De eerste weken na het afscheid zijn vreemd. Leeg, zoals voor mij de eerste januari altijd is. Alles achter de rug en het nieuwe is nog niet begonnen. Koude leegte. Ook bevrijd overigens. En dan de momenten dat je denkt ‘even mijn moedertje bellen’ en dat niet meer kunt.
Het einde van iemand die je liefhebt is een nieuw begin van en voor jezelf. Veel moet je opnieuw uitvinden en het afscheid van alles wat was kan lang duren. En op een dag krijg je rust.
Dit is het negende en laatste gedicht van De Reis.
De eerste dood en begrafenis die grote impact op mijn leven hadden, was in 1993, net voor Kerst. De dag na de begrafenis was leeg, kaal en heel vreemd. Ik kon niets meer doen of betekenen voor degene van wie we afscheid hadden genomen. Daarna had ik dezelfde ervaring met onze moeders en in 2007 met mijn vader. Mensen die zo belangrijk voor je zijn en die opeens weg zijn, begraven of gecremeerd. In een roes doe je alles wat je moet en kunt doen en dan opeens ligt alles achter je. Je wordt wakker met het besef dat die leegte die je voelt blijvend is. Je blijft achter met alle andere achterblijvers. Daarover gaat dit, voorlaatste, gedicht.
“Gaat het wel goed met je”, vroeg een vriend. “Al dat geschrijf over de dood!” Het gaat heel goed met me en de reden dat ik dit doe is steeds dezelfde: woorden geven aan het gemis van twee moeders. En een beetje een monument oprichten voor hen, hoe klein ook.
Dus hou vol!
Na alle stappen die je meemaakt na het verlies van een dierbare, komt ook de dag van de begrafenis of crematie. Een rare dag die later voelt als een gat. Op die dag zelf doe je alles wat je kunt om nog liefde te tonen, om zorgvuldig te zijn en te laten zien waar je liefde zit voor degene die je begraaft. Nog wat woorden en te veel spanning voor echt verdriet.
Sacramenten zijn belangrijk. Natuurlijk voor Rooms-Katholieken alle Heilige Sacramenten, van Doop tot Ziekenzalving. Maar als je een sacrament ziet als een heilige of betekenisvolle handeling dan herken je natuurlijk veel meer sacramenten. Of je gelovig bent of niet. Op zondag altijd samen ontbijten om de dag te beginnen met het gezin, elkaar altijd gedag kussen voor je de deur uitgaat. Ik zie ook dat ieder van ons rituelen heeft: ik begin de dag altijd met twee sneden brood en vijf espresso. Geen dag zonder. Mijn leven zit vol rituelen maar die zijn zo ingesleten dat ze gedachteloos voorbij gaan. Een sacrament zonder religie is bijvoorbeeld die kus bij het weggaan. Dat doe je niet gedachteloos, op automatische piloot. Je geeft welbewust waarde aan die handeling.
Bij onze moeders werden handelingen tot routines tot sacramenten. Mijn kus op het voorhoofd van mijn moedertje bij komen en gaan. Iets langer dan nodig aangehouden zodat er een moment samen ontstond. Een heilig verbond.
Bij mijn schoonmoeder waren er vele. Zij was heel gelovig en liet op enig moment de pastoor komen voor de ziekenzalving. Wij waren daarbij aanwezig.
Dit is na het gedicht van gisteren, De Reis, het zesde gedicht van negen.
En zo beseft iemand die weet dat het einde komt dat er echt een reis aan zit te komen. Een reis waarvan je niet eens weet waar die precies naar toe gaat en waarvan je niet eens weet hoe die reis verloopt. Ik heb het meegemaakt bij beide moeders. Ik zal niet zeggen dat er een soort berusting was, integendeel soms. Enorme opstand en boosheid. Dat heb ik gezien. Maar soms ook wel berusting. Omdat het onafwendbaar was wat er kwam.
Mijn schoonmoeder had in een bos in Salland en bepaalde boom waar zij troost uit putte. Een verbinding tussen de aarde met een nietig mens en de hemel. Daarover gaat dit gedicht.
Gisteren schreef ik over het moeten vertrekken, vandaag over de onontkoombare reis. De Reis is ook de titel van deze hele reeks gedichten.
Het zal ergens september 1999 zijn geweest. Mijn moeder lag in bed, doodziek. Ik kwam haar slaapkamer binnen en de geur was een andere dan ik gewend was. Er hing een soort acetongeur die ik niet eerder had geroken. Mijn moeder werd wakker en kwam overeind. Ze had last van haar maag en ik pakte een maagtablet en maakte die klein zodat het makkelijker was om door te slikken. Ze ging op de rand van haar bed zitten, wetend wat er zou komen, en vroeg aan me “ik ga het jaar 2000 toch wel halen hé?” Ik zei “al moet ik je persoonlijk de nieuwe eeuw induwen” en lachte wat. Ze heeft het jaar 2000 niet gehaald.
Een jaar eerder: mijn schoonmoeder werd wakker uit een koortsachtige droom. Ze werd wakker met grote, wat paniekerige ogen, en zei: “ik zag mijn moeder, ze wenkte naar me”. Alsof het hiernamaals zich aandiende.
Beiden wisten dat het vertrek nabij was.
Je leest van mensen, Mulisch bijvoorbeeld, die nieuwsgierig zijn naar het sterven en wat daarna komt. Of niet. Je hoort van anderen, zoals René Gude die ik nog altijd mis met al zijn optimistische wijsheid, die met een blijmoedige onbevangenheid het einde tegemoet treden. En er zijn er die met grote angst iedere stap voorwaarts zetten.
Ik weet niet tot welke groep ik zal behoren.
Dit is gedicht 4, na gedicht 3 van gisteren. De hele reeks heet De Reis.
Als je eenmaal weet dat er kanker in het spel is ga je door alle bekende stadia: van ongeloof naar opstand naar wanhoop naar berusting naar opstand et cetera. Geen dag is meer zoals ooit daarvoor. En in het geval van onze moeders was het een kroniek van een aangekondigde dood. Weten wat er komt, maar niet wanneer.
En op sommige dagen lijkt het leven gewoon door te gaan alsof er niets aan de hand is en er niets te gebeuren staat. Soms zijn er zelfs feestjes, bijeenkomsten, mensen bij elkaar die doorgaan met hun eigen leven. In een ander parallel universum.
Zoals ik gisteren schreef zijn in de laatste jaren van de vorige eeuw mijn moeder en schoonmoeder overleden. Beiden aan kanker en dus min of meer aangekondigd. De maanden die komen na die aankondiging kennen up en downs. Soms heb je het gevoel aan een onbekende reis te zijn begonnen met elkaar en soms verval je in diepe droefenis.
Na die periode heb ik een aantal gedichten geschreven met als titel De Reis.
Kerst 1997 hoorden wij dat mijn schoonmoeder ongeneeslijk ziek was en nog maximaal negen maanden te gaan had. Op 3 september 1998 overleed zij. Ze was toen 58 jaar oud. In dat jaar hoorden wij dat mijn moeder ook kanker had, en precies 1 jaar, 1 maand en 1 week na mijn schoonmoeder overleed ook zij. Ze was 78 jaar oud. Beiden hebben de eeuwwisseling niet meegemaakt.
In korte tijd verloren wij onze moeders aan kanker. De sluipmoordenaar in je lijf noemde mijn moeder dat. Hij was er, maar je wist nooit wanneer hij toesloeg.
Ik heb toentertijd een aantal gedichten geschreven met als titel De Reis. Als je er middenin zit, beduusd en verslagen, gaat de tijd niet lineair. Sommige weken gaan razendsnel en andere tergend langzaam. Het einde, de bestemming staat vast. De reis is onbekend. Dat heb ik proberen te pakken in deze negen gedichten.
Ik doe mezelf altijd een groot plezier door naar een supermarkt in het buitenland te gaan. Kan de Kaufland zijn in Duitsland, de Carrefour in België of een heel klein supermarktje (Sherpa) in Les Trois Vallées.
Het grootste plezier heb ik in zo’n grote hypermarché in Frankrijk. Altijd gelegen aan de rand van de stad, op een ZI tussen de Buffalo Grill en de Kiabi en heel veel andere bedrijven. De omgeving is eigenlijk altijd demotiverend lelijk, dus waarom er toch naar toe?
Sterker nog: wie rijdt er meer dan twee uur om net over de grens van België in Frankrijk de afslag Roncq te nemen en te gaan winkelen bij de Auchan? Welk nadenkend mens doet dat?
Nou: ik.
Een Auchan met een kassa of 70 en een oppervlakte die oneindig aanvoelt. Ik word daar zo blij van. Een veel te grote kar pakken en langs alle Franse heerlijkheden lopen en die kar volgooien. Wat je daar kunt vinden is een land onder eenzelfde dak. En dat is prachtig. Natuurlijk, je moet even door het enorme consumentisme heen kijken. Terwijl je er zelf aan meedoet overigens. Maar als je dat doet en je richt je op de schoonheid van wat Frankrijk te bieden heeft dan gaat er een wereld voor je open. Onbevangen dus naar binnen.
Wat ook mooi is als je dat doet in de verschillende seizoenen. Het voorjaar is totaal anders dan in de herfst, laat staan vlak voor de kerst. En natuurlijk, dat is niet anders dan in Nederland. De schaal waarop is echter geheel on-Nederlands.
Denk aan de strekkende meters boter uit de verschillende streken, de twintig meter yoghurt, de pakketten met alles erin voor Pot au Feu, de wijnsectie, de broodafdeling, alle pasta’s bij elkaar van de Elzas tot aan Crozets uit de Savoie. Ooit in de herfst liep ik in de Loire in een hypermarché en daar kon je jachtgeweren en munitie kopen. Prachtig. Het is een Tour de France onder handbereik.
Het kan nu even niet. Het is niet anders. Mijn voornemen is deze zomer wel in Frankrijk uit te komen en dan in de Var. Op mijn berg, als het moet in totale lock down, met af en toe een ritje naar de lokale Intermarché. En, hoewel kleiner, ook daar is het een walhalla. Vooral omdat die gevuld is met lokale verse producten. Paprika’s die zo misvormd zijn dat zij de Nederlandse supermarkt nooit bereiken, perziken van alle formaten, maar ook vlees van de koeien om de hoek.
Wat me in beide gevallen opvalt is de manier waarop we met voeding en voedsel omgaan in Nederland en hoe de Fransen dat doen.
Zeker is het zo dat die grote supermarkten ook vol liggen met producten die wij ook kennen. Je loopt niet alleen maar tussen exotische zaken. De grote merken kom je tegen en ook heel veel minder spul. Berucht is natuurlijk de extreem goedkope Pinard waar je dagen lang een kater van hebt. Dat is waar.
Maar: wat ook waar is, is de liefde van Fransen voor goede kwaliteit die zich uit in gewoon betalen voor kwaliteit. Ga voor de lol eens staan bij de kaasafdeling en kijk hoe men de beste kaasjes uitzoekt. Of hoe een dorpsbewoner in mijn dorp een duur stuk rund koopt om te laten vermalen tot een steak haché. De kippepoten die ik koop en dan voor vier poten een veelvoud afreken van die in Nederland. De smaak is navenant.
Onze relatie met eten is een andere. Wij willen makkelijk en snel kunnen eten zonder dat de portemonnee leeg is. Het is niet het belangrijkste onderdeel van het feestje. In Frankrijk is dat anders. Fransen geven gemiddeld 20% van hun budget uit aan eten, Nederlanders rond maximaal 12%. En de koppeling prijs-kwaliteit in voedsel is een belangrijke. Voor weinig kun je geen goed vlees kopen. Prijsknallers bevatten meer water dan proteïnen. Als gewicht per euro belangrijk is dan draait het niet meer om kwaliteit.
Dat is dan ook de reden dat al die verschillende Franse supermarkten zoveel verse kwaliteit kunnen bieden: het wordt gewoon gekocht. Ze blijven er niet mee zitten. Het inkooprisico is dus klein.
Van de Auchan in Roncq of Aubagne tot aan de hypermarché in Carcès: het draait om kwaliteit en exclusiviteit voor de massa. Een massa die gewoon geld uitgeeft aan goed eten.
Omdat dat in ons land anders is, zal ik af en toe richting Frankrijk moeten reizen. Ik verheug me ook op de dag dat het weer kan.
En los van de Auchan: Lille is een heerlijke, voor velen onbekende, stad. Meestal rij je er langs op weg naar zon en zee. Doe eens niet en ga de stad in. Drink op de markt koffie of een biertje en geniet van Frankrijk op een paar uur rijden.