemaal nog beter te begrijpen. Ik las over zijn leven in Parijs en bezocht alle plekken. Ik kocht zelfs de sigaretten die hij rookte, Boyards. Zwaar spul was dat. Inmiddels verboden.

In 1986 kocht ik ‘Schemeroorlog’, zijn dagboeken uit 1939-1940. Hij schrijft daarin over zijn gesprekken met andere soldaten, over zijn plannen met de filosofie, over van alles. Hij schrijft daarin bijvoorbeeld ook: (vrijdag 17 november 1939) “Vandaag lunch ik in l’Écrevisse met een jager die net van de frontlinie terug is.” Ik wilde daar ook lunchen.

Toen is het plan voor een rit door Frankrijk begonnen. De rit ging van Parijs naar Brumath, Morsbronn, Haguenau, Pfaffenhofen en uiteindelijk Nancy. 

Parijs

Parijs is natuurlijk de stad waar je iedere beroemde Fransman of -vrouw kunt vinden. Van Verlaine tot Yves Montand, van Picasso tot Foucault. En dus ook Sartre. Uitvogelen waar hij woonde, lunchte et cetera. En dus begon mijn reis van 1939 bij Café de Flore. Uitkijkend over de Boulevard St-Germain en naar links de Place St-Germain waaraan hij lange tijd gewoond heeft (samen met zijn moeder) op de hoek van de Rue Bonaparte. Dat is overigens de plek waar in de jaren 60 tweemaal een bomaanslag is gepleegd omdat hij tegen de Franse bezetting van Algerije was. ’s Avonds heb ik zuurkool gegeten bij Brasserie Lipp aan de overkant. Daar zaten hij en Beauvoir in de oorlog omdat daar een kachel was. 

Ik liep richting de Jardin du Luxembourg waar hij en Beauvoir uren samen pratend doorbrachten. Van daaruit naar Montparnasse naar hun graf. Daar, aan de Boulevard Edgar-Quinet heeft hij gewoond en op nummer 29 heeft hij zijn laatste weken doorgebracht. Blind.

In Parijs is er veel meer dat herinnert aan hen. La Coupole bijvoorbeeld waar zij aten en waar je nu tafel aan tafel heerlijk kunt eten. Ik was er ooit op mijn verjaardag en toen liep de hele witte en zwarte brigade uit om joyeux anniversaire te zingen. Het hele restaurant zong mee. Maar ook La Rotonde is er nog in volle glorie. Zo zijn er tientallen plekken alleen al in Parijs die je kunt bezoeken met een biografie van Sartre in de hand. Gewoon een keer doen. Je vindt er verrassende dingen. Zoals Hotel Mistral in de Rue Cels waar een plaquette aan de muur is geplaatst omdat hij daar met Beauvoir heeft gewoond.

Het is überhaupt een aanrader om met een thema door Parijs te gaan.

Van Parijs naar de Elzas.

Plaquettes zijn leuk maar ik wilde mensen ontmoeten die zich hem herinnerden. En dus stapte ik in de auto naar de Elzas. Een rit van bijna 500 kilometer. Onderweg Reims aangedaan, champagne gekocht, Metz voorbijgereden maar wel even naar Verdun geweest. Oorlogsgebied. Uiteindelijk aangekomen in Brumath, Hôtellerie l’Écrevisse. Zoals ik schreef was het nogal ouderwets. Ik heb er heerlijk gegeten en de volgende dag vroeg ik naar Sartre. De familie kende hem. Hij kwam daar inderdaad vaak lunchen en schrijven. De meeste soldaten aten op de kazerne maar hij niet. Eigenlijk vonden ze het maar een raar mannetje, een echte Parijzenaar. 

De volgende dag heb ik door Brumath gelopen aan de hand van een kaartje dat Sartre had getekend in een brief aan Beauvoir van 30 oktober 1939. De Rue de Cerf uit en dan naar rechts. Gewoon omdat dat kon. Verder niks. Waar ooit Taverne du Cerf zat, zit nu een supermarkt.

Brumath is een doodgewoon Elzassisch stadje. Niet veel te doen, aangeharkt, aardige mensen, vakwerkhuizen en het doet meer Duits dan Frans aan. Maar zeg dat nooit hardop. Typisch Sartreaans is de observatie dat dingen veranderen doordat jij er bent. Doordat ik daar liep veranderde Brumath in een interessant stadje. Sartre schreef dit over zijn aanwezigheid: ‘Brumath is alleen nog maar een zinloze verblijfplaats, waar somberheid en kilte in de lucht hangen… Brumath is dus dor geworden.’ (Schemeroorlog, p.63, 64). Door zijn aanwezigheid.

De oorlog was er in het geheel niet en opeens wel. Door al die soldaten. Waar Brumath dor was voor hem scheen voor mij de zon. Na twee nachten l’Écrevisse vond ik het welletjes en ging ik door naar Morsbronn. 

Morsbronn

Begin december wordt Sartre overgeplaatst naar Morsbronn-les-Bains. De naam zegt het al, alles draait hier om bronnen en kuren. Waar Brumath iets gezapigs heeft, iets boers, is het hier anders. Dit ademt gezondheid. Althans, tegenwoordig. December 1939 was het voor Sartre anders. Voor het eerst voelde hij de oorlog dichtbij. Hôtel Bellevue was de plek waar hij veel verbleef, het ligt (nog steeds) iets buiten de stad.

Sartre besefte hier in mei 1940 hoe snel de oorlog zich ontwikkelde. ‘Vandaag dus de invasie van België en Holland’ schrijft hij op 10 mei 1940 aan Beauvoir. Hij zal hier nog enige tijd zijn, schrijvend en denkend. De schemeroorlog wordt een echte oorlog en de troepen worden teruggegeroepen naar het achterland, Haguenau. Op 21 juni 1940 wordt hj krijgsgevangen gemaakt en belandt in een gevangenenkamp bij Trier. In maart 1941 keert hij terug naar Parijs waar hij een verzetsgroep opricht.

Na Morsbronn ben ik via Haguenau, waar hij kort verbleef, en Pfaffenhofen richting Nancy gereden. Pfaffenhofen is waar zijn verre achteroom Albert Schweitzer was geboren. Sartre schreef daarover (22 december 1939) dat hij ‘door het grote, welvarende en enigszins troosteloze dorp gedwaald (had), dat me niets zei’. Niet echt een aanbeveling, maar toch even er doorheen.

Nog maar 150 kilometer naar Nancy waar achter de Place Stanislas een boekenmarkt was. Daar heb ik nog een nummer van l’Arc gekocht dat aan Sartre was gewijd. De wijn later die dag, op de Place Stan was prima. 

Was dit zinvol?

Is het zinvol iemand die een voorbeeld is na te reizen? Zeker. Ik zou het zo weer doen. Ten eerste is het heerlijk om met een duidelijk doel naar de Elzas te gaan. Je kunt kiezen voor Choucroute in Obernai (bij Zum Schnogaloch) of Tarte Flambée in Riquewihr. Natuurlijk kan dat. Ik koos voor een filosoof. En dan te voelen dat je een beetje dichterbij bent gekomen is een mooie ervaring. En mijn begrip en kennis van Sartre toegenomen. Maar toch. L’Écrevisse is op 20 juli 2016 failliet verklaard. Ik heb daar mogen verblijven en eten. 

En alles bij elkaar genomen heb ik in Brumath iemand de hand mogen schudden die Sartre kende en zo ben ik slechts één handshake away. Dat was een mooi moment.

(*) Gepubliceerd in En Route, bijzonder Frankrijk. Nr. 174, winter 2021-2022 enroute-magazine.nl

Nooit meer normaal leven

14 maart 2020

(Dit schreef ik op 25 mei jl., we zijn nu 24 weken verder, bijna 6 maanden dus)

===============================================================

Dag 443 is het vandaag. Dag 443 vanaf het moment dat wij als gezin in lockdown gingen, een lockdown die toentertijd nog een echte lockdown was. Een week eerder dan Nederland als totaal omdat we in het zuiden veel contacten hadden.

En wat we nu een lockdown noemen haalt het niet bij die van toen. De wegen waren leeg, de straten waren uitgestorven, mensen bleven thuis. De laatste avond kenmerkte zich vooral door de lange rij bij Andersom in hartje Utrecht. Alleen de supermarkt konden we naartoe. En toen ik uiteindelijk, zonder masker, naar de supermarkt ging waren de schappen leeg. Alle paracetamol was uitverkocht, evenals wc-papier, schoonmaakdoekjes, bloem, vlees en alle groenten, behalve zoete aardappelen.

Opeens zat de wereld dicht. We waren een beetje in paniek en we dachten dat het heel tijdelijk zou zijn.

Ik was toen ook optimistisch. Ik dacht dat het na een maand over twee over zou zijn en dat er in september een vaccin zou zijn waardoor alles weer terug kon keren naar normaal. Ik was niet de enige, bleek.

Ook het team waarmee ik werk was optimistisch. We zouden dit virus er wel eens flink onder krijgen. Gedisciplineerd zijn, goed opletten, geen risico’s nemen en dat een paar maanden. Dat zou dodelijk zijn voor dat k-virus. We gingen het samen doen. De helden aan het bed kwamen iedere avond op tv en we gingen met z’n allen klappen voor die helden. Ondanks de shit was er sprake van een gelaten opgeruimde stemming.

Nou, die is er niet meer. Na 14 maanden is de lol er af en zijn we alles heel kritisch gaan volgen. Van regeringsmaatregelen tot aan het mondkapje an sich. En nu zijn er demonstranten bij vaccinatielocaties. De grote mensentuin is waarin we zijn beland.

Sinds vorige week is alles weer iets ruimer geworden. We mogen tot acht uur ’s avonds op een terras zitten. Maar nog steeds beperkt. En nog steeds wordt gedemonstreerd.

Niet normaal wat er allemaal gebeurt.

Normaal. Wat is normaal vraag ik me intussen af. Of beter, wat het nieuwe normaal is en wordt.

Op persoonlijk niveau heb ik zo het vermoeden dat ik niet zo makkelijk meer handen zal schudden. Ik deed dat al niet graag en als ik het wel deed waste ik mijn handen altijd na afloop. Lichte smetvrees zal ik maar zeggen. Verder denk ik dat het enige tijd zal duren eer ik weer met een gerust hart in een vliegtuig zal zitten. Maar verder pak ik het oude leven weer op.

Op werkniveau denk ik dat er minder op kantoor zal worden gewerkt. Alles blijkt op afstand prima te lopen, maar als er wat nieuws moet gebeuren of er is een meeting met nieuwe partners dan is een fysieke bijeenkomst wel heel fijn. Het zal zich vanzelf gaan regelen. We zijn intelligente mensen en zoeken gewoon de beste modus.

Mijn zorgen zitten meer op maatschappelijk niveau. Het niveau waar we elkaar niet persoonlijk kennen en waar de overheid het voor het zeggen heeft. Tijdens deze pandemie is heel veel slechts naar boven gekomen tussen groepen mensen. Veel strijd, veel ruzie en heel veel polarisatie. Die was er natuurlijk al maar corona heeft als een vergrootlas gefungeerd.

Mij gaat het meer over ….

==================================================================

En hier stopte mijn blog. Mij ging het meer over het omgaan met elkaar. Het wantrouwen, haat en nijd, tweespalt. Nu, 6 maanden verder, is die nog groter dan het al was. Ik hoor en lees van families en gezinnen waarin ruzie is. Ik ken een man die als opa met zijn kleinzoon gaat zwemmen omdat de vader, zijn eigen zoon, zich niet laat vaccineren en bijna zijn zoon van zwemles had afgehaald. Zoals Mannheim al eens beschreef zijn weinig mensen irrationeel maar zijn er twee soorten rationaliteit: die gebaseerd op kennis en analyse (functionele rationaliteit) en die gebaseerd op de eigen ervaring en leefwereld (substantiële rationaliteit). Rationaliteit is hier bedoel als weloverwogen en doel-middel handelen leven. Als mijn ervaring (of gevoel) is dat de prik niet deugt zal ik die dus ook niet nemen.

Weigeraars handelen in die zin rationeel. Als de regering bij monde van Hugo de Jonge hen wegzet als gek dan doe je die weigeraars tekort. Zij zijn niet gek (dat wil zeggen als je de complotdenkers die diep irrationele gedachten hebben niet meetelt) zij bekijken vaccineren in het licht van hun wereld en hun beleving. Als je al wantrouwen voelt ten opzichte van de regering dan zul je niet snel in een vaccin geloven. Vooral als dat wantrouwen wordt gevoed door diezelfde regering. De ene keer zeggen dat mondkapjes nooit meer terugkomen en dan vrolijk maanden later ze weer adviseren, aangeven dat je een toeslag kunt aanvragen en die dan jaren later dubbel en dwars terugeisen, je uitkering niet indexeren maar wel rulings afspreken met grote bedrijven, zeggen dat je Groningen gaat helpen en vervolgens doodleuk zeggen dat je niets meer belooft omdat je je beloften toch nooit nakomt.

Mensen zijn niet gek.

Wat ik desondanks zou willen is dat iedereen inziet dat deze pandemie niet politiek is, noch links noch rechts. Dat de ziekenhuizen vollopen, dat je met vaccin een veel kleinere kans op shit hebt dan zonder, dat je soms iets moet doen voor anderen ook al zie je het niet helemaal zo zitten. Dat we, kortom, er samen inzitten en er samen weer uit gaan komen.

Dag 611 is het inmiddels.