In ‘Uitgenodigd’ van Simone de Beauvoir zegt Gerbert: ‘Wanneer ik later rijk ben en op mezelf woon wil ik altijd een fles Vat 69 in mijn kast hebben staan’. (Uitgenodigd, p.11) Nu is dat niet echt de beste whisky, maar toen ik het las snapte ik het direct. Er zijn in het leven dingen waarop je moet wachten. Gewoon vanwege geldgebrek of de mogelijkheid die zich nog niet voordoet. Ik heb ooit besloten alles waarover ik als jongen droomde later in mijn leven zou realiseren. Niet alles is gelukt, zal ik maar zeggen.
Maar een paar wel.
Het zal geweest zijn toen ik een jaar of 13 was. Mijn ouders hadden een caravan in Duitsland, net over de grens bij Elten. De camping lag naast een klein riviertje waar we in de zomer in zwommen. Die Tiefe Wild heet dat riviertje. Er stonden vooral Duitsers en een ervan kwam op een dag langs met goed nieuws: hij had voor mij een helm!
Toen ik jong was had ik altijd iets op mijn hoofd. Een cowboyhoed, een oorlogspetje en soms een Engelse helm. Dat had hij gezien en nu kwam hij me vertellen dat hij iets had dat ik enorm graag wilde hebben: een Duitse Stahlhelm.
Dat zit zo. Mijn vader had in de oorlog in een kamp gezeten en de oorlog en Duitsland waren bij ons thuis moeilijke onderwerpen. En als je vader iets zo moeilijk vindt moet het wel heel belangrijk zijn. De oorlog was voor mij dus heel intrigerend. Vandaar de Engelse helm. Thuis had ik nog een Nederlandse helm waar mijn vader ooit mee thuiskwam. Een Duitse helm, de helm van de vijand, was een van mijn grote wensen.
De man op de camping had hem niet bij zich dus moest ik een week wachten. Dat wilde ik wel.
Een week later vertelde hij me dat hij de helm aan een ander had gegeven. Ik verbeet mijn teleurstelling maar allemachtig wat was ik verdrietig.
Die jongensdroom heb ik later gewoon waargemaakt. Ik heb veel later in Krefeld een M42 Stahlhelm gekocht bij een legerdump. Speciaal ervoor naar Krefeld gereden.
Het was ook de leeftijd dat ik Mulisch ontdekte. Niet zo gek. Als je gegrepen bent door WW2 dan lees je Het Stenen Bruidsbed en De Zaak 40/61. Dat deed ik dan ook en al snel las ik alles van Mulisch. Nu nog steeds kijk ik op internet of ik ergens iets van hem vind wat ik nog niet heb. Kleine uitgaven, eerste drukken et cetera. Wat ik op enig moment ook wilde is een handtekening van Mulisch, een gesigneerde uitgave. Ik heb daar best lang over gedaan om die te vinden. Het was natuurlijk allemaal in het pre-internet tijdperk dus liep ik allerlei antiquariaten af. En uiteindelijk vond ik een gesigneerd exemplaar. Het mooie is dat ik er toen ook geld voor had. Ik begon op mijn negentiende te werken en dus kon ik me een en ander veroorloven.
In diezelfde tijd leerde ik Gerrit Achterberg kennen. Achterberg, de grootste dichter ooit. Ik las wat van hem en sprak er thuis over. Wat bleek, mijn moeder kende hem. Zij werkte in Utrecht in de Choorstraat bij Stad Solingen, een winkel voor messen, bestek enzovoort. Mijn moeder vond het een vreemde man die ook vreemd gedrag vertoonde. Ik ging steeds meer van hem lezen en kocht het verzameld werk. In een soort koortsaanval las ik door en door. Achterberg schrijft zo dat je niet leest over een verloren liefde maar een verloren liefde voelt. Dit was echt prachtig. En hoe dichtbij kun je komen dan? Ik ging naar de Boomstraat waar hij zin hospita had vermoord op 15 december 1937. Ik fietste naar Langbroek. En ik wilde zijn handtekening. Die hijzelf had neergeschreven. Dichterbij kon niet. Hetzelfde verhaal: geen geld en ik kwam ook niets tegen op de markt. Jaren later heeft mijn vrouw een gesigneerd exemplaar voor mij op de kop getikt en gegeven voor mijn verjaardag. Blij als een baby was en ben ik ermee.
Ik kan hier nog veel aan toevoegen. Plekken die ik heb bezocht, een route door de Elzas om Sartre in 1939 te volgen. Allemaal dingen die ik deed en doe om dromen uit mijn jeugd om te zetten in tastbare voorwerpen of echte ervaringen. Ik zal daar nooit mee stoppen. Ik zal altijd, iedere dag in de spiegel kijken en die jongen zien in mijn ogen. Onhaalbare dingen haalbaar maken. Mijn lijst is er nog en ik moet nog het een en ander doen en regelen.
Het gekke is dat er in de loop der jaren dingen bij zijn gekomen die ik wens. Zoals een Mustang GT500 Shelby. Al die dingen laat ik een wens zijn. Ik vind dat prima om het allemaal niet te hebben en over te kunnen dromen. De gaten uit mijn jeugd daarentegen zal ik blijven opvullen. Die gaan dieper. Daar zit niet gewoon hebzucht, consumentisme of status achter, daar zit iedere keer een relevant betekenisvol verhaal achter. Het zijn dingen die mijn eigen verhaal rond maken.
Daar streef ik naar: een rond leven dat nooit perfect rond zal blijken te zijn.
Als je zegt dat de hele Provence een juweel op zich is, dan zal ik dat volmondig beamen. Vanuit Nederland naar het zuiden de A7 over door Frankrijk en dan op een zeker moment naar links de A8 op richting Nice en niet naar Marseille! Dan weet je, dan voel je aan alles dat je de goede kant opgaat. Alles klopt.
Een flauwe bocht naar rechts en daar doemt Saint-Maximin-la-Sainte-Beaume op met die prachtige kerk in de verte. Afslag 35 Le Val/Brignoles nemen en dan is het nog maar een kilometer of 18 naar huis. Want zo voelt het altijd, thuis. Slingerend door het prachtlandschap, Carcès in, langs de Ecomarché, rechtsaf en dan omhoog de berg op. En dan zijn we er. Onze eigen plek waar ik uitzicht heb over de Gros Bésillon en heel in de verte ’s avonds de lichtjes kan zien in Salernes en Entrecasteaux. Dobberend in het zwembad onder de melkweg.
Maar ja, weken dobberen doet een mens ook niet. Dus trekken we eropuit. Naar andere juweeltjes. Ik zal er hier drie noemen. Echte juweeltjes. Ze gaan over oorlogen, eco-toerisme en een klein stukje van een grote stad.
De oorlog is altijd dichtbij
Als kind zag ik een film met Laurel and Hardy die in het Vreemdelingenlegioen gingen (The Flying Deuces). Veel kan ik me er niet meer van herinneren, behalve dat ik dat Legioen wel top vond. Later in mijn leven leerde ik er meer over en ik had het plan om naar Aubagne te gaan, het museum bezoeken. Toen we daar aankwamen bleek het nog niet af te zijn. Jaren later sprak ik in ons dorp een man die me vertelde dat er iets veel mooiers was én dichterbij dan Aubagne. De man had zelf ook in het légion gediend.
Dat legion, het Légion Étrangère, is altijd met een mengeling van mysterie en heroïek omgeven. Het bestaat al lang, sinds 1831. Ooit was het een toevluchtsoord voor allerlei scharrige types uit allerlei landen die een onderdak zochten. Je kreeg een andere naam en je kon daarmee zomaar van de aardbodem verdwijnen. Vechten deed je waar en wanneer dat moest. Zonder scrupules en over de hele wereld. Op enig moment besloot de leiding dat de voertaal Frans moest zijn, altijd handig in een bevelstructuur, en er kwam een ijzeren discipline. Op haar hoogtepunt had het Légion rond de 45.000 leden (nu rond de 8.000).
De erecode is heilig. Een klein aantal uitgangspunten dat ervoor zorgt dat het Légion een hechte club is. Je laat je kameraad nooit in de steek en als je vecht, vecht je als het moet tot aan de dood. Dat hebben velen dan ook gedaan.
Het mysterie is dat redelijk veel bekend is, zoals bijvoorbeeld waar het Légion allemaal is geweest, maar ook veel is niet bekend. Zo gaat het gerucht dat zij zich in IS-gebied hebben opgehouden, en wellicht nog.
Een legioen dus om rekening mee te houden en volop passend in de militaire traditie van Frankrijk.
Wat ook past in die traditie is de goede zorg voor oud Légionnairs. En die zorg kun je van dichtbij ervaren in de Provence, in Puyloubier. Daar is het Institution des Invalides Étrangère gevestigd.
Onder de verzengende zomerzon kun je vrij naar binnen wandelen en kennismaken met oud-légionnairs.
Wij waren er op zo’n hete dag en liepen over het terrein. Allerlei oude mannen in uniform. Toen we het museum binnengingen werden we in het Vlaams aangesproken door een oude grote man in uniform. Een imponerende man met zachte ogen en één tand nog. Hij vertelde ons over zijn verleden, als jonge jongen bij het Légion gegaan en nooit meer weggegaan. Het was zijn familie. Hij mocht nu waken over het museum. Een prachtmuseum. Veel vitrines met memorabilia: heel veel uniformen en allerlei spullen. Je krijgt in korte tijd een goed gevoel voor de geschiedenis én zicht op alle landen waar men geweest is. Het is heel indrukwekkend.
Ik was vooral onder de indruk van twee dingen. Allereerst de Sappeurs. Dat zijn de bebaarde légionnairs die met bijl en lederen voorschoot voor de troepen uitgaan. Een indrukwekkend stel en ik kan me voorstellen dat je direct op de vlucht slaat als je de sappeurs tegenkomt. Ze lopen nog steeds voorop. Daarnaast was ik onder de indruk van het marstempo van de légionnairs: heel langzaam. Waar het Franse leger met 110 passen per minuut loopt, loopt het Légion met slechts 88 passen per minuut. Ik heb het gezien hoe dat eruitziet en dat is indrukwekkend. Het oogt onoverwinnelijk, zonder haast op het slagveld.
Verder is er iets van een café, maar daar moet je je niet heel veel van voorstellen. Je moet gewoon wat rondwandelen en praten met de mannen. Die praten volop. Zoals légionnair Kowalski die in de wijngaard werkte en onze jongens voorzag van grote trossen witte druiven en vertelde over zijn tijd in het Légion. Ga vooral ook de winkel in. Ook daar weer oude mannen met grote verhalen en een vriendelijk gezicht. Je kunt er wijn kopen uit eigen wijngaard, maar ook een képi blanc, hét hoofddeksel van de légionnair.
Ik was onder de indruk. De zorg voor de mannen die voor Frankrijk hebben gevochten die hier te voelen is, is mooi en ontroerend. Een prachtplek om oud te mogen worden: onder de Provençaalse zon met uitzicht op de Mont Sainte-Victoire.
Een juweeltje in de grote stad.
Wie heeft er nou nooit van Marseille gehoord? Precies, niemand. Nog maar een paar jaar geleden kwam op Netflix de serie Marseille uit met Gérard Depardieu in de hoofdrol. Politiek gekonkel, machtsstrijd en veel beelden van de ongure buitenwijken van de stad.
En het is zo: je houdt van Marseille of je wilt er nooit meer komen.
Ik hou van Marseille. Het ís een ruige stad. We zijn ooit verdwaald geraakt en kwamen in een buurt waar de goede geest niet heerste. Dat voelden we. Maar er is zoveel moois om van te genieten. En een van die kleine plekjes wil ik hier graag delen.
Als we naar Marseille gaan parkeer ik de auto altijd achter de haven, in parking Vieux Port/Hotel de Ville. De meeste mensen lopen vandaar naar de haven en vanuit daar weer naar de binnenstad of naar Mucem, dat prachtige museum. Dat deden wij een keer niet maar we liepen terug, naar het noorden. En ik kwam in een deel van Marseille dat ik niet kende en dat prachtig was. Niet zozeer historisch prachtig maar zeker qua sfeer: Le Panier.
In dit oude deel van Marseille hebben zich kunstenaars en galeries gevestigd. De sfeer is heel erg relaxed en je hebt het gevoel in een kunstzinnig dorp te lopen en niet in een grote drukke stad. Kleine smalle straatjes, veel street art en graffiti, afgewisseld met pleintjes. Op een van die pleintjes kun je heerlijk lunchen. Wij zaten bij La Terrasse du Panier, maar op dit plein bij de Rue des Pistoles kun je kiezen. Daarna zijn we naar het Centre de la Vieille Charité gewandeld. Echt een prachtig instituut met mooie moderne kunst. Maar het gebouw op zich is al de moeite waard. Prachtige architectuur en ook hier weer kunst, kunst, kunst.
Dit deel van Marseille is bekend maar toch niet al te veel bezocht. Volgende keer gewoon doen. De rust, de kunst en de mensen maken dat je je heel erg thuis voelt.
Van cultuur naar natuur.
We rijden ook graag naar het noorden, richting de Gorges du Verdon. Aan het meer is het heerlijk. Niet al te veel toeristen en de sfeer is top. Aan de rivier de Verdon ligt een klein dorpje, Quinson. Omdat men hier heel erg zuinig is op de natuur kun je met een electrisch bootje een dag op pad zijn. Rustig de Verdon op en volop genieten van de prachtige natuur. Je start op het kleine Lac de Quinson en je kunt kiezen waar je heen wilt. Het is een andere sfeer dan op het grote meer: kleiner, knusser, minder groots maar daardoor ook indrukwekkender. Je vaart tussen de hoge rotswanden door, je ruikt het water, voelt de koelte van de begroeiing. En doe wat wij ook deden: neem een Tarte Tropézienne en een fles champagne mee, doe het motortje uit en dobber over het water met die twee lekkere dingen. Je kunt uren onderweg zijn. Heerlijk voor een dag.
Je kunt het ook iets korter maken en naar het lokale museum gaan, Musée de Préhistoire des Gorges du Verdon. Prachtig is dat. De entree is al mooi maar wat je gaat zien is nog mooier. Hier, in dit museum zie je vanuit de prehistorie alles verteld worden over de Gorges du Verdon en het gehele Provence. De allereerste stenen bijlen liggen er tot aan materiaal uit de ijzertijd. Wat je te zien krijgt is de geschiedenis van de plek waar je zojuist nog rondvoer op een ecologisch verantwoord elektrisch bootje. Je kunt je gewoonweg voorstellen hoe het hier ooit is geweest en waar we met elkaar vandaan komen. In dit prachtige museum loop je door de tijd en met heeft er echt iets moois van gemaakt. Een grote collectie, overzichten, toelichting en je krijgt een echt beeld hoe onze voorouders daar ooit hebben geleefd. En zie ons als nazaten nu eens op de rivier in een elektrisch bootje. Voel hoe klein je bent naar die enorme mammoet. Voel waar wij ooit begonnen zijn bij de vitrine met de schedels van onze voorouders.
Dit mooie museum zet het eigen bestaan in een ander perspectief. Niet altijd haastig, niet altijd massatoerisme en vertier maar verdieping.
Dus ga niet altijd rechtsaf naar het grote meer, maar buig eens af naar Quinson.
Weer naar huis.
Of je nou het legioen hebt bezocht waar je onder de indruk bent van die grote historie met al die mannen over de hele wereld, in Marseille een visje hebt gegeten of -zoals ik- met zo’n bootje de bosjes in bent gevaren (ik ben daar niet echt heel goed in), ja gaat altijd weer naar huis. Heerlijk vermoeid, vol indrukken over de weg zoeven op weg naar een mooie lokale wijn.
En mocht je op de terugweg langs Saint-Maximin-La-Sainte-Baume komen: ga even van de snelweg af, parkeer je auto ergens, geniet van de Basilique en eet een hapje bij Le Nemrod. Echte Franse eettent.
Wat ik hier beschreven heb zijn slecht drie kleine onverwachte juweeltjes. Er zijn er veel meer. Gewoon rondtoeren en je laten verrassen en dan vind je er zelf nog veel meer.
Adressen:
Institution des Invalides de la Légion Étrangère, Chemin de la Pallière, Puyloubier
La Terrasse du Panier, 17 Rue des Pistoles, Marseille
Centre de la Vieille Charité, 2 Rue de la Charité, Marseille
Nouvelle Cathédrale De La Major, 1 Place de la Major, Marseille
Verdon Électronautique, Allée des Prés du Verdon, Quinson
Musée De Préhistoire Des Gorges Du Verdon, Route de Montmeyan, Quinson
Le Nemrod, 14 Place Malherbe, Saint-Maximin-la-Sainte-Baume
(*) Ook gepubliceerd in En Route, Nummer 173, Nazomer 2021
Het is alweer jaren geleden dat er dicht bij ons huis brand was. De hemel kleurde bruin, de geur was enorm. De kinderen waren nog klein en we besloten het huis te verlaten. Le Sommet ligt bijna aan het einde van een doodlopende weg. Je kunt over een muurtje de wijnvelden van Saint-Louis betreden, maar dat is het dan ook.
In de auto met kids en paspoorten en we gingen eten in Cotignac. Ergens in de avond reden we terug. De brand was gedoofd en het huis intact. De volgende dag zagen we de hoeveelheid as die was neergekomen. Een zwembad vol en rondom het huis lag het overal. Maar wij hadden geen directe last.
Hoe anders was dat voor anderen. Hoewel het een kleine brand was was er schade. En het was gewoon beangstigend hoe snel alles ging.
De Var staat in brand. Zuid-Europa staat in brand. Op heel veel plekken zijn branden ontstaan. Soms door onweer maar meest door de mens. Een weggegooide peuk of opzettelijk brand gesticht (zoals op Sicilië). Over een lengte van 22 kilometer brandt het. Van de kust bij Saint-Tropez door het Massif des Maures omhoog. Arm land en arme mensen.
Marseille is een geweldige stad. Rommelig, mooi, rauw, open naar de zee en de wereld. Ik kan er steeds weer komen. Ik verheug me op de zee, de haven, lekker eten, MuCem, Le Panier en ga zo maar door. Ik ben er graag. Onlangs dus ook. Een hotel aan de haven. Rechtsaf de deur uit en wandelen maar.
Dat heb ik volop gedaan met mijn zoon. Samen kunnen we enorm goed wandelen. Zonder doel, zonder richting, gewoon wandelen en dan zien waar je terechtkomt. We liepen de Canebière af tot de gewone winkels overgingen in winkels met telefoonhoesjes. Een beetje scharrig en daarmee ook interessant. Buurten waarin wordt geleefd door mensen van over de hele wereld. Wat drinken op een terras bij een uitgelaten Algerijn die liedjes zong en weer door.
We liepen richting haven en bogen iets af naar links toen ik deze winkel zag:
4 Rue de Récollettes
Ogenschijnlijk gewoon een Franse winkel zoals je er zoveel tegenkomt. In Aix bijvoorbeeld. Een etalage met wat messen, Laguiole, Opinel et cetera. We besloten toch maar even naar binnen te gaan. Dat wil zeggen, ik besloot dat en de zoon ging gedwee mee. Hij weet hoe ik van kookgerei hou.
De deur ging open en we stapten in een kleine winkel met louter messen. Van heel goedkoop tot heel duur, van heel groot tot heel klein. Keukenmessen, jachtmessen, paddestoelmessen met een borsteltje en siermessen met parelmoer. Werkelijk alle soorten en maten lagen er in vitrines uitgestald. Rechts was een kleine doorgang en we gingen verder. Daar kwam ik in het kookwalhalla.
En winkel op zich gevuld met allerlei potten en pannen. Van Creuset tot aan LeBuyer, van plaatstaal tot gietijzer. In alle soorten en maten.
Een overvloed aan pannen op zo’n klein oppervlak. Ik zag daar een van de mooiste pannetjes ooit staan overigens. Italiaans van geborsteld RVS. En ook deze winkelruimte had een kleine doorgang: naar de afdeling met bakgerei.
Daar stond een norsige man met een enorm embonpoint achter de kassa. Ik zei tegen hem dat deze winkel ‘très formí was. Daarop zei hij ‘formi, formi, formi….’ en toen ik hem aanvulde met de rest van de Aznavourtekst stonden we samen te zingen. Hij breed lachend. Totaal geen norse Fransman, meer een behoedzame.
Na deze ruimte was er weer éen: met zeefjes, 1 kookboek (La Cuisinière Provençale, maar daar wel honderden stuks van), eierdopjes etc etc.
Vanuit deze ruimte kwamen we in de ruimte waar een doe-het-zelfafdeling was. Van lijnzaad en -olie tot en met staalwol en fittingen. Alles. Alles. Naast de kookwaren vond ik zelf de speelgoedsectie het leukst. Heel oud speelgoed, veel hout en blik. Prachtige spullen allemaal. Geen troep te vinden.
In totaal zijn het elf winkels in een winkel met drie ingangen en drie etages. De kleinste etage heeft alleen kleding. In totaal 1300m2 met meer dan 50.000 artikelen in wat zij zelf “de grot van Ali Baba’ noemen. Iedere winkel heeft een eigen kassa. Mijn zoon zei dat het wel allemaal straatjes leken uit een film van Harry Potter. Die sfeer. Ongelijke vloeren, oud hout, scheve kasten, smalle lage doorgangetjes.
Wat opvalt is het gevoel voor kwaliteit dat in deze winkel heerst. Alles is goed gemaakt en van goed materiaal. Gemaakt om lang mee te gaan en iedere keer dat je iets beetpakt dat je voelt dat het goed is. Zoals dat heel mooie pannetje.
Maison Empereur bestaat als sinds 1827 en het is nog steeds in handen van de familie Empereur.
Ik was al onder de indruk van Dehillerin in Parijs maar ik moet eerlijk bekennen dat dit toch een hors catégorie ervaring is. Twee zaken dus om steeds weer terug te keren naar Frankrijk.
En heel eerlijk: waar in Parijs Le Roi te vinden is, is er maar éen Keizer van Frankrijk en die huist in Marseille.
Adressen:
Maison Empereur 4 Rue des Récolettes, 13001 Marseille
Terug van drie weken Frankrijk, mijmer ik nog na over weer een heerlijke tijd. Een paar dagen Marseille (waarover later meer in een volgende blog) en daarna lang op Le Sommet in de Var. Vooraf netjes alles geregeld: de eigen verklaring dat we geen Covidgerelateerde klachten hadden, de appli gedownload en er onze QR-codes ingezet zodat we overal onze pass sanitaire konden laten zien. De jongste zoon die nog niet volledig was gevaccineerd netjes een test laten doen en de oudste eveneens voor die later invloog.
We waren er klaar voor.
In de auto en op weg. Twaalf uur later parkeerde ik de auto in Marseille en stapten we uit. Onderweg hadden we gezien dat iedereen zo snel men inpandig was een masker droeg. Ook hier in de parking. Eenmaal op straat op weg naar het hotel was de sfeer uitgelaten zomers en relaxed. In het hotel masker op, bij de ontvangst, in de lift (niet meer dan twee personen) en op de gangen. Geen uitzonderingen gezien.
Ik ben veel met mijn jongste zoon de stad in geweest. Wandelen en hier en daar wat drinken. Wat een prachtige stad. En wat ons opviel: op het moment dat het echt druk was (rond de haven) droeg men een masker maar verderop op de Canebière, waar de winkels overgaan in winkeltjes met smartphonehoesjes, droeg nog een procent of twintig een masker. Verder niet.
Nog niet één keer was gevraagd naar mijn pass sanitaire. Tot we een tocht boekten naar het Île d’If. Toen moesten we hem wel tonen. Later op het eilandje moesten we hem nogmaals tonen om toegelaten te worden tot het museum. En ook nu: op de boot binnen iedereen met een masker, buiten niet. In het kasteel op en erbuiten af.
Zo is het drie weken lang gegaan. Alles en iedereen heel relaxed omdat de regels heel duidelijk zijn en door iedereen worden nageleefd. De Intermarché in het dorp, in de kerk, lopend naar het terras op en eenmaal zittend af.
Pas toen we de ‘grens’ met Monaco passeerden werden we aangehouden en moesten we alles laten zien. En ook daar hetzelfde beeld: binnen en op drukke plekken buiten een masker op.
Gedrag valt te sturen
De regels in Frankrijk zijn heel duidelijk, dat bleek. Bij iedere winkel stond een bordje met ‘masque obligatoire’ en omdat iedereen er zich aan hield werd het normaal. Duidelijke regels dus. Daarnaast hadden winkels eigen aanvullingen. Bij de bakker in het dorp mochten niet meer dan twee mensen tegelijkertijd binnen zijn. En iedereen die zich daaraan hield. Geen uitzonderingen. Supermarkt: idem.
Bij de Abbaye de Thoronet moest iedereen zijn pass sanitaire laten zien en die werd ook gescand voor je naar binnen mocht. Dat deed dus iedereen en ook daar de maskers.
Er waren twee dingen: de regels waren helder én iedereen deed mee (of was de pineut als je het zo wilt zien). Dat maakt dat het gedoe heel democratisch was, zonder aanzien des persoons, en daarmee heel acceptabel. Ik heb nergens mokkende mensen gezien. Het was prima.
En ook op de overdekte markt in Cannes, zie de foto, droegen mensen een masker. Eenmaal buiten ging het ding weer af. Tot men weer in een van de smalle drukke straten kwam, dan ging ie weer op. Ook hier weer simpel: als je twee meter afstand kunt houden, geen masker verplicht. Kan dat niet: masker verplicht.
En ja, soms is het gedoe, dat vind ik ook. Maar overal zijn maskers te koop voor de luttele prijs van €1,90 per 50. En je moet er gewoon een aantal bij je hebben.
Later werden de regels iets aangescherpt, precies op de aangekondigde datum! Dat betekende dat de niet (volledig) gevaccineerden een bewijs moesten overleggen van een test. In ons dorp kon je die test gewoon doen bij de Pharmacie voor €25,01. Een kwartier later kreeg je netjes je dossier met bewijs van negatieve test. Laagdrempelig en makkelijk. Als je de, altijd drukke, pharmacie binnenliep kreeg je voorrang als het om een test ging. Ook hier: iedereen moest dit doen en dus was het prima. Geen uitzonderingen, geen geklaag, geen gedoe. Heldere regels en een goede infrastructuur.
Wat vond ik ervan?
Ondanks het feit dat in Frankrijk bijna 67% volledig gevaccineerd is is dat in PACA anders. In PACA woont 5,1% van alle Fransen (5,1/67,1 miljoen), het aandeel mensen op de IC is 16% (297/1852), op zondag 15 augustus zijn er in PACA 19 nieuwe opnamen op de IC bijgekomen (26% van het totaal in heel Frankrijk). Het aantal besmettingen (per 100.000 inwoners) ligt in PACA meer dan twee keer zo hoog als in heel Frankrijk (536/246). En ook hier geldt dat de niet- of gedeeltelijk gevaccineerd het ziekenhuis bevolken.
Wij wisten dit vooraf. Wij weten ook dat we zelf goed beschermd zijn en getest. We weten ook dat we op ons bergje geen enkel risico lopen en dat dat risico er alleen maar is als we ons onder de mensen begeven.
En als je je onder de mensen begeeft, zie je dat duidelijke regels en een bevolking die zich daaraan houdt vrijheid geven. Ik heb me nergens kwetsbaar gevoeld. Nee, dat is niet waar. Eén keer wel: we stonden met zijn drieën in de lift in het hotel toen er toch mensen bijkwamen staan. Ik ben uitgestapt. Dat wilde ik echt niet. Maar dat was dan ook de enige keer.
Pas bij terugkomst in Nederland voelde ik de kwetsbaarheid weer. In de supermarkt, waarin geen maskers meer gedragen worden en iedereen weer over elkaar buitelt bij de groenten. In de boekhandel, waar ik voor een kast staande het gehijg van een andere klant in mijn nek voelde. Terug in Nederland dus.
Ik zou graag strengere regels in Nederland willen om erger te voorkomen. Heel eerlijk: overal een masker dragen is echt geen opgave. Het is normaal als iedereen het doet. Erg fijn en ontspannen.
Tsja, dan laat je je toch weer overhalen door de puber om naar Monaco te gaan. En zo togen wij vanuit ons dorpje naar Monaco, wetend wat we tegemoet gingen. Twee uur rijden en de auto was geparkeerd onder de terminalpier. Trappen en liften naar boven en daar stonden we in het Zuid-Franse equivalent van Valkenburg of Monschau of ieder ander toeristenoord.
En zeker, het is prachtig. Het uitzicht over de haven, de bergen achter dit ministaatje. Allemaal mooi. Maar er straalt ook een zekere armoe vanuit. Armoe en Monaco gaan niet samen en precies daar zit het ‘m in. Alles is ingesteld op ofwel massatoerisme (bovenop de rots in de oude stad), of op wat men in de sociologie “conspicuous consumption” noemt (beneden bij het casino).
Eerst maar de oude stad. Op het eerste gezicht oogt het helemaal niet zo toeristisch. Tot je richting paleis loopt. Een eigenlijk wat klein en rommelig gebouw met daaromheen typische toeristenwinkeltjes. Petjes, shirts, sneeuwbollen, kentekenplaten, noem het maar op en je kunt het er kopen. En dat gebeurt volop. Zelfs nu tijdens corona is het er heel druk.
En over corona gesproken: bij binnenkomst in Monaco werden we aangehouden en moesten we onze pass sanitaire tonen. Voor het eerst tot nu.
En dan de benedenstad. Ik vind dat je het een keer moet hebben gezien. De auto’s, het casino, de opgespotenen der aarde. Eén keer is genoeg. De puber wilde twee dingen: auto’s kijken, klokkies kijken en dan toch ook een derde, de kans hebben dat hij Max Verstappen tegenkwam. Nou wilde het toeval dat net toen wij boven waren, Verstappen een post op insta zette van zichzelf hollend langs de kade. We waren wat laat.
Dus wij auto’s kijken, nogmaals het casino en winkels met de duurste horlogemerken. Winkelende mensen met achteloos drie of meer tassen van peperdure merken, behangen met glimmend goud dat meer dan een modaal inkomen kost. De parkeerplaats voor Hotel de Paris waar je als sterveling niet mag komen, auto’s die miljoenen kosten. Niet een paar, maar tientallen.
Conspicuous consumption. Het kopen van spullen die een kernwaarde hebben (een auto) maar die zo luxe en zo over de top zijn dat ze slechts nog één doel hebben: laten zien dat je bulkt van het geld. Meer niet. En de ander laten voelen dat die niet bulkt van het geld. De reden dat men wil wonen in Monaco, los de van de Monegasken, is natuurlijk geld. Het is crowded en lelijk, en als je een uitzichtje denkt te hebben wordt er gewoon voor je neus een nieuwe flat gebouwd. Nee, voor de schoonheid kun je beter richting Èze gaan. Ook peperduur maar een Frans belastingrégime.
Precies dat uitstralen van al die rijkdom maakt me moe en opstandig. Er heerst in Monaco een ethische leegte die zijn weerga niet kent. Het is leeg, oppervlakkig, nietsig.
Ik de haven lag een boot, de KAOS. Nu kun je alles opzoeken en dus ook van wie deze boot is. Let op: de KAOS is van een van de nazaten van de oprichter van WalMart. Gekocht voor 300.000.000 dollar en het kost per jaar 30.000.000 dollar om hem in de vaart te houden. Het is dus een boot. Die per jaar een bedrag kost waarvoor een gemiddelde Nederlander 700 jaar moet werken.
Dit is Monaco. Luxe ledigheid.
Ga naar Nice, of Cannes. Ook daar dure auto’s en boten. Maar vooral een stad eromheen en een achterland van Fransen, gemiddelde Fransen die gewoon lekker willen leven en eten en drinken. Die wat sparen voor later of voor hun kinderen. Ga een keer naar Monaco om te zien welke wereld er ook is.
Volgende keer krijgt de puber weer zijn zin overigens.
Het echte, platte, gewone leven saai vinden. Je zal het maar hebben. Dat je naar buiten kijkt en denkt ‘dit lijkt allemaal wel zo, maar er is natuurlijk meer aan de hand’. En dan ga je zoeken en, verdomd, je vindt aanwijzingen dat er inderdaad meer aan de hand is.
Je kijkt naar het ophalen van het huisvuil en opeens valt je op dat er een nieuw iemand meeloopt. Niet eerder gezien. En hij zet de containers wel weer terug aan de weg maar laat het ophalen aan de ander over. Hij heeft ook een ander soort schoenen aan. Niet van die zware met dikke rubber zolen maar sportievere. Te nieuw ook. Er zijn meer gekke dingen.
Voor hij de container terugzet lijkt het wel of hij er iets ingooit. Met een swingend handgebaar neemt hij de container aan en daarbij wipt het deksel iets op. En dan doet hij iets met zijn rechterhand. Snel, te snel.
En wat nog het meest opvalt: hij zet alle containers perfect recht langs de stoeprand weer terug. Dat gebeurt echt helemaal nooit! Je moet ‘m altijd ergens bij de buren halen waar er gewoon drie of vier bij elkaar staan. Deze nieuwe vent is veel te netjes. Er klopt iets niet.
Je vergeet het weer.
Tot je in het dorp loopt en Handhaving aan het handhaven is. Er worden bonnen uitgeschreven en parkeerders aangesproken. En hoewel je ze inmiddels allemaal wel een keer hebt gezien loopt ook hier er opeens een tussen die te netjes is. Het valt je weer op. Hij blijft beleefd tegen overtreders, rustig. Betere schoenen en zijn uniform is heel nieuw. Hij kijkt veel om zicht heen. Hij ziet jou en hij knikt vriendelijk tegen je. Bijna alsof hij je kent of herkent. Hij kijkt je na en als jij omkijkt draait hij zich snel om.
Je vergeet het weer.
Op Facebook krijg je een post van een vriend die denkt dat de overheid zijn dorp aan het overnemen is. Niet alleen weigert hij een mondkapje te dragen, bewijs van slavernij, maar hij wordt ook boos als hij daarop wordt aangesproken. En dat is laatst gebeurd. Hij werd een winkel uitgewezen en buiten werd hij aangesproken door een BOA. Een keurige vent, daar niet van, maar wel een onderdrukker. En hij werd een paar keer gebeld op zijn mobiel en dan werd er snel opgehangen.
Daar heb je het: een keurige vent! Een ambtenaar. Een BOA.
Je gaat beter opletten in jouw eigen omgeving en op tv. Je ziet zogenaamde Romeo’s optreden op het Malieveld. Agenten in alledaagse kledij die opeens mensen arresteren. Je leest over ambtenaren die vuilniszakken controleren in Amsterdam en dan mensen bekeuren. Opeens moet je denken aan die man van KPN die laatst kwam vragen of je ook op glas over wil gaan. Dat ze dan in je huis moeten zijn. In de kruipruimte. Die vent zag er ook niet uit als een werkman. Meer als een keurige ambtenaar. En opeens kreeg je daar ook mail over. Hoe komen ze aan mijn mailadres?
In feite leef je in een wereld waarin ze bezig zijn je te controleren en aan te sluiten op hun netwerk. En waarom? Om de nieuwe slavernij te vestigen. Burgers worden geslachtofferd aan de overheid. Er is teveel toeval. Het kan niet allemaal zomaar gebeuren. Er is meer aan de hand. Je verliest je in Facebook en omdat je WA niet meer vertrouwt download je Signal waar een kennis van je ook zit. Een kennis wiens moeder opeens ziek werd na het bezoek aan een corona-teststraat. Een week later was ze dood. Een oom idem. Daarover wordt veel met elkaar gesproken op social. Het wordt je ook duidelijk dat de MSM, dat journalistentuig, daar allemaal geen aandacht aan besteedt. Niets hoor je over al die doden. Ouderen, jongeren, kinderen, ze worden allemaal weggepoetst in de statistieken. En die zijn ook al niet betrouwbaar. De echte statistieken, je ziet ze op Facebook, worden verzwegen. Het is niet meer dan een griep en al die doden, hoorde je laatst, zijn het gevolg van een heel groot experiment. Daarvoor moet je worden gevaccineerd: dat je geen weerstand meer biedt en dat je accepteert dat je onderdrukt wordt.
Nooit zul je dat accepteren. Je neemt maatregelen. Je vuil breng je weg naar de stort, snel, anoniem. Je neemt een ander mailadres en een ander nummer. Je let nog beter op. Op straat, in de supermarkt. En dan nog iets: nooit zul je je laten vaccineren!
Je vrienden, de wakkeren hebben gelijk, volgende week zul je erbij zijn op het Malieveld.
Voetbal is niet iets waar ik uit mezelf naar kijk. Ik ken vrijwel geen namen van voetballers, ik weet niet welke teams er in de Stoelgangcompetitie spelen en als het over het buitenland gaat ken ik maar een paar namen van teams. PSG, Olympíakos, Olympique Lyon (kom vaak langs het stadion), Spartak Moskou en HSV. Dat ongeveer.
Maar deze week heb ik toch even gekeken en twee wedstrijden deels gezien. Een met oranje, tegen Oostenrijk (Zweigelt – vooral van Heinrich of Umathum – is top) en een met Italië.
Ik kan er kort over zijn.
Italië speelt met een flair en een durf die navolging verdienen. Een ballet op het veld. Altijd aanvallend, de ruimte zoekend, elkaar aanspelend. En steeds met een plezier onderling waar de schoonheid van afspat. Geen idee hoever zij komen maar wat een genot om naar te kijken.
Oranje speelt als een boekhouder en actuaris. Rekenend, beetje achterin hangen en breed spelend. De tegenstanders murw makend met een 10-1 systeem: tien in de verdediging én een keeper. En dan hopen op Dumfries, de enige speler die overal was en wil winnen. De rest wil niet verliezen.
Nogmaals: geen idee welk team verder komt maar het oog wil ook wat. In sport heeft heroïek een plek. Waarom is Hinault een geweldige wielrenner en Indurain niet. Precies.
Jaren geleden kreeg ik voor, ik meen, vaderdag een Kobo e-reader. Ik was daar heel blij mee. Als ik op vakantie ga dan nam ik altijd een koffer boeken mee. In drie weken las ik dan een boek of 15 en die moesten mee in de koffer. Het kwam voor dat ik zonder boek kwam te zitten en dat was niet fijn.
Twee vliegen in een klap: minder boeken mee want alles stond op één device én ik kwam niet zonder boek te zitten.
Een Kobo dus en al snel stonden daar tientallen boeken op. Van Baldacci tot Isaacson. Van de Bijbel tot Hemingway. Fictie en non-fictie en science fiction (van de geweldenaar PKD). Ik had kortom een hele bibliotheek tot mijn beschikking.
De eerste vakantie nam ik dus vijwel geen boeken mee maar wel mijn Kobo. Het ding is simpel te bedienen, oogt mooi en past perfect in mijn hand. Wat me direct opviel is hoe traag ie is. Mijn leessnelheid is redelijk hoog en een fysieke pagina omslaan gaat in milliseconden en op de Kobo duurt het een lichtjaar. Naar mijn gevoel.
Maar goed, het ding ging mee in de koffer. Naast een aantal boeken natuurlijk.
En ik moet zeggen, de eerste dag naar het Lac de Sainte-Croix zat ie in de tas en ik heb volop gelezen. Ik hou van heel licht reizen, hoe minder spullen des te beter. Lichte tassen, weinig spullen en dan is zo’n Kobo ideaal. In de felle zon moest ik even wennen aan het scherm, beetje somber. Ik moest wennen aan het “omslaan” van de pagina. Maar zoals het met alle nieuwe dingen is: je went eraan en dan gaat het goed.
Ik las, zonde, zwom en las. Prima.
Eenmaal terug legde ik de Kobo weg en pakte ik een boek. En opeens drong het verschil tot me door: op een e-reader lees je tekst en geen boek. Met een boek lees je een boek.
Wat is het verschil?
Boeken. Ik kan me geen leven voorstellen zonder boeken, fysiek aanwezige boeken. Neem nou dit boek:
Ik heb dit boek op 19 maart 1986 gekocht in Utrecht. Op de omslag staat een foto van Sartre in uniform. Hij was opgeroepen tijdens de zogenaamde Schemeroorlog en deed dienst bij de Meteorologische dienst van het Franse leger. Ik had al heel veel van en over hem gelezen en ik herkende de foto. 1939 en 1940, de jaren die in deze dagboeken aan de orde komen. Ik wist van deze tijd en ik wist dat bij Gallimard in 1983 “Les Carnets de la drôle de guerre” waren verschenen. En nu in Nederland.
Uitgegeven in de privé-domein reeks die ooit was opgezet door wijlen Martin Ros. Een boekengek met een neus voor kwaliteit. Een mooie reeks met grote namen en grote titels. De uitgeverij is de Arbeiderspers. Mijn moeder spaarde geld om de boeken van AP te kunnen kopen. Mooie titels, uitgegeven in hard cover met meestal een linnen coating. Ik heb de meeste van die boeken nog staan in de kast. Ik heb ze alle gelezen.
Je weet vooraf welk papier gebruikt wordt voor deze reeks: dik, wat gelig papier waar een klein ribbeltje in zit. Een mooie klassieke letter en de paginanummering altijd tussen haken.
Als je je vingers over het papier laat gaan voel je weerstand. De geur is specifiek. De boeken vallen altijd mooi open. Ze zijn niet heel zwaar en ze zijn heel handzaam in het lezen.
Je gaat lezen. De eerste pagina’s gaan er doorheen, je slaat pagina na pagina om en je verdwijnt in de tekst. Opeens lees je iets over Paul en je denkt ‘wat was er eerder met Paul?’. Pagina na pagina ga je terug en je leest weer stukjes tekst tot je bij de passage komt die je zocht. Ik sta op, loop naar de kast en pak je de Brieven aan Castor van Sartre. Ik lees daarin de passage over Paul van 16 november 1939. Iets anders qua weergave. Sartre schreef dus én een dagboek én brieven aan Beauvoir én hij werkte aan filosofisch werk.
Wat een boek is, is een universum dat zich voor je opent. Van omslag tot leeservaring. Van gevoel tot geur. Je kunt erin bladeren, het wegleggen, oppakken, doorbladeren, streepjes zetten, ezelsoren in maken. Een ding van waarde en die waarde komt niet alleen niet tot stand door louter de tekst.
Een e-reader is heel functioneel en je leest inderdaad de tekst gevat in letters. Altijd hetzelfde lettertype, dezelfde opbouw. Alsof je een handleiding leest die vooral functioneel moet zijn. Wat ik mis is het geheel van boek als ding en boek als inhoud en hoe die twee samenhangen, elkaar versterken.
Nu is er een nieuw fenomeen dat weliswaar wordt gedrukt maar eigenlijk een gedrukt e-book is: het zelfuitgegeven boek. Vooral in de zakelijke sector. Ik ken inmiddels een aantal mensen dat een boek heeft geschreven en het niet uitgegeven krijgt. Dan doe je dat tegenwoordig zelf. Ik maak een diepe buiging voor hen want ze hebben een boek geschreven en dat komt nog uit ook! Je kunt het kopen en dat doe ik dan ook af en toe. Wat je merkt is dat die boeken allemaal lelijk zijn vormgegeven. Omslag, tekst met titel, eventueel ondertitel en auteur. De sjablonen die worden gebruikt komen uit eenzelfde programma. Dat maakt dat deze boeken zielloos ogen, fletse kleuren, veel grijs en wit. Vooral heel functioneel. En zo benadert een gedrukt boek de tekst op je e-reader.
Mijn leven bestaat uit het lezen van fysieke boeken, zo’n twee per week. Ook op vakantie doe ik dat. Ik heb mijn Kobo altijd bij me en af en toe lees ik daarvan. Niets mis mee.
J’en ai ras le bol. Ik heb ooit een asbakje gehad met die kreet erop en iedere keer als ik voelde dat ik er schoon genoeg van had, stak ik een Boyards maïs op en dan ging het weer een stuk beter.
En waar heb ik dan nu genoeg van (zonder het met Boyards weg te roken want dat is verleden tijd)?
Ik mis Frankrijk. Ik mis de Fransen. Afgelopen week sprak ik met vrienden die absoluut niet van Frankrijk en de Fransen houden. Zij zeiden ‘ja maar jij bent gewoon verliefd op Frankrijk, terwijl de mensen zo godvergeten arrogant en naar zijn’.
Nu hoor je dat wel vaker. Mijn ervaring is een heel andere. Ok, je moet het niet hebben van Parijs. Dat is toch echt anders dan de rest van het land. Ga ik het ook niet over hebben. Maar de campagne, de Var, waar ik geregeld kom is toch zeker niet zo arrogant en naar. Ik heb altijd de indruk dat men een soort gêne voelt jegens buitenlanders. Men spreekt alleen maar Frans, door Parijs wordt men gezien als kinkels en dan komen die toeristen met hun wereldse houding. Daar sta je dan met je restaurant met plastic tafels en altijd weer dezelfde pizza’s. Zoiets.
Mijn ervaring is ook dat die houding verdwijnt op het moment dat je zelf toeschietelijker wordt. Een beetje Frans spreken, beetje kletsen op het terras, interesse tonen voor mensen et cetera. Dan blijken die Fransen net mensen. Veel plezier in het leven, een scherp oog voor alle scheve verhoudingen in het land en, ja dat is waar, erg behoudzuchtig.
Daar zat ook de kritiek van mijn vriend: Frankrijk staat stil, wil niet vooruit en is een blok aan het Europese been. Als je dan een beetje in de geschiedenis duikt, zeg terug tot 1914, dan ga je al meer snappen van die houding. Dat men altijd wat op de hoede is voor Europa, dat sinds De Gaulle de Republiek sterk presidentieel is geworden, dat de Fransen schelden op Parijs en tegelijkertijd het heil uit Parijs verwachten als het leven tegenvalt. En daarbij, wie zegt dat vooruitgang een intrinsieke waarde heeft? Dat men vooruit moet? Waar staat dat? Is behoud niet ook heel erg mooi. Terroir, comme d’habitude.
Goed, mooie bespiegelingen, maar waar heb nu genoeg van? Waar zit mijn “j’en ai ras le bol”?
Gewoon: dat ik al zo lang niet in de moeilijke, tegendraadse, aartsconservatieve, heerlijke, liefdevolle, complete land ben geweest. En daar heb ik meer dan genoeg van.