Onderstaande stellingen heb ik ooit in 1984 geschreven en daarna gepubliceerd in SOX, een blad uitgegeven door en voor studenten sociologie. Naast sociologie hield ik me intensief bezig met psychologie en filosofie. Dat is te merken. Ach ja, de jeugd, de jeugd. Overmoedig en onvermoeibaar. Veel van wat ik hier stel onderschrijf ik na 42 jaar nog steeds. En dat vind ik mooi en waardevol.

  1. De mens is het middelpunt van het heelal en tevens de maat van alle dingen. Dit ontkennen levert problemen op t.o.v. de eigen identiteit. Om te overleven moet men zichzelf als hoogste goed beschouwen.
  2. Hetgeen niet betekent dat de mens, als maat van alle dingen, alle dingen ook kent. Het kennen is iets waar eenieder zich sinds het begin van het denken mee heeft beziggehouden.
  3. In het proces van het kennen zijn 2 begrippen van belang: object of subject. Spreken over kennen sluit al de vraag uit of het subject tot kennen van het object in staat is. Het veronderstelt dit.
  4. Object is datgene dat wij als levenloos ervaren respectievelijk betitelen, subject is datgene dat tot kennen in staat zou zijn. Er bestaat een wisselwerking tussen deze twee: het kenproces.
  5. De mens is geen tabula rasa: ons kennen wordt beïnvloed door eerdere ervaringen, ook door datgene we sociaal milieu noemen. Het vormt een manier van kijken naar en in de wereld: in deze zin is ieder kennen en daarmee iedere uitspraak subjectief.
  6. De genezen krankzinnige is in zijn kennen gelijk een palimpsest.
  7. Ieder kennen is uniek en toch overdraagbaar en mededeelbaar. Dit vermogen tot mededeelbaarheid stoelt op de wortels van de mensheid: de mens is een sociaal wezen.
  8. Ieder kennen vindt zijn oorsprong in de wereld van de objecten: daarmee ‘bestimmt das Sein, das Bewußtsein’.
  9. De wereld zonder kennend subject is van generlei waarden. Een boom is van geen enkel belang zonder subject dat datgene hij ziet de naam ‘boom’ geeft.
  10. Met het geven van namen aan objecten is communicatie begonnen. Daarin schuilt ook het vermogen tot overdraagbaarheid.
  11. Zolang iedereen het erover eens is dat ‘iets’ met een blad en vier poten een tafel wordt genoemd is er niets aan de hand.
  12. Men behoort in de wereld der objecten te onderscheiden tussen natuurlijke objecten en artificiële objecten. De laatste zijn door tussenkomst van een subject tot stand gekomen: meer en meer nemen zij de plaats in van de natuurlijke objecten. In dit zin leven wij in een toenemende artificiële wereld.
  13. Door het kennen vindt een proces plaats van zingeving: het produceren van artefacten is zingeving die voorafgaat aan het kennen van het eindproduct.
  14. Aangenomen dat begrippen artificiële objecten zijn, aangenomen dat – dus – de zingeving heeft plaatsgevonden: kunnen we nadenken over de sociale werkelijkheid.
  15. Iedereen is het er bijvoorbeeld over eens dat een object ‘rood’ is (kleurenblinden en andere devianten uitgezonderd). Dat dat zo is, wil niet zeggen dat dat object ook ‘rood’ is.
  16. ‘Is’ is hier opgevat als een wezenlijk bezittend deel van identiteit van het object: we zitten ernaast. Een ‘rood’ object ‘is’ allesbehalve rood.
  17. Waar we het dus over hebben is de negatie van dat rode object, voorzover de kleur van belang is. We synthetiseren onze waarneming, datgene we al weten en datgene we wenselijk vinden, tot een bepaalde uitspraak: we communiceren.
  18. Taal stoelt op afspraken.
  19. De sociologie doet uitspraken over de sociale wereld. Nu is de wereld altijd al onderwerp van denken geweest. Soms verklaard aan de hand van een of meerdere goden, soms door zelfstandig na te denken. De laatsten werden door de eerstgenoemden verbrand.
  20. Geloof is geworteld in een afwijzing van actief kennen.
  21. Sociologen doen uitspraken over de sociale wereld. Natuurlijk kent iedereen de Elfde These ad Feuerbach van Marx, maar niet iedereen heeft deze serieus genomen.
  22. Sociologen die ook nog docent zijn, doen de student gaarne geloven dat zij een objectieve wijze van kennen hebben veroverd. Tenslotte zijn zij al jaren bezig. Studenten op de eerste twee rijen nemen dat voetstoots aan. 
  23. Natuurlijk: iedereen is al jaren bezig maar niet iedereen heeft sociologie gestudeerd. Sociologen wel en die hebben dus een streepje voor: het autoriteitsargument.
  24. Wij moeten ervan uitgaan dat zij die al klaar zijn met hun studie, ook niet weten van kennen precies inhoudt. Ook zij zijn subjectief: zij het met meer kennis en daarmee dus nog meer vertekend.
  25. Wij moeten meer leren dialectisch te kijken naar degenen die ons een spiegel voorhouden. Het is hún spiegel: welk belang hebben zij bij die spiegel?
  26. Wat is hun kennen meer dan dat van ieder ander, versluierd in terminologie, jargon en begrippen. Zo’n begrip is INTERSUBJECTIVITEIT. ‘Objectiviteit’ durft men niet te gebruiken, men bedoelt hetzelfde.
  27. Intersubjectief is men het erover eens dat een groene auto groen is. Zeker. Met een groene auto is nog geen revolutie begonnen of tegengehouden. Intersubjectief is iedereen het erover eens dat ‘we allemaal moeten inleveren’. Het ene subject zit hier duidelijk in een betere situatie dan het andere subject.
  28. Het terrein van de filosofie en de sociologie is bezaaid met het kruid genaamd ideologie. Pogingen dit veld om te ploegen en nieuw vooruitstrevend zaad te strooien hoeven niet tevergeefs te zijn. Integendeel.
  29. Een opening zal van waarde zijn als deze natuurlijk is; een kunstmatige opening heeft ook zeer grote verdiensten.
  30. Stellingen dreigen aan deuren genageld te worden.