De dood, dag 5: De Reis

En zo beseft iemand die weet dat het einde komt dat er echt een reis aan zit te komen. Een reis waarvan je niet eens weet waar die precies naar toe gaat en waarvan je niet eens weet hoe die reis verloopt. Ik heb het meegemaakt bij beide moeders. Ik zal niet zeggen dat er een soort berusting was, integendeel soms. Enorme opstand en boosheid. Dat heb ik gezien. Maar soms ook wel berusting. Omdat het onafwendbaar was wat er kwam.

Mijn schoonmoeder had in een bos in Salland en bepaalde boom waar zij troost uit putte. Een verbinding tussen de aarde met een nietig mens en de hemel. Daarover gaat dit gedicht.

Gisteren schreef ik over het moeten vertrekken, vandaag over de onontkoombare reis. De Reis is ook de titel van deze hele reeks gedichten.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

De reis

Het bos waarin we gaan

Is groot en vochtig

De bomen waken alle jaren

Over deze aarde,

Uw voeten bewegen

Het heelal, en plots 

Zet u alles stil.

Er is een van hen

Met wie u praten wilt,

De handen op de bast

De ogen gesloten

Reist u naar de toppen 

Van de boom,

Van daar ziet u uit

Over de wereld

Naar het strand, de zee

Waar het leven ooit begon,

Uw reizen is een reizen

Dat niet van deze wereld is,

Ik kijk naar u, ben stil, en weet

Dat ik u nu reeds mis.

De dood: dag 4.

Het zal ergens september 1999 zijn geweest. Mijn moeder lag in bed, doodziek. Ik kwam haar slaapkamer binnen en de geur was een andere dan ik gewend was. Er hing een soort acetongeur die ik niet eerder had geroken. Mijn moeder werd wakker en kwam overeind. Ze had last van haar maag en ik pakte een maagtablet en maakte die klein zodat het makkelijker was om door te slikken. Ze ging op de rand van haar bed zitten, wetend wat er zou komen, en vroeg aan me “ik ga het jaar 2000 toch wel halen hé?” Ik zei “al moet ik je persoonlijk de nieuwe eeuw induwen” en lachte wat. Ze heeft het jaar 2000 niet gehaald.

Een jaar eerder: mijn schoonmoeder werd wakker uit een koortsachtige droom. Ze werd wakker met grote, wat paniekerige ogen, en zei: “ik zag mijn moeder, ze wenkte naar me”. Alsof het hiernamaals zich aandiende.

Beiden wisten dat het vertrek nabij was.

Je leest van mensen, Mulisch bijvoorbeeld, die nieuwsgierig zijn naar het sterven en wat daarna komt. Of niet. Je hoort van anderen, zoals René Gude die ik nog altijd mis met al zijn optimistische wijsheid, die met een blijmoedige onbevangenheid het einde tegemoet treden. En er zijn er die met grote angst iedere stap voorwaarts zetten.

Ik weet niet tot welke groep ik zal behoren.

Dit is gedicht 4, na gedicht 3 van gisteren. De hele reeks heet De Reis.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Het vertrek

De paniek in uw ogen,

Soms,

Als ik bij u ben,

Maar neem de tijd,

Ik rust op de rand van het bed.

Als u bent gewekt

Uit een diepe droom,

‘De dood trok aan mij,

ik zag om en zag mijn  moeder’,

Uw woorden pakken mijn hand,

Klam, zitten we hier samen en

Praten over plaatsen zonder namen

Wat komt daarna, vraagt u.

En ik stel u teleur

Waar u zult gaan ben ik

Nimmer geweest,

En alleen mijn geest raakt de uwe,

Dit vertrek heeft alleen voor mij

Een deur.

De dood: dag 3

Als je eenmaal weet dat er kanker in het spel is ga je door alle bekende stadia: van ongeloof naar opstand naar wanhoop naar berusting naar opstand et cetera. Geen dag is meer zoals ooit daarvoor. En in het geval van onze moeders was het een kroniek van een aangekondigde dood. Weten wat er komt, maar niet wanneer.

En op sommige dagen lijkt het leven gewoon door te gaan alsof er niets aan de hand is en er niets te gebeuren staat. Soms zijn er zelfs feestjes, bijeenkomsten, mensen bij elkaar die doorgaan met hun eigen leven. In een ander parallel universum.

Gisteren gedicht 2, vandaag gedicht 3.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Het feest

Behoedzaam loopt u de trappen op

Naar de zaal, waar de anderen

Reeds wachten, en u kijkt

Scherp om u heen, weten, ach,

Maar vóelen dat het leven

Eindig is, in dat gevoel bent u

Op dit feest alleen.

U beloofde mij een laatste dans

En u leidde mij door de menigte

Naar buiten nu, het terras

Waar de avond, voorbode

Van alles dat komt. Nooit

Eerder heeft u zo gesproken 

Met de nacht,

En terwijl de mensen binnen

Het feest opnieuw beginnen,

Met een geestdrift die eens

De uwe was,

Spreekt u tot mij als een vrouw

Die reeds vertrokken is,

Een ander dan u bent.

De dood: gedicht 2

Zoals ik gisteren schreef zijn in de laatste jaren van de vorige eeuw mijn moeder en schoonmoeder overleden. Beiden aan kanker en dus min of meer aangekondigd. De maanden die komen na die aankondiging kennen up en downs. Soms heb je het gevoel aan een onbekende reis te zijn begonnen met elkaar en soms verval je in diepe droefenis.

Na die periode heb ik een aantal gedichten geschreven met als titel De Reis.

Gisteren gedicht één, vandaag gedicht twee.

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

De voorbereiding

Hoeveel koffers

Voor hoeveel bagage

Als je weet waarheen de reis

De bestemming bekend

Maar niet wat daarna,

Na een aankomst.

Welke voorbereiding voldoet,

De vraag aan uzelf gesteld:

‘wat neem ik mee als ik,

stel..’

Als u hier staat, een perron.

In uw handen, uw vingers

Tellen de kralen aan het koord,

Iedere kraal is een oord

Waar uw geest wil wonen.

De dood, een gedicht.

Kerst 1997 hoorden wij dat mijn schoonmoeder ongeneeslijk ziek was en nog maximaal negen maanden te gaan had. Op 3 september 1998 overleed zij. Ze was toen 58 jaar oud. In dat jaar hoorden wij dat mijn moeder ook kanker had, en precies 1 jaar, 1 maand en 1 week na mijn schoonmoeder overleed ook zij. Ze was 78 jaar oud. Beiden hebben de eeuwwisseling niet meegemaakt.

In korte tijd verloren wij onze moeders aan kanker. De sluipmoordenaar in je lijf noemde mijn moeder dat. Hij was er, maar je wist nooit wanneer hij toesloeg.

Ik heb toentertijd een aantal gedichten geschreven met als titel De Reis. Als je er middenin zit, beduusd en verslagen, gaat de tijd niet lineair. Sommige weken gaan razendsnel en andere tergend langzaam. Het einde, de bestemming staat vast. De reis is onbekend. Dat heb ik proberen te pakken in deze negen gedichten.

Dit zijn ze:

  1. De aankondiging
  2. De voorbereiding
  3. Het feest
  4. Het vertrek
  5. De reis
  6. De bestemming
  7. De aankomst
  8. Het achterblijven
  9. Het begin

Vandaag het eerste gedicht.

De Reis

De aankondiging

Door de gangen klonk geschreeuw

Iemand had gesproken

Wat Uw lichaam steeds fluisterde,

En – hoewel het leek alsof

U niet luisterde – 

U herkende de woorden in de nacht,

Het bericht zoals u reeds

Lang had verwacht: “kom we gaan,

De tijd is gekomen,

De reis moet beginnen”.

De reis is begonnen, diep

Verborgen in uw lichaam

Is de bestemming gegroeid

Uw innerlijk zal zich uiten,

En nogmaals de woorden, nu al

Licht vermoeid, “kom,

We moeten gaan”.

De Hypermarché: een Tour de France.

De supermarkt in Carcès

Ik doe mezelf altijd een groot plezier door naar een supermarkt in het buitenland te gaan. Kan de Kaufland zijn in Duitsland, de Carrefour in België of een heel klein supermarktje (Sherpa) in Les Trois Vallées.

Het grootste plezier heb ik in zo’n grote hypermarché in Frankrijk. Altijd gelegen aan de rand van de stad, op een ZI tussen de Buffalo Grill en de Kiabi en heel veel andere bedrijven. De omgeving is eigenlijk altijd demotiverend lelijk, dus waarom er toch naar toe?

Sterker nog: wie rijdt er meer dan twee uur om net over de grens van België in Frankrijk de afslag Roncq te nemen en te gaan winkelen bij de Auchan? Welk nadenkend mens doet dat?

Nou: ik.

Een Auchan met een kassa of 70 en een oppervlakte die oneindig aanvoelt. Ik word daar zo blij van. Een veel te grote kar pakken en langs alle Franse heerlijkheden lopen en die kar volgooien. Wat je daar kunt vinden is een land onder eenzelfde dak. En dat is prachtig. Natuurlijk, je moet even door het enorme consumentisme heen kijken. Terwijl je er zelf aan meedoet overigens. Maar als je dat doet en je richt je op de schoonheid van wat Frankrijk te bieden heeft dan gaat er een wereld voor je open. Onbevangen dus naar binnen.

Wat ook mooi is als je dat doet in de verschillende seizoenen. Het voorjaar is totaal anders dan in de herfst, laat staan vlak voor de kerst. En natuurlijk, dat is niet anders dan in Nederland. De schaal waarop is echter geheel on-Nederlands.

Denk aan de strekkende meters boter uit de verschillende streken, de twintig meter yoghurt, de pakketten met alles erin voor Pot au Feu, de wijnsectie, de broodafdeling, alle pasta’s bij elkaar van de Elzas tot aan Crozets uit de Savoie. Ooit in de herfst liep ik in de Loire in een hypermarché en daar kon je jachtgeweren en munitie kopen. Prachtig. Het is een Tour de France onder handbereik.

Het kan nu even niet. Het is niet anders. Mijn voornemen is deze zomer wel in Frankrijk uit te komen en dan in de Var. Op mijn berg, als het moet in totale lock down, met af en toe een ritje naar de lokale Intermarché. En, hoewel kleiner, ook daar is het een walhalla. Vooral omdat die gevuld is met lokale verse producten. Paprika’s die zo misvormd zijn dat zij de Nederlandse supermarkt nooit bereiken, perziken van alle formaten, maar ook vlees van de koeien om de hoek.

Wat me in beide gevallen opvalt is de manier waarop we met voeding en voedsel omgaan in Nederland en hoe de Fransen dat doen.

Zeker is het zo dat die grote supermarkten ook vol liggen met producten die wij ook kennen. Je loopt niet alleen maar tussen exotische zaken. De grote merken kom je tegen en ook heel veel minder spul. Berucht is natuurlijk de extreem goedkope Pinard waar je dagen lang een kater van hebt. Dat is waar.

Maar: wat ook waar is, is de liefde van Fransen voor goede kwaliteit die zich uit in gewoon betalen voor kwaliteit. Ga voor de lol eens staan bij de kaasafdeling en kijk hoe men de beste kaasjes uitzoekt. Of hoe een dorpsbewoner in mijn dorp een duur stuk rund koopt om te laten vermalen tot een steak haché. De kippepoten die ik koop en dan voor vier poten een veelvoud afreken van die in Nederland. De smaak is navenant.

Onze relatie met eten is een andere. Wij willen makkelijk en snel kunnen eten zonder dat de portemonnee leeg is. Het is niet het belangrijkste onderdeel van het feestje. In Frankrijk is dat anders. Fransen geven gemiddeld 20% van hun budget uit aan eten, Nederlanders rond maximaal 12%. En de koppeling prijs-kwaliteit in voedsel is een belangrijke. Voor weinig kun je geen goed vlees kopen. Prijsknallers bevatten meer water dan proteïnen. Als gewicht per euro belangrijk is dan draait het niet meer om kwaliteit.

Dat is dan ook de reden dat al die verschillende Franse supermarkten zoveel verse kwaliteit kunnen bieden: het wordt gewoon gekocht. Ze blijven er niet mee zitten. Het inkooprisico is dus klein.

Van de Auchan in Roncq of Aubagne tot aan de hypermarché in Carcès: het draait om kwaliteit en exclusiviteit voor de massa. Een massa die gewoon geld uitgeeft aan goed eten.

Omdat dat in ons land anders is, zal ik af en toe richting Frankrijk moeten reizen. Ik verheug me ook op de dag dat het weer kan.

En los van de Auchan: Lille is een heerlijke, voor velen onbekende, stad. Meestal rij je er langs op weg naar zon en zee. Doe eens niet en ga de stad in. Drink op de markt koffie of een biertje en geniet van Frankrijk op een paar uur rijden.

Stemadvies

Ik kijk nauwelijks tv en al helemaal nauwelijks politieke debatten. Dat terwijl ik een neurotisch volger van alle politiek ben. Sinds mijn vroege jeugd is de politiek een onderdeel van mijn leven. Aan de eettafel bij mij thuis werd er veel over politiek gesproken en die traditie zet ik in mijn eigen gezinsleven door. Soms tot ergernis van mijn gezin.

En toch kijk ik niet. Ik weet namelijk wat er gaat komen. Veel vrome woorden, veel vooruitzichten, veel beloftes en platte leugens en verdraaiingen. Vliegen afvangen door meest volwassen mannen. Rutte die zijn beste tijd achter zich heeft liggen maar toch weer terugkomt. Hoekstra die toch gewoon een managing consultant van McKinsey blijkt te zijn. Klaver die driftig om zich heen kijkend alle moeilijke onderwerpen ontwijkt. Wilders die al 63 jaar dezelfde riedel afsteekt. Ploumen die…waar is Ploumen? Kaag die te intelligent is voor Nederland. Marijnissen waar ik een zwak voor heb maar zo schreeuwt dat mijn zwak verdwijnt. De rest noem ik gewoon niet.

Je ziet: soms kijk ik dus wel tv.

Waar ik op afhaak is het feit dat de journalistiek het eigen handwerk niet uitvoert. Hoe zit het met de toeslagenaffaire en de etnische profilering? Waarom houdt Rutte hier zijn mond over de EU terwijl het voor Nederland een heel grote afzetmarkt is? Weten de heren dat er geen causaliteit is tussen een kortere WW en meer mensen aan het werk? En waarom zeggen ze dat toch? En nu we toch bezig zijn: meneer Rutte zegt dat de VVD de WW ongemoeid laat terwijl dat niet zo is. Waarom doet hij dat?

En waarom hebben we te maken met een kabinet dat wel weet de sanctioneren en te beperken maar zoveel moeite heeft met vooruitgang boeken? Waarom zit D66 er nog steeds bij als het roer om moet? En nu we het over sanctioneren hebben: waarom is het bovenste item van de stapel nog steeds van kracht en is ook nog eens verlengd? Ja, meneer Rutte, we hebben het over de avondklok. Weet u nog? Avondklok zou verdwijnen en we zouden €1000 erbij krijgen. Ook niet gebeurd. Waarom belooft dit kabinet van alles maar komt het niets na? Waarom, waarom, waarom? Waarom is demonstreren tegenwoordig een hachelijke onderneming? Waarom? Waarom valt minister De Jonge een individu aan die door te bellen een vaccinatie heeft geregeld voor zichzelf en zijn vrouw? Meneer Hoekstra, waarom doet hij dat, terwijl hijzelf niets op orde heeft? Waarom komt hij daarmee weg, meneer Hoekstra?

Ik ben een ontevreden burger. Ik kijk naar een overheid die vergeten is te werken in naam van en voor het volk, voor alle burgers. Ook voor hen die niet geloven in vaccinaties, ook voor hen die demonstreren waar het niet is toegestaan, ook voor hen die hier al heel lang wonen en nog steeds gewantrouwd worden, ook voor hen wier leven een puinhoop is door het terugvorderen van toeslagen of gewoon doordat zij in Groningen wonen. Over Groningen gesproken: meneer Rutte, u met uw fabelachtige dossierkennis, hoe kon u voorstellen dat er een kerncentrale moet komen in Groningen? Oh, sorry, u heeft daar geen actieve herinneringen aan?

We hebben te maken met een versleten club bewindslieden en een premier die geen moeite meer hoeft te doen. Een dodelijke combinatie, niet alleen tijdens een crisis maar überhaupt. En de regeldrift en cynisme hebben in het afgelopen decennium geleid tot een afkeer van gewone mensen die afhankelijk zijn van diezelfde regering. Ik heb daar al eens over geschreven. Deze regering zou het liefst een land zonder burgers willen.

Ik weet wat ik ga stemmen en het is niet op een van de coalitiepartijen. Ieder moet het zelf weten, waarbij ik een uitzondering maak voor bruinrechtse partijen: ieder die daarop stemt heeft geen zuivere geest. Het zijn er nogal wat in dit land. Sneue mensen.

Maar wat je ook stemt: als je stemt op een van de huidige coalitiepartijen dan stem je voor voortzetting van het huidige beleid. Besef dat. Niets van wat de mens doet is vrijblijvend. Niets.

Mijn stemadvies is dus: neem verantwoordelijkheid voor je eigen stem, maar ga in ieder geval stemmen! En zeur later niet als het tegenvalt in de praktijk. terwijl die lijsttrekker het zo anders zei tijdens die debatten.

Tussen zeggen en doen gaapt een enorm gat. Ga stemmen.

Wat een gemis.

Het is maandag. In mijn agenda staat de hele week een afspraak: een hotel in Les Bruyères in Les Trois Vallées. Een reservering die ik vorig jaar augustus gemaakt heb. Toen al wist ik dat deze hele toestand nog maanden zou duren maar ik had goede hoop. We zaten toen vijf maanden in een soort lockdown en ik was optimistisch. Ik dacht dat ergens in oktober er een eerste vaccin zou zijn en dat we dat in januari weer konden leven. En dus in februari naar de sneeuw zouden kunnen.

De rest is geschiedenis. Op 19 januari jl, de verjaardag van mijn lieve zusje, heb ik de reservering geannuleerd. Met pijn in de buik. De week vakantie is inmiddels veranderd in een week on line meetings en het voorbereiden van besluiten.

En nu denk ik dus aan die sneeuw en verblijf in een lekker hotel. We hadden mazzel vorige week. Een soort miniatuur wintersport kregen we cadeau van de Lieve Heer. En daar moeten we het mee doen.

De foto die ik hier laat zien is van het pad tussen Les Bruyères en Les Ménuires, op zo’n 1800 meter hoogte. Omdat ik niet ski wandel ik daar vaak. De kou en de wind zijn heerlijk. Als de zon schijnt is het helemaal een heerlijke wandeling. En het is niet eens heel opwindend allemaal.

Les Ménuires is een nogal gedateerd Frans wintersportdorp. Gebouwd rond de plek waar duizenden skiërs naar beneden komen of staan te wachten bij liften. De terrassen zijn betimmerd met bruine schrootjes. Maar het mooiste en meest gedateerde is toch het ondergrondse winkelcentrum. Geheel betegeld, bruin hout en winkeltjes waar je van ziet dat die er al decennia zitten. De obligate vreetschuren die ook ’s morgens al naar raclette stinken. Winkeltjes met souvenirs. Bekers, messen, glazen en grote ovenschalen waar je tarti- of croziflette kunt maken. Een feest om te vertoeven.

Ik loop altijd door dat winkelcentrum en ga daarna wat drinken in de zon alvorens weer terug te lopen. Al met al ben ik dan een paar uur onder de pannen.

Mijn leven bestaat een week lang uit rust, reinheid en regelmaat. Maar wat een genot. De eerste dag is het spullen huren, de juiste schoenen passen en sjouwen met alles naar het hotel. De familie gaat direct skiën en ik geniet van de stilte. In de avond gaan we in een soort rodelbaan, de Speed Mountain, waar je langzaam omhoog wordt getakeld om daarna in een rotvaart naar beneden te zoeven in de snijdende kou. Daarna zijn alle dagen hetzelfde: we staan op, ik ga mee met de familie om een beetje te helpen met al het gedoe rond skiën en dan is de ochtend voor mij. In mijn uppie wandelen, om me heen kijken, zitten in de zon met koffie en dus wandelen. Lunchen en ’s avonds ongegeneerd lekker eten bij een van de restaurants in het kleine dorpje, een hameau eigenlijk. De enige afwisseling is dat ik ook nog lees, in de hamam zit (het hotel is geheel leeg overdag) en zon.

Wat maakt dat nou zo aantrekkelijk? Natuurlijk gewoon dat ik in Frankrijk ben, moeilijker dan dat is het niet. Boodschappen doen bij de Sherpa tegenover het hotel. Goed stokbrood kunnen kopen, goede worst en heerlijke wijn. Gewoon overal Frans spreken en ’s avonds Frans eten. Me thuis voelen. Ik voel me in Frankrijk altijd thuis namelijk. En inmiddels zijn we zover dat we begroet worden in het restaurant als we komen eten en dat ze weten dat mijn oudste zoon een zware allergie heeft. Men houdt daar rekening mee.

Bovenal vind ik de Savoie prachtig. De rit in de auto – ok, wel veel file – is altijd adembenemend. Na een nacht in Villefranche rijden we ’s morgens vroeg de laatste 250 kilometer tot aan bestemming. Vlakke wegen om te beginnen en dan doemen daar opeens de Alpen op. Sneeuw op de toppen. Na alle file rechtsaf en dan links omhoog de berg op voor de laatste 30 nog wat kilometer. Prachtig. Slingerend, eerst door het groen en dan steeds meer sneeuw en ijs. De temperatuur zien zakken. Saint Martin langs en verder omhoog. En dan uiteindelijk de weg naar Les Bruyères, rechts het dal. Je komt in een wereld die anders is dan die van ons. Hoog, koud, natuur, sneeuw en een prachtige zon. Alles klopt. En dat zelfs de bergen van kaas zijn gemaakt neem ik voor lief. En op de terugweg de weg binnendoor nemen langs het meer van Annecy. In tijd maakt dat niets uit en de natuur is prachtig.

Dit alles had ik in een normaal jaar kunnen hebben. Gewoon een week de hort op met het gezin. Genieten. De zonen steeds makkelijker zien skiën, steeds zelfstandiger. Maar het mag niet zo zijn. Ik heb niet veel last van dingen die ik mis in deze tijden. Ik pas me aan en geniet van wat wel kan. Maar nu voel ik het gemis wel. Geen wintersport.

C’est dur.

De Elfstedentocht gaat door

Het was ijskoud. 21 Februari was het dat ik in de warmte van een grote zaal de Elfstedentocht keek. Er was een grote televisie, er was oude muziek, er was erwtensoep met roggebrood met katenspek en er waren tientallen bejaarden. De gordijnen zaten dicht, de sfeer was geweldig. Mensen praatten over 1963 en de koude winter van 1944. Tranen van ontroering in oude ogen en men had een geweldige dag. Voor velen was dit de laatste Elfstedentocht en een aantal wist de volgende dag niet eens meer dat ze gekeken hadden.

Waar was ik en waarom schrijf ik hierover?

In 1985 werkte ik in een verpleeghuis in Utrecht, op Overvecht. Tijdens mijn studie moest ik onderzoek doen en ik had ervoor gekozen dat in een verpleeghuis te doen. Ik kende daar al iemand en die introduceerde me bij het hoofd dagbehandeling. Ik werd als jong mens van harte welkom geheten tot iemand mijn onderzoek niet vertrouwde. Zij dacht dat ik bezig was in opdracht van de directie te kijken waar bezuinigd kon worden. Wat niet zo was. Ik onderzocht hoe mensen tot hun laatste adem als mens kunnen worden behandeld.

Wat ik onderzocht was het gebruikte zorgconcept. Het was de tijd dat Hattinga Verschure opnieuw publiceerde over zorg dichtbij de mens. En ik had een gewoonte gemaakt van onderzoeken hoe individuen overeind blijven binnen concepten en systemen (weer heel actueel overigens). Ik had al onderzoek gedaan naar en op een Montessorischool, en nu dus hier. Ik zal niet uitgebreid op dat onderzoek ingaan. De belangrijkste conclusie was wel dat individuen altijd verdwijnen als een systeem groeit en krachtiger wordt.

Na drie maanden was ik klaar en schreef ik een scriptie. Ik was alleen niet klaar met het verpleeghuis, ik wilde blijven. Waar ik van was gaan houden was het zorgen voor mensen die zorg nodig hebben en volkomen afhankelijk zijn van anderen. Als je afhankelijk bent van een mens het je een menselijke relatie. Als je afhankelijk bent van een systeem dan ben je een functie in dat systeem. Een potentiële error-term.

Ik vroeg of ik kon helpen op de afdeling PG, psycho-geriatrie. En dat kon, ik was geen vreemde. Ik begon ergens in november, december 1984. De bewoners varieerden van in leeftijd van stokoud tot rond de 40. Meest vrouwen.

En toen kwam er dus op 21 februari 1985 een Elfstedentocht. We hebben de grote zaal ingericht, zo nostalgisch als mogelijk. Foto’s, snert, oude muziek en een heel grote tv. Het werd een dag om nooit te vergeten. Van de vroege ochtend tot de late middag (en daarna trok men het gewoonweg niet meer) keken de bewoners naar de tocht. Er waren er die ook hadden gereden, ooit. Er kwamen verhalen over vroeger, over familie, over de oorlog. Wat gebeurde was het opentrekken van een grote kast vol aan herinneringen. Ik vond het fantastisch. Zelf de zwaar dementen kwamen tot leven door deze dag. Er waren weer glimpen van wie zij ooit geweest waren. Jonge vrouwen en mannen die de schaatsen onderbonden en het ijs opgingen. Iedere winter weer.

De snert ging op, de mensen gingen in een heel goede stemming slapen en we hadden een topdag achter de rug.

Door die dag kon ieder van hen weer even stralen als een los individu met een heel eigen historie en achtergrond. Hier zaten krachtige mensen die een leven achter zich hadden. Hier zaten geen bewoners van een instelling met regels en protocollen waarin men zich moest schikken. Hier waren even geen gesloten deuren en in stilte zitten aan een tafel. Dit was gewoon het leven.

Ikzelf schaats niet. Ik heb geen ander belang bij de Elfstedentocht dan dat die door moet gaan. Hoe dan ook. Hoe dan ook. Ook nu. Men verzint maar iets voor de veiligheid. Maakt mij niet uit. Als het kan moet het gewoon doorgaan en moeten we weer met zijn allen thuis kijken hoe het gaat. Ook als je er niet van houdt doe je je best maar.

Als er al iets is dat ik Nederland vind dan is het dit. De kans dat het door kan gaan is al klein en als die kans zich voordoet ga je ermee door. Ieder rayonhoofd moet ijzerenheinig Frysk zijn. Balsturig en hardnekkig. Denk maar met mij aan een zaal in een verpleeghuishuis, waar demente familieleden de dag van hun leven kunnen hebben.

Met mededogen wordt alles zacht. En mogelijk.

Een land zonder burgers

Dit weekeinde heb ik dan eindelijk het rapport “Ongekend Onrecht” gelezen. Een aanrader voor iedereen. Als je wilt weten hoe een overheid in zichzelf gekeerd raakt met een eigen werkelijkheid dan moet je hier gewoon even voor gaan zitten. Het is niet zo dik en het leest als een trein.

Ik ga niet herhalen wat dezer weken al volop in het nieuws is gekomen: de minachting voor de burger, het en masse criminaliseren van mensen, het niet reageren op tegengeluiden. Het is allemaal bekend.

Waar ik het wel over wil hebben is een overheid die niet van individuen houdt, omdat ieder individu ergens een onverwachte eigenschap heeft die niet past in het systeem van de overheid. Wij stervelingen vormen altijd op enig moment een afwijking van het gemiddelde, en die afwijking moet worden uitgeveegd, weggedaan, ontkend.

De verhouding tussen overheid en burger is complex maar ook heel simpel. Complex omdat die verhouding niet eenduidig is. Soms is de burger inspreker (bijvoorbeeld bij bestemmingsplannen), soms directe beïnvloeder (bij verkiezingen), soms onderdaan (de Staat als wetgevende macht), soms klant (aankoop van een paspoort), soms tegenstander (politieke partijen, demonstraties), soms rechthebbende (bijvoorbeeld bij uitkeringen en toeslagen) enzovoort. Er zijn veel rollen die je als burger kunt innemen en het uitgangspunt is dat de overheid dienend is en zich goed instelt op al die rollen. Dat maakt het leven dus weer simpel, zou je denken. Bij bijvoorbeeld inspraak zorg je ervoor dat alle info op tijd voorhanden is, dat het proces heel duidelijk is en nauwgezet wordt gevolgd, dat iedere belanghebbende haar zegje kan doen en dat het besluit heel transparant wordt genomen en onderbouwd. Zo kun je dat per rol benoemen en afpellen. Je kunt het ook zo inrichten.

Je zou dus kunnen vooronderstellen dat de overheid in het geval van toeslagen alles zo inricht dat iedereen snapt wanneer en hoe hij recht heeft op een toeslag en dat het proces om te komen tot een toeslag heel helder en begrijpelijk is. Immers: iedere ingezetene heeft recht op een heel helder opererende overheid. Dan weet je of je recht hebt, je kunt een toeslag aanvragen en als alles klopt, dan krijg je die toeslag. En omdat iedere burger er één is kunnen dingen alleen anders worden als dat een gevolg is van jouw handelen of jouw veranderde toestand. Soevereine burgers verdienen een soevereine en persoonlijke aanpak.

Dit is niet vanzelfsprekend zo. Dit is mijn visie. Mijn visie is gebaseerd op een ethiek waarin de zwakkere altijd wordt beschermd door een overheid die altijd de sterkere partij is. Ouderwets gesproken heeft de overheid zwaardmacht: uiteindelijk ligt het geweldsmonopolie bij de Staat. Dat betekent dat de staat de enige partij in het land is die werkelijk zaken kan afdwingen. Hoe sterk je je ook acht als inwoner van Nederland, de Nederlandse staat is uiteindelijk sterker.

En precies dat inzicht moet leiden tot deemoed en voorzichtigheid. De staat moet zich te allen tijde opstellen als een strenge maar vooral rechtvaardige en duidelijke ouder. En daarin moet diezelfde staat weten en voelen dat je als inwoner afhankelijk bent van die staat.

In de afgelopen decennia is er het een en ander veranderd in de wijze waarop de overheid naar de burger kijkt. Ik bespreek twee zaken: het verdwijnen van onderscheidende wereld- en mensbeelden (het einde der ideologie, al in 1960 (!) beschreven door Daniel Bell) en consumentisme.

Einde van ideologieën

Het riedeltje in iedere sociologie van Nederland gaat over de verzuilde samenleving tot aan de jaren 60 van de vorige eeuw. Netjes geordende zuilen waarin sociaal-democraten, confessionelen en liberalen in hun eigen bubble konden leven. Nederland lag onder een natte brave deken maar was wel heel overzichtelijk. In de jaren na de jaren 60 werd steeds meer gevoeld dat al die grote verhalen toch verhalen uit het verleden waren en dat men toe was aan een nieuw elan. Tijd om afscheid te nemen van die grote verhalen dus. Daarom schreef Bell zijn boek. In 1992 schreef Fukuyama over ‘het einde van de geschiedenis‘. Geheel passend in de tijdgeest dat alles was uitgekristalliseerd. Landen waren of liberaal of sociaal-democratisch en die twee waren ook nog eens heel erg op elkaar gaan lijken.

De afgelopen decennia is er ook in Nederland een verandering geweest. Zelfs expliciet. Zo deed Wim Kok ooit de uitspraak dat voor de PvdA het afschudden van zijn ideologische veren én problematisch én bevrijdend zou zijn. Die uitspraak is nooit helemaal goed begrepen want Kok wilde niet af van de sociaal-democratie. Maar goed, woorden zijn daden en in de jaren die daarop volgden heeft de PvdA er alles aan gedaan om de veren geheel kwijt te raken. In het kader van macht verzamelen, hét doel van iedere politicus, zijn er veel veren verdwenen. Er werd volop bezuinigd op de verzorgingsstaat en er kwam een nieuw elan: de mondige burger in een participatiemaatschappij. Het liberale beeld van de vrije mens die zich vrij door de maatschappij beweegt, waarbij de overheid slechts marginaal aanwezig is werd de nieuwe ideologie. En hoewel Rutte altijd heeft beweerd dat visie een olifant in de kamer is, is er wel degelijk sprake van een visie. Je kunt niet beweren dat politiek “goed kiezen met schaarse middelen” is, zonder te reflecteren op dat woordje “goed”. Goed kiezen voor een liberaal is echt iets anders dan voor een christen of voor het enige lid van de PVV. Rutte doet er luchtig over maar hij heeft een visie: een vrije mondige burger en een teruggetreden overheid.

Deze nieuwe ideologie, die vooral nooit zo genoemd is zodat het lijkt alsof het doodnormaal is dat de overheid naar achter treedt en jij je eigen broek moet ophouden, is de dominante geworden. Tot op de dag van vandaag. Dat klinkt mooi, vooral als je een mondige burger met voldoende middelen bent. Want heel eerlijk: als het onderwijs steeds beroerder wordt zal zo’n bemiddelde mondige burger gewoon extra onderwijs regelen en inhuren. Je koopt de participatie.

Maar al die anderen dan? Al die mensen die gewoon modaal of minder verdienen en dat niet kunnen? Die overigens al lang participeerden door bijvoorbeeld vrijwilliger te zijn op de sportclub of in de speeltuin? Al die mensen hadden en hebben pech: die passen niet in het romantische plaatje van het liberalisme.

Dat ging lang best ok. Die gemiddelden kwamen niet in beeld en dan is er politiek gezien ook geen issue. Iedereen onder dat gemiddelde kwam ook niet in beeld bij de politiek want daar heb je niet zoveel aan. Intussen kwamen er voedselbanken in Nederland, nam discriminatie op de arbeidsmarkt niet af en gebeurden er onvoorziene dingen.

Het einde van alle ideologieën betekent in de praktijk vooral dat mensen niet moeten verwachten dat de overheid actief hun lot zal proberen te verbeteren.

Een van die dingen was waar dit rapport over gaat. Bulgaren bleken massaal de boel te flessen en onterecht allerlei toeslagen te ontvangen. Geheel in de geest van de tijd – burgers zijn pricipieel onbetrouwbaar – werd ook door de Tweede Kamer geroepen om de strengste handhaving en opsporing van fraude. De rest is geschiedenis. Vanwege een aantal Bulgaren zijn tussen de 25.000 en 35.000 mensen zwaar beschadigd. Lees het rapport en je begrijpt wat Rutte bedoelde met de steen die richting afgrond rolde.

De overheid kijkt toe bij de gevolgen van eigen keuzes.

Maar hoe zit het nu met de burger?

Consumentisme

Ook hier wordt al decennia over geschreven: de mens wordt steeds meer gekenmerkt door het consumeren van diensten en goederen. Het bewijs daarvoor hebben we de afgelopen maanden kunnen zien. De afvalstortplaatsen hebben niet eerder zo druk gehad. En nog steeds staan er rijen dik te wachten tot de karren kunnen worden geledigd. Dus die kant is redelijk duidelijk.

Hoe zit het met de overheid en de consument?

Een van de uitgangspunten van de markteconomie is dat er producten en diensten zijn die op de vrije markt aangeboden en verkocht moeten worden. Dat uitgangspunt is ook de overheid binnengeslopen. Na het privatiseren van een groot aantal (semi)overheidsinstellingen, is de overheid de burger ook als klant gaan zien. En daar zit een enorme denkfout. Als ik een nieuw paspoort nodig heb kan ik niet shoppen bij allerlei gemeenten en instellingen. Ik moet naar mijn eigen gemeente. Als ik zorg nodig heb in het kader van de WMO, idem. Als ik een toeslag krijg, idem. Door te pretenderen dat we met zijn allen klanten zijn suggereer je ook dat ik als klant iets anders, iets beters kan kiezen. En dat kan niet. De overheid is een absolute monopolist en ik moet me plooien naar de eisen en wensen van die overheid.

De overheid moet weet terug naar het besef dat je als burger ten diepste afhankelijk bent. Dat betekent dat juist de overheid bovenmatig goed moet zijn, uitblinken in alles. Betrouwbaar en heel transparant. Ik kan als burger echt nergens anders naar toe en dus moet de overheid op ieder moment dienstbaar zijn aan de burger.

Een land zonder burgers

Mijn conclusie uit dit alles is dat de overheid inmiddels een teruggetreden, niet verantwoordelijke overheid is geworden. Zij kijkt toe. De Tweede Kamer kijkt mee en reageert op incidenten en verzaakt daarmee de controlerende taak. Als de overheid inwoners niet meer ziet als burgers dan ontstaan er problemen. De stap die in het denken moet worden gezet is simpel: en zijn niet 35.000 mensen gedupeerd, er is 35.000 keer een mens (en waarschijnlijk veel meer als je naar gezinnen kijkt) gedupeerd. Steeds opnieuw. 35.000 keer.

En overheid die zo opereert zou collectief moeten worden weggestemd. Nederland verdient veel beter.