Oktober nog maar waren we in Carcès. De laatste week van het seizoen en waarschijnlijk heel herkenbaar: winterklaar maken van het huis. Alle buitenspullen opruimen, de bedjes en stoelen naar binnen en kijken of alles goed vastzit.
Het huis aan kant. Vaatwasser helemaal schoon, idem de wasmachine en de keuken. Dweilen en daarna de luiken sluiten. Nog een keer rondkijken, oh ja, de boiler!, en dan de voordeur dichttrekken. Het erf afrijden, de hekken sluiten en op naar het vliegveld terug naar Nederland.
Dat gaat altijd een paar weken goed en dan komt het moment van vandaag: ik mis Frankrijk!
De wandeling naar het dorp, de eenvoud van het dorpsleven, ondanks de armoede toch in welzijn met elkaar leven. De gemoedelijkheid. Maar ook de Mousquetaires met een assortiment dat zich aanpast aan de kou: boudin noir, wild, mooie wijn.
Het is niet veel wat ik mis maar ik mis het wel veel.
We komen er wel weer overheen en komend jaar rijden we weer richting het zuiden, dat weet ik ook wel. Maar het gevoel van heimwee is er en koester ik ook een beetje. Het is een mooi gevoel.
Ochtend, uurtje of acht. Het is stil, zowel binnen en buiten. Ik stap uit bed en loop naar het raam dat aanstaat, achter de zware gordijnen. Ik kijk door een spleetje naar buiten. Het felle licht verblindt me even maar al snel kan ik de bergen zien liggen in de blauwe ochtendzon. Ik voel de kou en ruik de winter, de sneeuw. Ik ben in Les Bruyères middenin Les Trois Vallées. Ik ben volkomen gelukkig.
Ik ben hier voor de hoeveelste keer alweer? De zevende? Om te skiën? Nee dat niet.
Skiën, ik heb het wel eens gedaan. Een week. In Saas Fee was ik met mijn skiënde schoonfamilie en men vond dat ik dat ook maar eens moest leren. Zo gezegd, zo gedaan. Aan het einde van een week privéles van ene Othmar Supersaxo kon ik een helling af. Zonder stokken, dat dan weer wel.
Maar na die week heb ik nooit meer een moment op de latten gestaan. En toch ga ik ieder jaar naar de Franse Alpen om van de wintersport te genieten. Waarom? Wat vind ik daar dat zo de moeite waard is?
Les Trois Vallées
De eerste keer dat we hier naartoe gingen waren de kinderen nog klein. De bedoeling was dat zij zouden leren skiën. We hadden al eens een oefenweekeinde gehad in Winterberg, maar zelfs ik zag dat dat wel heel tam was. Niet het echte skiën. Dus onderweg naar de Franse alpen. Die keuze was simpel: we houden van Frankrijk, het gebied is het grootste ter wereld en de pistes zijn er breed.
We overnachtten in Villefranche-sur-Saône, gingen lekker uit eten in het stadje en de volgende ochtend kwamen we al vroeg in de file. Ik vroeg me af waarom we met zijn allen dezelfde kant op moesten? Wat was dat toch met die wintersport. Lemmingen op weg naar de sneeuw.
Op een zeker moment, net na Moûtiers, gingen we de bergen in: de ene helft ging naar links en wij gingen naar rechts. Natte wegen, geen sneeuw te zien. Tot we hoger en hoger gingen en daar langzaamaan hier en daar sneeuw lag. Steeds meer. Tot we in een witte wereld reden. Het was prachtig. Iedere weerstand bij mij verdween.
We hadden een hotel geboekt in Saint-Martin-de-Belleville. Een eeuwenoud dorp op 1450 meter. Het is gebouwd langs de hellingen waardoor er redelijk wat hoogteverschillen zijn. Wat uniek is, is dat er een echte dorpskern is. Het is nu een ski-oord maar zo is het niet bedacht en dat voel en zie je. Mooie huizen, van hout en van steen. Van oud in het centrum tot wat nieuwer aan de buitenkant.
Het was een blokhutachtig hotel aan de piste. Je stak het parkeerplaatsje over, stapte op de ski’s en ging richting lift. Althans mijn vrouw en de twee zonen. Ik bleef achter. Ik weet nog dat het ijskoud was. Ik ging wandelen in het dorp. Veel hoogteverschil, en om overal te komen moest ik flink doorlopen. Ik genoot van alles. De ouderwetse kneuterigheid, de huizen, de sneeuw, de winkeltjes. Ik eindigde op een terras in een bleke zon achter een espresso. Ik was gelukkig. ’s Avonds was de familie weer terug en gingen we heerlijk uit eten. Zeer lokaal en de kaaslucht zat nog dagen in mijn trui.
Alle dagen waren hetzelfde en heerlijk. Het fijne was dat ik in Frankrijk was. Waar anders? De baguettes waren lekker, de lokale supermarkt verkocht het vertrouwde assortiment en de koffie was als overal in Frankrijk. Je houdt ervan of vindt het verschrikkelijk.
Les Bruyéres en Les Ménuires
Het jaar daarop wilde de familie wat hoger zitten. Het oog viel op een klein gehucht: Les Bruyères, eigenlijk een quartier van Les Ménuires. Hier is moeite gedaan een heel intieme sfeer te creëren. Waar de andere kernen ‘zakelijk’ ogen voel je je hier in een verhaal van Dickens. Gebouwd in een kommetje rond de piste waarbij alles heel sfeervol oogt.
En, zoals altijd, na het huren van skis en het aanschaffen van de skipassen verdween de familie de sneeuw in. Ik ging doen waar ik heel goed in ben: lanterfanten. Het dorpje is zo klein dat je er binnen 15 minuten doorheen bent. Maar wat een heerlijke sfeer. Al vroeg kun je buiten dik ingepakt van een ontbijtje genieten, terrassen genoeg. Het uitzicht op de bergen is adembenemend mooi. Groot, overweldigend, wit afgetekend tegen een strakke blauwe lucht. Het ligt inderdaad hoger, op 1850 meter en het is dus ook kouder. Ik vond dat heerlijk. Je ademt een lucht in die zo kristalhelder is dat je er blij van wordt.
Omdat er toch niet heel veel te doen is liep ik naar Les Ménuires, een kilometer of drie. Les Ménuires is pas een jaar of zestig oud, en gebouwd als skidorp. Anders dan Belleville hier dus geen pittoreske straatjes. In 1992 is het dorp opgeknapt voor de winterspelen. Het is functioneel en gericht op skitoerisme.
Er loopt een mooi pad naartoe met links van je de vallei en de bergen aan de overkant. Als mieren zie je de skiërs door de sneeuw naar beneden glijden. De zon strak erboven.
Opeens doemde een heel merkwaardige kerktoren op. Opengewerkt, en heel mooi. Opmerkelijk. Ik wandelde er naartoe en het bleek geen kerk te zijn maar een soort kapel, de Espace Maurice Romanet. . Dit gebouw is gebouwd in 2000 dus heel oud is het niet. Het is vernoemd naar een priester die in de vorige eeuw de lokale bevolking overtuigde van het nut van wintersport voor het dorp. Zonder deze priester zou deze toren er niet zijn geweest. De deur was open. In de kapel was een primitief geschilderd berglandschap op de muur. Dat landschap is in 2016 aangebracht. Dat was het. Het licht viel mooi naar binnen
Ik liep verder het dorp in en, daar bleek een ondergronds winkelcentrum te zijn. Als je er ooit bent, ga naar binnen! Ik kwam terecht in een soort tijdmachine. Alles, echt alles, ademde de jaren zestig en zeventig. De Spachtelputz op de muren, het bruine grove houtwerk, de inrichting van de winkels, de geur! Ik ben er vaak geweest voor kleine boodschappen. De wandeling ernaartoe en de beleving. En altijd afsluiten met een p’tit blanc op het terras van Le Comptoir in de zon.
Mijn oudste zoon heeft me op een dag meegenomen naar boven, met een paar liften omhoog en toen stond ik op de Pointe de la Masse, op 2804 meter hoogte. Het dak van de wereld. In de verte de Mont Blanc en om je heen de toppen van de Alpen. Adembenemend. En ook hier weer de koude heerlijke lucht, de strakblauwe hemel en de oneindige sneeuw. Een prachtplek.
Vele jaren zijn we naar een van beide plaatsen op vakantie geweest, tot de familie het nodig vond nog hoger te gaan zitten.
Val Thorens
Het werd Val Thorens. Ik had er een en ander over gehoord. 2300 meter hoog. Val Thorens is weliswaar redelijk nieuw, het bestaat sinds 1971, maar -anders dan in andere dorpen- zijn er geen grote betonnen hotels. Veel is afgewerkt met hout waardoor het overal vriendelijk oogt. En verscholen achter de doorgaande weg ligt een klein gebiedje rond de pistes waar je lekker kunt eten en drinken. Zo is er toch gezorgd voor de menselijke maat.
Dat wist ik allemaal niet toen we binnenreden. Een soort snelweg met hotels leek het wel. De auto moesten we ver buiten het dorp, ver naar beneden parkeren omdat het autovrij is. Het hotel aan de rand was prima, hip en gezellig. Beneden kon de familie ski’s huren en zo direct de piste op. Ik vroeg me af wat ik hier een week ging doen. Gelukkig had ik veel boeken bij me.
Die bleken niet allemaal nodig te zijn.
Omdat het groter is dan de andere plaatsen is er meer te doen en te beleven. Ik heb veel gewandeld, ik heb veel favoriete plekken gevonden om in de zon wat te drinken. Goede en zeer standaard restaurants. Fijne mensen, ook hier weer en intens Frans in alles. Ik heb genoten van ieder moment. En de mooiste momenten waren aan het eind van iedere dag dat we weer bij elkaar waren op het terras van het hotel en daar in de snijdende kou dik ingepakt konden proosten op het leven.
En als je nou niet van skiën houdt?
Dan moet je toch gewoon gaan. In de winter de Franse Alpen in. Slaap ergens onderweg, zoals wij altijd doen. In Lyon, Villefranche of waar dan ook. Rij de bergen in en laat je betoveren door het geweldige landschap. Het is vooral voor mensen die niet veel nodig hebben, zoals ik. Buiten zijn, een boek, wandelen, beetje met mensen kletsen, een glas wijn, lekker eten. Wat ik er vind is een soort eeuwige kerstsfeer. Overal lichtjes als het donker wordt. De restaurants zijn ingericht op knusheid en warmte. De mensen zijn vriendelijk, gastvrij en relaxt. En hoewel ik dus zelf niet ski, geniet ik van alle skiërs: het ziet er jaloersmakend vrij uit. Al die vrolijke mensen maken dat de sfeer top is. En af en toe met een lift omhoog om mee te maken wat zij iedere keer ervaren: het dak van de wereld, met mij als toeschouwer.
Restaurants
Villefranche-sur-Saône:
Le Saladier, 579 Rue Nationale (klein, gezellig, informeel)
La Chapelle, 407 Rue Nationale (hier doet men zijn best om fine dining te serveren, lukt aardig)
Les Bellevilles:
Le Montagnard, 35, rue des Places, 73440, Les Belleville (geweldige pot au feu)
Etoiles des Neiges, Rue Saint-Martin (heerlijk verzorgd eten)
Les Bruyères:
La Marmite, Quartier des Bruyères (ons favoriete plekje: topvlees van het open haardvuur en super bediening en een glaasje Génépi na)
Les Marmottes, L’Orée de Pistes Quartier des Bruyères (gewoon goed lokaal eten)
Le Setor, Quartier des Bruyères (goede uiensoep)
Les Ménuires:
Le Comptoir, Quartier de la Croisette (het lekkerste en fijnste terras, ’s middags en ook zeker ’s avonds)
Le bistrot des Cimes, Rue de la Viaz (goed eten en een lekkere vriendelijk bar. Beetje uit de route)
Le Capricorne, D117 (goede plek, prachtig uitzicht)
Val Thorens:
Alpen Art, Place Caron, 73440 Val Thorens (fine dining, goede wijnkaart)
Les Clarines, Centre Commercial Peclet (echt Savoyarde, kaas en room)
Le Tivoli, La Vanoise (goede croziflette)
La Rotisserie, 297 Rue de la Lombarde (in hotel Fahrenheit Seven: prima bistro met lekker eten, tikkie hip)
Les Trois Vallées: wat achtergrond
Het is het grootste aaneengesloten wintersportgebied ter wereld. In 1946 werd de eerste lift gebouwd in dit gebied en daarna kwam het eerste hotel. Nu, bijna 80 jaar later, is het groot en enorm aantrekkelijk. Er is maar liefst 600 km piste, van zeer simpel tot zeer complex. Die zeshonderd kilometer is toegankelijk via 183 liften waarmee per uur 260.000 mensen kunnen worden vervoerd. De getallen blijven enorm: 2.300 sneeuwkanonnen, 73 pistebullies waarop 160 mensen in toerbeurt werken. ’s Avonds en ’s nachts. En er zijn maar liefst 3.000 ski-instructeurs. Voor de veiligheid, er gebeurt wel eens het een en ander en dan zie je de heli overkomen, zijn er 424 ski patrollers.
Veel heb ik er niet van gezien, maar er was een debat op tv waarin een aantal lijsttrekkers door elkaar heen zat te blèren. Ik heb de tv direct uitgezet. Ik kijk sowieso niet heel veel naar debatten. Wat gebeurt is dat de platitudes, de ontkenningen van de werkelijkheid en de gemakkelijke oplossingen over en weer vliegen.
Vier lijsttrekkers doen daar niet aan mee. Dassen, Jetten, Bontenbal en Timmermans.
Van die drie heeft Timmermans het het moeilijkst. Hij zou mee moeten gaan in de manier van schreeuwen, in het inhoudsloze gezwets en het strategisch geweifel van respectievelijk Wilders (de gematigde fundamentalist en vreemdelingenhater), Yesilgöz (als een uit coma ontwakende naar de wereld kijkend en onzin uitkramend) en Omtzigt (vaagheid is aantrekkelijk en lerend van GTST eindigt hij de dag met een cliffhanger).
Timmermans zou ervoor kunnen kiezen Wilders te vragen wat hij al 20 jaar in de kamer doet en wat hij vindt van de islam en of zijn Hongaarse vrouw ook het land moet verlaten. Hij zou Yesilgöz inhoudelijke vragen kunnen stellen en opmerken dat groep5 opmerkingen geen beleid vormen en dat alles wat zij voorstelt al 13 jaar niet gelukt is onder de VVD en dat zij behoort tot de doelgroep van Wilders’ uitzetbeleid. Hij zou Omtzigt kunnen vragen hoe een pathologisch twijfelaar een land denkt te gaan leiden zonder in een burn out terecht te komen, en dat controleren op de millimeter niet hetzelfde is als een land leiden.
Maar dat doet hij niet, wat hem siert. Zo wordt hij ook niet de grootste. Wel blijft hij fatsoenlijk.
De andere drie, Bontenbal, Jetten en Dassen, hebben de pech er niet toe te doen voor het vormen van politieke macht. Terwijl ik wel geloof dat het CDA voor het eerst in jaren weer een goede oprechte lijsttrekker heeft. Volkomen zichzelf en de juiste toon en inhoud voor een zich herstellend CDA. Jetten is oprecht, eerlijk en geloofwaardig. Relaxt en niet zo hautain als zijn voorgangster. Maar D66 is opgegeten door de VVD. Volt als laatste is de enige partij die volkomen pro Europa is. Het enige juiste standpunt maar ook niet in staat een machtspositie in te nemen. En Dassen blijft het hele verhaal vertellen en niet de sound bites die men wil horen.
Politiek is het verzamelen en regelen van macht zodat je optimaal je eigen standpunten door kunt voeren. In Nederland zal dat altijd in de vorm van compromissen zijn. En dat is goed. Het hele leven is een groot compromis, dat is de reden dat we zonder continue oorlog samenleven.
Er zijn twee partijen die momenteel macht aan het regelen zijn en daarvoor ruilen ze ieder fatsoen in. De VVD heeft het slechte geheugen tot kunst verheven en de PVV heeft het even niet meer over het feit dat ze een miljoen mensen als tweederangs burgers beschouwen.
Het volk vindt het geweldig. Het volk hijst zelfs iemand op het schild die van 1 naar 23 (?) zetels gaat omdat hij de vleesgeworden controleur is die kijkt of alle regels gevolgd zijn. Geheel los van iedere inhoud. Die ontbreekt volkomen.
Ik vind het bewonderenswaardig dat Timmermans rustig zijn betoog opbouwt en dat hij aangeeft dat het klimaat het belangrijkste onderwerp is. Op zijn manier dus. Waarmee hij niet gaat winnen. De mensen die snappen dat politiek belangrijk is, geen circus dus, en dat moeilijke problemen nooit opgelost kunnen worden met simpele oplossingen en platitudes, die mensen snappen Timmermans goed. Wellicht vinden ze het een arrogante boomer waar ze nooit op zullen stemmen. Maar snappen doen ze hem.
De dominante partijen momenteel doen exact het tegenovergestelde: er is geen klimaatcrisis, er is geen woningcrisis, er is maar één crisis en die heet instroom van vreemdelingen. Er is natuurlijk ook armoe maar die gaan we oplossen zegt Dilan. Hoe? Met behulp van de rijkaards die met haar mogen dineren? Geen clou.
Het volk vindt het geweldig. Simpele taal voor simpele geesten. Dédain voor de kiezer die erin trapt. Nederland wil niet weten dat de wereld ingewikkeld is, wil niet weten dat we Europa hard nodig hebben voor de toekomst. Wil niet weten dat de VVD na 13 jaar gewoon verder gaat waar ze gebleven was. Dat we dachten dat Rutte en inhoudsloos was en een teflonlaag bezat, maar dat Rutte een filosoof en groot denker blijkt te zijn als je zijn opvolgster hoort. Het volk wil niet weten dat de PVV een intens slechte immorele partij is met kamerleden die niets, maar dan ook werkelijk niets tot stand hebben gebracht. Het volk kijkt naar een musical met een aantal hoofdpersonen waarin men zich herkent. De verhaallijn is lekker simpel en de emoties liggen aan de oppervlakte. Prachtig dus.
Het volk vindt het prima. Vanaf de 23ste gaan we gewoon weer roepen dat de politiek niet te vertrouwen is en dat er een enorme kloof is tussen Den Haag en de gewone man.
Er was een tijd dat ik iedere zaterdag op de Steynlaan kwam. Corum zat daar op een hoek en ik deed daar boodschappen. Zo had ik een heel rijtje: de bakker, de slager op de Bergweg en dan door naar Corum. Vanaf mijn huis op de Dalweg was dat altijd een lekker ritje. Thuisgekomen werd het gezin een beetje wakker en kon zo aan het verse ontbijt. Inmiddels ben ik verhuisd, is de slager weg en is Corum verhuisd naar het centrum. Wat is gebleven is de Steynlaan.
In de loop der jaren heb ik veel zien veranderen. Winkels gingen af en aan, veranderden van eigenaar of bleven wat zij al jaren zijn, zoals de kapper. Wat nooit is veranderd is het gekke karakter van de Steynlaan. Een allegaartje van winkelaanbod, het wormvormig aanhangsel van het centrum maar toch ook helemaal niet het centrum. Een onduidelijk straat waarvan je niet precies weet waarom je er zou moeten vertoeven.
Maar als ik door mijn oogharen kijk zie ik in potentie ook een soort Kanaalstraat in Zeist. Die Kanaalstraat in Utrecht, in Lombok om precies te zijn, is ook een allegaartje. Als kind kwam ik daar al met mijn ouders in augustus tijdens de feestweek. Een echte arbeidersbuurt, arm en heel Utrechts. In de loop der jaren veranderde de straat volop. En nu is het een mix van autochtoon en allochtoon, van Nederlandse geuren en geuren van rond de Middellandse Zee. Heerlijk. Je kunt er olijven kopen, nana en koshbar (munt en koriander) maar ook exotisch aardewerk. De sfeer is druk en top. Dat beeld heb ik als ik zomaar op een herfstmiddag uitkijk over een druilerige Steynlaan. Een aantal ingrediënten is er al. De dierenwinkel, de winkel met stenen, kroegen, de kapper, een aantal winkels met exotische producten, de eroshop, een wijnhandel, restaurantjes enzovoort. Ik vergeet er zo nog een en ander.
Wat ontbreekt is een ziel. En voor die ziel is beleid nodig, niets ontstaat zomaar uit het niets. Als de gemeente Zeist de Steynlaan anders bekijkt, namelijk als de plek waar de grote wereld Zeist binnenkomt, dan is er een kans van slagen. Het is niet in een jaar gedaan, veranderingen nemen tijd in beslag. Maar stel eens voor: vanaf het kruispunt loop je de Steynlaan in om al je lekkere dingen te kopen, nog even een mooie schaal voor de couscous uit te zoeken en een speeltje voor de kat te kopen. En tijdens de kerst is de laan mooi verlicht en druk. Stel je dat eens voor.
Ik zou er blij mee zijn. Wat ik inmiddels ook mis is de mooie verlichting van Stan & Co. Dat was nog eens iets om blij van te worden. Maar ja, de wereld verandert.
Wat me ooit in Nederland is overkomen: we liepen met de kinderen door Maastricht op weg naar het OLV Plein. Onderweg kochten we een ijsje voor hen en we liepen verder. Op het plein namen we plaats op een terras en wilden wat bestellen. De bediening kwam en zei dat de kinderen hun ijsje niet op het terras konden opeten. Ergens anders wel en daarna mochten we terugkomen. Dat gezellige Maastricht toch! Zo gemoedelijk en dat zachte taaltje maar feitelijk gewoon een Hollands knieperig terras waar niet aan levensvreugde wordt gedaan. Je bent een pinpas, en dat is het dan ook. We zijn niet teruggegaan natuurlijk.
In Frankrijk is dat anders en veel gezelliger, gemoedelijker. In mijn dorp in de Var koop je een pain choc’ of iets anders bij de bakker. Je wandelt doodgemoedereerd naar Bar Le Central, neemt plaats, bestelt een koffie en gaat ontbijten. Geen issue. Kan ook met een part de pizza, maakt niet uit. En het zijn niet de ludieke toeristen die dat doen, de lokale bewoners doen het ook. Het is geaccepteerd en doodnormaal.
Zou je denken: ja maar dat is Carcés met zijn paar duizend inwoners! Dat is toch anders dan de stad!
Nee dus. In de tijd dat ik (ooit) in Parijs woonde deed ik het ook en werd het geaccepteerd. Ik had weinig geld, kocht een baguette en bestelde een koffie bij Le Cluny (bestaat niet meer, zit nu een pizzaketen) en ging ontbijten. Kreeg er nog een glaasje water bij ook. Geen probleem.
Onlangs hetzelfde in Toulouse. Frankrijk is geen Holland, zoveel is duidelijk. Eten van elders is doodnormaal. Maar niet hier.
Het is oktober. En waar het normaal een nog warme week is in de Var, is het dat dit jaar niet. De temperatuur is flink gedaald, ’s nachts is het zeker fris, en het is bewolkt. Niets van de zonovergoten l’été Indien dit jaar.
In oktober zijn we nog altijd een week in Carcès om de boel op te ruimen en de luiken te sluiten voor de winter. In de winter wil mijn vrouw hier niet zijn. Deprimerend. En dus zijn we hier dit jaar opnieuw. Niet zo heel lang. Er waren eerst andere dingen te doen en steden te bezoeken.
Goed, Carcès dus.
In het najaar heerst hier een heerlijke stilte voor wie daarvan houdt. De hectiek van de zomer is verdwenen. Zelfs de dinsdagmarkt in Cotignac is heel relaxed. Je kunt gewoon parkeren op het grote parkeerterrein en niet drie kilometer verderop langs de weg. Er zijn wat toeristen, maar niet zo heel veel. In Carcès komen altijd al vrij weinig toeristen en nu is het nul. Het dorp is weer overgenomen door de lokale bewoners. En dat merk je.
Het terras van Bar Le Central is halfleeg en de eigenaar bedient op halve snelheid. Heel relaxed en super vriendelijk. Pizza eten bij Seb et Patou is ook al zo relaxed. Seb maakt grapjes, loopt zingend door de zaak en brengt zelf de pizza’s aan tafel. Zelfs Patou, mager en meestal grijs en grauw van het harde werken heeft plezier. De vrouw bij de bakker is zomaar aardiger dan anders en maakt grapjes.
Het is voorbij die mooie zomer.
De enige zorgen die er zijn zijn over het weer. Te lang al geen regen, geen echte regen. Uit de kraan komt nog steeds een heel dun straaltje water. Dat was deze zomer al zo en nu nog steeds. Afgeknepen om zuinig te zijn. Een hele dag is er niet eens water, probleempje in de waterleiding. Het zwembad is afgekoeld en als ik ga zwemmen voor het als ijstherapie. Rillend en verfrist loop ik ’s avonds laat weer naar binnen. Mijn avondzwemmen zit er weer op.
En zo gaan de dagen voort.
We bergen alle meubelen binnen op. De potplanten zetten we bij elkaar in een hoek tegen het huis. We sluiten de luiken, barricaderen die aan de binnenkant (ooit een inbraak gehad) en trekken de deur achter ons dicht. In de auto naar Marseille voor de terugvlucht.
Ik rij het erf af, mijn vrouw sluit het hek en we rijden de berg af. Het gaat regenen. Bij Aix regent het heel hard. Iedereen rijdt rustig. Als we auto hebben ingeleverd lopen we naar Terminal 1A en op dat moment breekt de zon door de wolken. Ik moet denken aan dat nummer van Reinhard May. Het zit er weer op voor dit jaar.
Zelfs op het vliegveld is het extreem rustig. We gaan weer naar Nederland.
Mijn zoon is een van de weinigen in Nederland die allergisch is voor melkeiwitten. En nee, dat is niet hetzelfde als lactose-intolerantie. Daar krijg je buikpijn van en diarree. Maar lactose is een suiker en die kan hij gewoon binnenkrijgen.
Melkeiwitten zijn er meerdere van en ook in meerdere producten. Koemelk maar ook ezelinnenmelk bevatten die eiwitten. Zij zitten in kaas, boter (nee, niet in eieren) en in heel veel producten. Nederland is koploper in het verwerken van melk en melkeiwitten in producten. Lees voor de grap eens alle etiketten van de spullen die je koopt.
Afijn, hij is er allergisch voor. Zo zelfs dat hij eraan overlijdt als er niet op tijd wordt ingegrepen. Eens per jaar zitten we op een ICU omdat er iets mis is gegaan in een restaurant.
Gisteravond gingen we samen uit eten naar een sushitent waar hij vaker is geweest. Je kunt daar heel simpel aangeven dat je allergisch bent en er wordt rekening mee gehouden.
Wij bestellen en hij at van de sushi die hij altijd bestelt: met komkommer en met tonijn.
Opeens aarzelde hij en zat hij te kijken naar de makirolletjes. Er zat iets wits op, mayonaise? Ik iemand roepen en uitgelegd. Zij liep bezorgd de keuken in en kwam verheugd terug! Het was geen mayonaise, riep zij blij, maar kaas! Kaas!
Kruisbesmetting dus. Als het misgaat is het hierdoor.
Ik uitgelegd wat de consequentie was en zij ging op zoek naar de eigenaar. Of we wilden wachten. Nee dat wilden we niet. We liepen naar buiten en daar was de eigenaar. Duizend maal excuses et cetera. Ik heb het niet echt meer gehoord en een gesprek zat er niet in.
Vanaf dat moment luister ik altijd heel goed naar mijn zoon. Rij naar huis en dan ga ik wel overgeven, zei hij. Zo gezegd, zo gedaan. Met betraande opgezwollen ogen kwam hij naast me zitten. Tweemaal cetirizine erin en wachten. Keel werd dikker, loopneus, lippen en daar bleef het bij. Hij werd niet rood of benauwd. Op tijd was alles eruit gekotst en de gevolgen waren klein. Een epipen en gang naar het ziekenhuis waren niet nodig.
’s Avonds om elf uur heb ik nog patat voor hem staan bakken met veel veilige mayo erbij.
De kern hierbij blijft dat een moment van onoplettendheid nare gevolgen kan hebben en dat als een restaurant zegt melkvrij te zijn dat dan ook zo moet zijn. Er is geen tussenweg.
Mijn beste vriend ken ik dit jaar 44 jaar. Ooit hebben we elkaar leren kennen tijdens onze studie en met vallen en opstaan zijn we waar we nu zijn. Een hechte vriendschap waarin alles goed is zoals het is. En ook als het anders is.
Afgelopen week gingen we samen een paar dagen op pad. Dat doen we twee keer per jaar en deze keer was mijn keuze gevallen op Dortmund. Dortmund? Ja, gewoon omdat ik daar nog nooit geweest was.
Toen ik eenmaal het hotel had geboekt, zonder enig recht op restitutie, ging ik op Google eens zoeken op Dortmund. Drie hits: de kerstmarkt, bier en natuurlijk voetbal. Er was een heus voetbalmuseum! En een biermuseum! En verder helemaal niks. Hoe ik ook zocht en positief bleef, er was in Dortmund helemaal niks.
Ik heb dat eerlijk opgebiecht en we gingen toch.
Donderdagmiddag reden wij Dortmund binnen en al snel bleek waarom er niets is. Na platgebombardeerd te zijn is er een soort Lijnbaan als binnenstad gecreëerd waar iedere ziel aan ontbreekt. Is Düsseldorf een mooie fijne stad, en is Münster een openluchtmuseum geworden, Dortmund is zonder enige fantasie of smaak of gevoel voor schoonheid opgebouwd. Functioneel lelijk en niet eens met woest aantrekkelijk brutalisme. Het is helemaal niets.
We zaten op een terras wat te eten en drinken en de man die ons hielp sprak slechter Duits dan ik en had de vuilste spiekerboks aan die ik ooit had gezien. De garnalen in hotsauce van Jan kwamen duidelijk uit de diepvries en mijn pizza margharita had een flinke laag gesmolten kaas. Het bier was prima.
Onze vriendschap zou het overleven.
We hebben rondgewandeld en niets gevonden van enige waarde. Wat wel zo is, als je van voetbal houdt kun je je hart ophalen. Er is zelfs Fussbalpasta tekoop. De winkels kleuren geel en zwart.
‘s Avonds hebben we bij een heel goede Italiaan gegeten op de Friedensplatz, waarbij de chef Kroaat bleek te zijn. Maar koken kan hij! Tijdens het eten hebben we geprobeerd redenen te achterhalen om naar Dortmund te gaan. Niets.
Dag twee besloten we naar een museum te gaan: Zollverein. Dat was een goede greep. Een oude mijn waar de geur nog hangt van al het harde werk.
Alles was de moeite waard en het is werkelijk prachtig. Alsof je in een van de Carceri van Piranesi rondloopt. Daarna gingen we naar Solingen om een zakmes te kopen van Zwilling. Dat wilde Jan graag.
In Solingen hadden we moeite met het vinden van het centrum, maar eenmaal gevonden, bleek dat nog treuriger dan Dortmund. Armoede en verval. Een arbeidersstad waar men niet heel veel inkomen heeft. Ik schrok ervan. Zelfs de Trödelmarkt was afbraak. Oude schoenen, oude kleren en heel veel ouds uit oude schuren. Geen vide grenier zoals in Frankrijk waar je nog wel eens iets van waarde vindt.
We reden terug, aten een ijsje bij een tankstation en waren weer in Dortmund.
En toen kwam het: Dortmund was opeens een vriendelijke fijne stad waar je lekker op een terras kon zitten en waar de mensen relaxt waren. Een kwestie van perspectief zal ik maar zeggen.
Die avond aten we bij een Japanner die een Vietnamees bleek te zijn. Topsushi en phở om je vingers bij af te likken. De sfeer was heel relaxed en aardig en de jongen in de bediening was een en al aandacht voor ons. Hij dacht dat we al 44 jaar een stel waren en dat vond hij prachtig. Had hij nog nooit meegemaakt. Nee, wij ook niet. We spoelden alles weg met een goede Riesling.
We wandelden nog wat en gingen terug naar ons hotel. De volgende ochtend na een prima, niet overdreven goed ontbijt reden we naar Kevelaer om wat kaarsjes te branden.
De conclusie was simpel: maakt niet uit waar we zijn, we hebben het altijd goed met elkaar. Het Roergebied en Dortmund zullen we nooit meer bezoeken. De volgende keer gaan we naar een leuke plek waar wat te doen en te zien is. Finsterwolde of Axel, maar nooit meer naar Dortmund.
Een zaterdagochtend eind juli. We zijn na een rit van twaalf uur aangekomen op onze bestemming. Het is rond zeven uur en we rijden de laatste kilometers tussen afslag Brignoles en ons huis. Ik draai mijn raampje open en ik ruik de Var. Een droge kruidige geur komt de auto in. De jongens op de achterbank worden een beetje wakker en mijn vrouw zet Yannick Noah op, ‘Destination Ailleurs’. Het is perfect. De vroege ochtend, het ontwaken van de natuur, de geuren, de muziek en mijn gezin dichtbij me.
Bocht door naar links, rechts, langs de Mousquetaires, rechtsaf langs de Place Respélido, rechtsaf onder de platanen door, langs Les Chineurs waar we vanavond bij Seb et Patou pizza gaan eten en dan de berg op. Berg, nou ja, flinke heuvel. 737 meter later staan we voor het hek en ik parkeer de auto. Thuis.
Na het uitladen van de koffers gaat de rest naar bed om bij te slapen. Ik niet. Na een koffie stap ik in de auto en rij terug naar het dorp. Ik parkeer langs de weg en loop het dorp in. Het is zaterdag en dus is er markt! De juffrouw met de jurkjes, de kippenboer, de man met de plantjes, alles is er te krijgen. Olijven, kazen, worst, tweedehands boeken. Ik loop de bakker binnen en word begroet: je bent er weer! Ik loop de markt over en praat met de juwelier annex burgemeester. Hij heeft nog wat mooie Lip horloges liggen. Of ik kom kijken? Zeker.
Ik groet de jonge pastoor, abbé Gempp. Vandaag heeft hij een oranje zonnebril op. Toen ik hem vroeg te lachen voor de foto zei hij ‘ik lach alleen voor God’. Ik loop de kerk in en steek een kaarsje op, wat ook schijnt te werken als je er niet in gelooft, en ga espresso drinken bij Bar Central. Daarna doe ik boodschappen in de supermarkt die inmiddels open is.
Het is voor iedereen zo herkenbaar, zoveel gewoonte en routine, zoveel vertrouwdheid op de vierkante meter. Zelfs de boodschappen die ik doe zijn als altijd hetzelfde. Inclusief de fles J&B.
Maar zo was het niet altijd. Dit, deze vertrouwdheid is ooit ergens begonnen. Het was ooit nieuw en onbekend en langzaam is het ‘gewoon’ geworden, zonder ooit gewoon te worden.
Maar wanneer is dat geweest? Waar is die liefde ooit begonnen? Laat ik maar eens proberen mijn reis naar Carcés te vertellen. Ik denk dat er voor velen wat herkenning in zal zitten.
Hoe een liefde ooit begon
Frankrijk was voor mij altijd een natuurlijke bestemming. Tijdens mijn studie heb ik een paar maanden in Parijs gewoond. Een toen ik eenmaal de smaak te pakken had, ging ik met de FTS met de trein naar Bretagne, het strand bij Bordeaux en Normandië. Altijd naar Frankrijk. En ik dacht dat ik het wel wist: Bretagne was voor mij de plek van bestemming.
Maar dat liep anders.
Op een dag kocht ik een Peugeot 405 diesel. Ik draaide er gele koplampen in en voelde me heel wat op mijn paar vierkante meter Frankrijk waar ik in rondreed. Als vanzelf stuurde de auto altijd richting zuiden, alsof hij naar huis wilde. Ik heb hem zijn zin gegeven.
Met vriendin naast me reden we in de zomer naar het zuiden. Maastricht, Luxemburg, Metz, Langres steeds verder naar door.
Voor het eerst in mijn leven zou ik ergens in de Provence terechtkomen. Het gevoel bij het eerste ‘Route du Soleil’-bordje kan ik me nog levendig herinneren. Ik voelde me een hele reiziger. Eindelijk zou ik dan Saint-Tropez zien, Cannes, Nice en al die andere plaatsen die ik uit films kende. We pakten wat tussenstops mee en na drie dagen kwamen we aan op de camping bij Saint-Maximin-La-Sainte-Baume.
We mochten een plekje uitzoeken en dat vonden we. Het was spartaans camperen. Geen stoeltjes of tafeltje maar wel een campinggas pitje, en heel erg warm.
Ik heb niet veel feitelijke herinnering aan die vakantie. Een paar dingen wel natuurlijk. Het dorpje was klein en mooi. De kerk prachtig, het beeld ervoor van de dichter Mistral, de winkeltjes. ’s Avonds in de pan zo’n combinatieblik couscous en dat ook nog lekker vinden. Maar wat me vooral bij is gebleven is de sfeer, de geur, het landschap, de bergen. De mensen. Ik was verkocht.
Verkocht aan de Var
Het sterkste beeld dat ik nog heb is een tocht naar de grot van Maria Magdalena in de berg Sainte Baume. De auto langs de weg en dan met de verkeerde schoenen en te weinig drinken klimmen. Lang klimmen in mijn geheugen. Af en toe een blik over de vlakte achter ons. Die schoonheid, het geel van het zand en de droogte, het groen van de bomen langs het pad, de geur van de rozemarijn, de wilde tijm, de wilde venkel, al die geuren zijn binnengekomen en nooit meer vertrokken.
Iedere rit die we maakten maakte dat ik meer van de Provence ging houden. ’s Morgens de tent openritsen en die geweldige geur opsnuiven!
Ik leerde ook de mensen kennen. De man in de campingwinkel bleek niet zozeer stug te zijn maar gereserveerd. Hij sprak alleen Frans en pas als je Frans terugsprak ontdooide hij. Een ruige kop van veel buiten in de zon zijn. Een vet accent en trots op camping en dorp.
Ik ging houden van het leven in het dorp. Formica tafeltjes met plastic tuistoelen eromheen. Niks opsmuk, gewoon een plek om te zitten. Ook geen chic diner maar lokale gerechten met de lekkerste tomaten ooit. Veel olie en knoflook. Veel lokale wijn. En ook de lokale bevolking die relaxt rondliep en te vinden was op het terras. Ik wilde niet meer weg. Van het plan om naar de kust te rijden is toen niet veel terecht gekomen. Het dorp en de omgeving waren genoeg.
Dertig jaar later
We hebben inmiddels alles bezocht in de Provence. Van Nice als heerlijke stad tot het dorpje Villecroze met dat geweldige parkje met troglodytes. Van een bedje aan zee in Sainte-Maxime tot aan de surfsfeer van het Lac Sainte-Croix. Er is zo onmetelijk veel te zien en te beleven in de Var dat je tot ver na de dood ermee bezig kunt zijn. Dat is ook mijn streven overigens.
Er is veel veranderd in die dertig jaar. Ik heb Brignoles zien afglijden tot de uitgewoonde stad die het nu is. Ik heb in het dorp winkeliers failliet zien gaan en op wonderbaarlijke wijze weer zien herrijzen met een heel ander aanbod. De groenteboer verdwijnt en een jaar later zit opeens Marie in zijn winkel met het beste fruit van de wereld. Twee van de vier bakkers zijn verdwenen en de supermarkt is ongeveer vier keer zo groot als twintig jaar geleden. Dingen hebben met elkaar te maken.
Wat is gebleven is de kern van de Var. De droge stoffige natuur in de zomer, de regens in mei en de geweldige l’été Indien in oktober. De natuur, de geuren en de kleuren, het gezoem van de insecten, het getsjirp van de krekels, de grote struiken met wilde kruiden, de rode aarde tussen de wijnranken, dat alles is niet veranderd. En iedere keer dat ik ’s morgens vroeg, stijf en vermoeid na die lange rit uit mijn auto stap ben ik weer thuis. De Var is onderdeel geworden van wie ik ben en wil zijn. Al heel lang en ooit begonnen op een camping, voor een tentje met in mijn handen een mini-pizza uit de winkel en een fles goedkope lokale wijn.
Wie wil dat nou niet?
(*) ook gepubliceerd in Côte & Provence, nazomer 2023
Toch bijna al een jaar hier niet geweest. Carcès. En hoe is dat dan?
In twee dagen hier naartoe gereden. Tussenstop in Dijon waar we met zijn drieën lekker hebben gewandeld en gegeten. (Dat eten was trouwens bij een oude ‘bouchon’ waar het eten nog was naar de receptuur van de grootmoeder. Dat klinkt heel lieflijk, maar de smaak en textuur leken alsof het al sinds het verscheiden van oma had staan sudderen).
Na veel files hier op maandag aangekomen. Alles zag er als vanouds uit. Het weer, het huis, het zwembad, het grindpad. Alles. Ok, een en ander mag intussen wel een lik verf krijgen en de tegels buiten zijn weer heel erg donker geworden, maar alles was en is ok.
Met de zoon naar de supermarkt en ook daar was alles hetzelfde. Een paar jaar geleden is die flink verbouwd en weer groter geworden. Alles kun je er krijgen en de kwaliteit is als altijd top.
Op dinsdag naar het dorp. Het rondje bakker, Bar Central en de kerk voor een kaarsje. De espresso was 10 cent duurder, €1,40, maar smaakte nog steeds hetzelfde. De mevrouw had wat wilder haar, dat was het dan ook. Alles, echt alles hetzelfde.
Het dagelijkse kaarsje
Ik vind dat constante een weldaad. Dat je een jaar weg bent geweest en alles nog hetzelfde is. Mijn leven is in het afgelopen jaar sterk veranderd. Er is veel gebeurd en ik heb ermee om moeten gaan. De wereld als geheel is nogal veranderd. Politiek, sociaal, klimaat; noem een onderwerp en er zijn (grote) verandering geweest.
Dan kom je hier en alles is hetzelfde. Dat is heel geruststellend, dat op microniveau een dorp blijkbaar heel erg langzaam veranderd. Want die verandering is er natuurlijk maar in een heel laag tempo. Als je inzoomt op mensen is dat ook zo. Zonder grote externe invloeden verandert het leven nauwelijks. Stapje voor stapje in het tempo van een schildpad.
Het dorp is daarmee een soort stiltegebied in een turbulente wereld. Zelfs God is hier niet verdwenen. De enige verandering is dat het al jaren warmer aan het worden is. Hoewel het vandaag weer lekker koel is.
Alles is dus zoals het was.
Alles? Nee, bij de bakker hielp een nieuw meisje me. Ik werd niet eens herkend. Dat was even aanpassen.