Een liberale socialist.

Wat momenteel in Den Haag gebeurt stemt me heel droevig. De meeste moeite heb ik met de VVD. Hoewel ik nooit VVD stem, heb ik het wel altijd een fatsoenlijke partij gevonden. En een belangrijke. Het liberalisme gaat ver terug in Europa en op die erfenis is veel goeds gebouwd. Te zien hoe Yesilgöz, met instemming van de gehele fractie, die erfenis te grabbel gooit opdat met aan de macht kan komen vind ik echt stuitend. Voor mij is de VVD een intens onfatsoenlijke partij geworden. Volstrekt niet meer de moeite waard. Extreem rechts aan de macht helpen maakt jou extreem rechts. De VVD als liberale partij is opgehouden te bestaan. Weg.

Ik ben liberaal

Ik geloof ten diepste dat ieder individu verantwoordelijk is voor de manier waarop hij/zij het leven vormgeeft. Wat de omstandigheden ook zijn: de manier waarop je die omstandigheden een plek en betekenis geeft in jouw leven is jouw werk. Van niemand anders. De mens is veroordeeld tot die vrijheid en kan zich nergens achter verschuilen. Niet achter een geloof, een opvoeding, een karakter, een dominante moeder, opleiding. Jij en alleen jij maakt je leven.

Dat de overheid daarin zeer terughoudend moet zijn spreekt voor mij voor zich. Iedere overheid categoriseert en is als systeem dodelijk voor de individualiteit. Wil je als mens een plek hebben binnen de systeemwereld van de overheid, dan zul je je eigenheid moeten opgeven. Er is geen ruimte voor individuen, in het beste geval behoor tot een heel kleine subcategorie. Een individu ben je nooit.

Als ik in Frankrijk in mijn dorp rondloop zie ik Liberté, Égalité, Fraternité boven de deur van het Hôtel de Ville staan. Precies die drie woorden zijn voor mij leidraad in het bestaan. Mensen worden gelijkwaardig geboren, moeten vrij zijn in hun handelen en denken en -zoals The Social Hub zegt- ‘everybody should like everybody’. Zie het als een ideaalbeeld voor een samenleving van vrije individuen die in hun vrijheid hun leven en omgeving kiezen. Negatieve vrijheid: laat me met rust en ik ben gevrijwaard van iedere dwang. Positieve vrijheid: ik kan maken van mijn leven wat in mijn vermogen ligt.

De mens is wat hij doet en moet met rust worden gelaten. De staat heeft daar niets te zoeken. Daarom ben ik liberaal.

Ik ben socialist

Vrije mensen zullen altijd hun eigen maximale nut nastreven. Voor de een is dat maximale nut uit te drukken in geld, voor de ander in macht. Omdat mensen wel gelijkwaardig geboren worden maar niet gelijk zijn zullen er ook altijd verschillen tussen mensen ontstaan. Dat is op zich niet erg. Dat er verschillen zijn maakt het leven tot een feest.

Maar het is niet alleen mooi. En hoewel ik zelf een voorbeeld ben van het tegendeel is het moeilijk van een dubbeltje een kwartje te worden. Die maatschappij waarvan de liberaal in mij zegt dat die een optelsom van individuen is, is erg weerbarstig. Geboren worden in een bepaald milieu is vrijwel zeker een determinant voor de rest van je leven. Als je wilt weten welke plek iemand gaat innemen in zijn leven, moet je kijken naar de ouders. Dat wordt het dan ook ongeveer.

Dat betekent dat er niet één maatschappij is, maar meerdere naast elkaar. De vrije mens is dus helemaal niet zo vrij, maar gegrond in zijn komaf. En waar ik vind dat men die komaf nooit kan gebruiken als reden om iets te doen, vormt diezelfde komaf de lens waarmee men de wereld bekijkt. In een arm gezin geboren zal de wereld een onvoorspelbare wereld zijn, waarin armoede altijd op de loer ligt. Je automatische piloot is sociaal gefundeerd, je blik op en uitleg van de wereld is gefundeerd in je opvoeding, je eigen cultuur, je omgeving et cetera. Je hele leven overigens. Zit je aan de onderkant van de samenleving dan leef je minder lang en je brengt meer jaren door in slechte gezondheid.

En omdat dit zo breed en gelijkvormig is, lijkt er iets te bestaan dat geheel losstaat van individueel handelen. Zie het als taal: die is er voor je geboorte, je spreekt hem en na je dood is die taal er nog steeds. De taal van en voor de een is zeker niet de taal van en voor de ander.

Het woord van Brecht geldt nog steeds („Denn die einen sind im Dunkeln Und die anderen sind im Licht. Und man siehet die im Lichte Die im Dunkeln sieht man nicht.“) en het is broodnodig aandacht te besteden aan hen in het duister. Willen we een fatsoenlijke samenleving zijn dan moeten we erkennen dat niet iedereen mee kan komen, dat niet iedereen dezelfde kansen heeft. Dan zullen we voor elkaar moeten zorgen. Omstandigheden creëren waarin mensen verder kunnen, vrij kunnen zijn van armoede en achterstelling.

Daar is een staat voor nodig. Juist dan is het systeem perfect: zonder onderscheid op individueel niveau kunnen groepen worden geholpen om verder te kunnen. De ideale staat heeft een visie op mensen waarbij men bijstuurt en faciliteert om het mogelijk te maken dat mensen meer vrijheid hebben én voelen om zich te ontwikkelen.

De mens is sociaal gegrond en moet geholpen worden om verder te kunnen komen. De staat heeft daar veel te zoeken. Daarom ben ik socialist.

Een liberale socialist

Laat je de wereld over aan liberalen dat leven mensen in onbekommerde vrijheid als zij zich dat kunnen veroorloven. Geen staatsinmenging, vrije burgers waarbij er wel eens een of meer van de kar vallen. Jammer. Je bent immers zelf verantwoordelijk voor de kar. Liberalen zijn goedgemutst met een grote blinde vlek voor hen aan de onderkant.

Laat je de wereld over aan socialisten dat zal de overheid zich met alles bemoeien. Veel regels en vooral veel normatieve opvattingen: goed en slecht zullen de bron zijn voor beleid. De onderkant zal zich kunnen verheffen maar ook onder curatele komen.

Waar liberalen bevrijden en verwaarlozen, zullen socialisten ondersteunen en afhankelijk maken.

Ik wil een samenleving waarin mensen bevrijd zijn van ketenen en beperkingen én waar we goed voor elkaar zorgen, elkaar helpen. Niet (alleen) op individueel niveau maar vanuit de staat: een verdelende rechtvaardigheid.

Toch even politiek. Het is niet anders.

Het lijkt allemaal zo simpel: voor complexe problemen zijn er twee routes. De eerste is ontkennen dat er een groot probleem is. Klimaat verandert nou eenmaal altijd en het valt nu wel mee en zo erg is het niet en we bestaan zelf voor 99% uit stikstof. De tweede route is een heel simpele oplossing verzinnen voor een zeer complex probleem. Ter Apel loopt over en dus gooien we de grenzen dicht.

Interessant is dat beide routes niets veranderen aan de werkelijkheid.

Je kunt ontkennen wat je wilt, maar de grote meerderheid van mensen die ervoor hebben doorgeleerd geeft toch echt aan dat er een klimaatprobleem is. De aarde warmt op, het klimaat verandert eigenlijk overal en de mens is de oorzaak van dat alles. Ontkennen heeft dan iets kinderachtigs. De koekjestrommel is leeg en jij houdt vol dat dat altijd al zo was en trouwens je kreeg de deksel maar heel moeilijk open.

Je kunt simpele oplossingen suggereren wat je wilt, maar de werkelijkheid verandert daar niets mee. Je kunt iedere grens dicht willen gooien maar dat kan niet eens. Het kan fysiek niet, er is gewoonweg teveel grens, en het kan juridisch niet. Je moet mensen opvangen. Dit soort oplossingen vormen nooit een oplossing. Complexe problemen vergen complexe oplossingen, die tijd, geld en aandacht vragen.

De vier partijen die aan tafel zitten maken zich schuldig, onder andere, aan beide simplificaties. Nu al is te voorspellen dat geen van hun voorstellen ooit werkelijk beleid gaan worden. Zoals die schattige lieve Lientje stelde: je mag wensdenken omdat je hoopt dat je wens uitkomt. Zoals dat Brussel alle beleid gaat aanpassen aan de wensen van dit narrenschip.

De insteek van deze vier partijen is dan ook helemaal niet fatsoenlijk beleid maken. Geheel niet, zelfs.

Wat is de insteek wel?

Zoveel onzin schetsen dat het onuitvoerbaar wordt. De EU zal dwarsliggen, Nederlandse rechters zullen dwarsliggen, beoogd beleid zal door ambtenaren ter discussie worden gesteld, et cetera. Dat weet men allang. En toch gaat men ermee door. Waarom dan eigenlijk?

Heel simpel. Je kunt dat het linkse establishment de schuld geven dat zij het Nederlandse volk in de steek laten. Dat de elite er alles aan doet om te zorgen, dat door iedereen gewilde maatregelen niet door kunnen gaan. Dat D66-rechters de politiek dwarsbomen. Dat ‘zij’ in Brussel Nederland niet eerbiedigen. En cetera, enzovoort.

Er komen dan nieuwe verkiezingen en bruin wordt nog groter dan het nu al is.

Dat scenario ligt bij ieder van de vier op tafel. Nu breken leidt zeker tot zetelverlies en dus zal geen van de vier breken. Dan maar dit, dan kun je anderen de schuld geven en dan kun je ook verontwaardigd zijn. Tegengewerkt worden wil niemand en die boosheid zal het Nederlandse volk zeker herkennen. Schande. Hier heb je mijn stem.

Het zijn duistere tijden waarin we leven. Ik ben niet optimistisch.

Astma, een leven met astma.

Zo tussen mijn vierde en veertiende jaar was ik ziek. De helft van de tijd was ik thuis. Piepend, zagend, naar adem happend. Onze huisarts, dokter Ogterop op de Sweder van Zuylenweg op Zuilen, Utrecht, was een heer van stand die op zijn fiets naar je toe kwam. Op ziekenbezoek. Tien jaar lang ben ik behandeld voor iets wat ik niet had, waardoor er geen enkele vooruitgang geboekt werd. Ik bleef thuis.

Ik ging weinig naar school, ik sportte nooit, zat niet op schoolzwemmen. Iedere inspanning moest ik bekopen met een aantal dag rust.

Toen ik veertien was werd onze huisarts zelf ziek. Er kwam een vervanger, een jonge vent. Die luisterde naar mijn longen, sprak met me en zei ‘je hebt astma’. Hij verwees me naar een longarts op diezelfde Sweder van Zuylenweg, maar dan een paar huizen verderop. Ik deed een longinhoudtest en het resultaat was dat ik anderhalve liter longinhoud bleek te bezitten. Prima voor een muis maar ernstig voor een jongen van veertien. Ik kreeg een nieuw medicijn, Lomudal, en ging dat dagelijks gebruiken. Een smerig soort poedertje dat je diep moest inhaleren. Erbij kreeg ik Bricanyl-tabletjes als het heel erg was. Als ik die nam kon ik niet eens meer schrijven, zo trilde ik.

Na een half jaar was mijn longinhoud bijna zes liter.

Die tien jaar hebben mijn leven bepaald. Ik vertrouw wel op mijn hersenen, niet op mijn lichaam. Als ik een moeilijk boek pak, zeg van Heidegger, dan begin ik daaraan in de overtuiging dat me dat gaat lukken. Ik lees nog steeds twee boeken per week. Ik lees alles en vergeet niets. Als ik moet kanovaren dan zinkt de moed me in de schoenen. Ik zal zeker en vast omslaan, en dat doe ik dan dus ook. Alleen kickboksen bak ik wat van. Vind ik zelf.

Ik heb in die jaren alleen mijn verstand getraind en verder niet zoveel.

En nu?

Tja, nu ben ik een middelbare man met astma. Al mijn hele leven heb ik dat dus. Het hoort bij mijn zijn. Ik kan me geen leven zonder voorstellen. Als ik het benauwd heb ga ik oppervlakkig ademen. Ik hoor dan mijn moeder in mijn oor die zegt ‘wat piep je, gaat het wel goed?’ Dat wil ik niet meer horen dus onderdruk ik mijn gepiep. Soms, het komt altijd ’s nachts, word ik wakker van mijn eigen gepiep. Dat is heel vertrouwd en zorgelijk. Ik haat mijn piepen. Mijn lichaam laat me dan weer in de steek en mijn teleurstelling is enorm. Ik wil een lijf dat er is, dat het doet, een lijf waarin ik veilig kan wonen. En soms heb ik dat niet.

Je kunt oud worden met astma. Ook heb ik ooit, kinderlijk, gedacht dat ik geen enkele andere nare ziekte kan krijgen omdat ik al astma heb. En er zijn ziekten die veel naarder zijn dan gewoon astma.

Je kunt het doorgeven. Het gevolg is dat mijn beide zonen ook astma hebben. Een puffende familie. Maar geleerd van mijn eigen leven, heb ik direct actie ondernomen toen ze nog heel jong waren. En sindsdien gebruiken zij goede medicijnen waardoor ze er nooit last van hebben.

Dus leven met astma gaat prima. Op sommige dagen na dat je ondanks alles medicatie er toch last van hebt. Ook dat gaat weer over waarbij je hoogstens een paar dagen moe bent. Dat is het dan ook.

Soms let ik niet op en puf al twee weken met een lege puf. Gebeurt me eens in de zoveel tijd. Dat merk ik snel genoeg. Gierend naar bed en fluitend de dag door.

Astmalijders zijn vrolijke types.

Psychiatrie als verlokking

In een diep verleden stuitte ik op een boekje over Freud. Ik zal een jaar of 15 zijn geweest en liep zoals altijd in Utrecht alle boekhandels af. Ook De Slegte, toen nog een geweldige winkel aan de Oudegracht. Het was een biografie meen ik en ik las het in een paar dagen van kaft to kaft. Niet dat ik alles begreep, maar wat ik wel begreep: deze man had enorme impact gehad op ons denken over de mens. Het onbewuste, het geweten, het Es, de omgang met taal, dromen: in ons denken zijn we doordesemd door Freud. Zonder dat nog te weten.

Een paar jaar later studeerde ik psychologie (en nog het een en ander) en kon me verder in zijn werk verdiepen. Ik kreeg namelijk een achtergrond en begrippenkader waarmee ik een en ander kon duiden.

Het is net als met bijvoorbeeld filosofie: je moet de filosoof begrijpen in zijn tijd als onderdeel van de geschiedenis van de filosofie. Waarom zegt A dit en dat? Waar is het een reactie op? Zo begon ik ook Freud te begrijpen.

Waar ik nog het meest van onder de indruk was, was zijn moed. In alle voorzichtigheid durfde hij dingen te poneren (bijvoorbeeld over dromen) die onwetenschappelijk waren. En toch poneerde en onderzocht hij ze. Daar is durf voor nodig. Freud had durf.

Onlangs was ik in Wenen en ik had me voorgenomen naar Berggasse 19 te gaan. Het oude woonhuis van Freud.

We vertrokken te voet uit het hotel en Sam wees de weg. Feilloos kwamen we uit in de Berggasse. Nummer 33 zag ik staan. Bij mezelf merkte ik een lichte opwinding: ik ging het huis van Freud bezoeken! Na zolang ging het gebeuren.

Bij nummer 19 gingen we naar binnen en ik keek mij ogen uit. Inmiddels ken ik zijn werk vrij goed en hoefde ik niet iedere uitgave te bekijken en over te lezen. Ik keek mijn ogen uit naar de kamers (waar vrijwel geen meubels staan. Die staan in Londen), naar het uitzicht uit de vensters, zijn uitzicht. Naar de verschillende overgangen van kamers, van huis- naar behandelkamer. En ik wist dat hij daar ook had gelopen, zo’n 90 jaar geleden nog.

Gebruiksvoorwerpen vind ik het meest interessant: zijn pen, zijn bril, het briefpapier.

Ik heb me ondergedompeld in sfeer en ruimte. Het was prachtig. Meer dan dat. Het was onvergetelijk.

Ik ben nooit terechtgekomen in de psychiatrie en ik ben ook geen praktiserend psycholoog. Voor het begrijpen van de mens, van zijn driften en verlangens, van zijn woede en liefde en ook voor het begrijpen van het onbehagen in onze cultuur blijf ik teruggrijpen op Freud. Zijn psychiatrie is een grote verlokking.

4 mei, een schuldige dag

Dodenherdenking is voor mij altijd een bezoeking geweest. Ik daar eerder over geschreven. De oorzaak daarvan was het oorlogsverleden van beide ouders, waarbij dat van mijn vader de meest prominente rol vervulde.

Niet door erover te praten, maar door erover te zwijgen. En dan vooral rond deze dagen in mei.

Een zwaar zwijgen. Rondlopen, ijsberen, slapeloosheid, geprikkeldheid en ook een overlopende emotionaliteit. Alles bij elkaar maakte dat deze dagen voor mij eerst onbegrijpelijk, daarna verwonderlijk en toen ik eenmaal wist wat hij had doorstaan begrijpelijk en zwaar. Vol liefde en deemoed kijk ik nu terug op al die jaren.

Achtenveertig jaar heb ik meegemaakt hoe de oorlog mijn vader had beschadigd. En soms zei hij iets over het kamp. Dat het er veel erger was dan hij ooit zou kunnen vertellen. Dat de wreedheid ondenkbaar groot was. Dat hij moest toekijken terwijl zijn kameraad werd doodgeslagen door teveel Duitsers om er iets aan te kunnen doen.

4 Mei is voor mij een heel belangrijke dag. Een stilte, een pauze in het leven van alledag waarin ik, waarin we weer even stilstaan bij onze ouders, opa’s en oma’s, bij alle Sinti en Roma, alle homoseksuelen, alle Jehova getuigen en bij zes miljoen keer één Jood die allen zijn vermoord op een rationele, fabrieksmatige manier met maar een doel: deze ‘rassen’ en ‘ongewensten’ van de aardbodem verwijderen.

Er is nu commotie over 4 mei. Die is er al jaren en daarin heb je de rekkelijken en de preciezen. Die laatste groep wil dat 4 mei alleen gaat over de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog in Europa. De rekkelijken vinden dat ook Indiëgangers en gevangenen moeten worden herdacht en uiteindelijk iedere Nederlander die in een oorlogssituatie het leven heeft gelaten.

Die rekkelijkheid is heden te dage nog veel te smal en precies. De vraag die er nu is of er niet ook moet worden stilgestaan bij óf 7 oktober 2023 óf Gaza óf beide. En daar houdt de rekkelijkheid dan weer wel op, want het gaat niet over Soedan, Congo, Myanmar en noem maar op.

Was Dodenherdenking een plechtig, statig, mooi en ontroerend moment in het jaar, door deze discussies en de felheid waarmee het debat wordt gevoerd is 4 mei een dag van exclusie, van uitsluiting geworden. Een dag van pijn voor hen die hun groep niet herdacht zien worden. De vierde mei is een schuldige dag geworden.

Men mag erover denken zoals men wil, want dankzij mensen zoals mijn vader zijn gedachten geheel vrij in Nederland, zelfs als je ze uitspreekt. Wat ik ten diepste voel is een afkeer van, wat ik maar noem, het podium pakken voor het eigen gelijk zonder te denken over de consequenties daarvan op een bestaand ritueel. Want een ritueel is het, de Dodenherdenking. Een heilzaam ritueel.

Het is me ontnomen.

Zomaar parkeren in de Provence

Met ‘in de Provence’ bedoel ik de Var, en nog preciezer het mooie dorpje Carcès. Al 22 jaar komen we hier en loop ik door het dorp. ‘s Morgens een wandeling naar de bakker, het café en daarna naar de kerk om een kaarsje op te steken.

Gedachteloos. Lijkt het.

Ik heb natuurlijk oog voor nieuwe en vertrokken winkeltjes, voor de mensen op het terras (zo heb ik de plaatselijke Steven Seagall al een tijdje niet gezien) en voor de mooie plekken. Het middeleeuwse dorp is prachtig. Duizend jaar oud is het. Ook de natuur is prachtig. De place Confluence waar de Caramy en de Argens bij elkaar komen.

Ook ben ik erachter gekomen dat de route die ik altijd volg een stukje is van de Route de Compostella, waarmee ik in 22 jaar zo’n kleine 1200 kilometer van die route heb gelopen.

Ik let op de namen van de straten: Foch (maarschalk), Fournery (schilder), Lone (stilstaand watertje) en de Rue de l’Horloge die inderdaad bij de klok aan het centrale pleintje uitkomt.

Parkeren doe ik ook al 22 jaar op dezelfde plek: de Place Respélido. Op de foto is die vanaf de zijkant gefotografeerd. Nauwelijks zichtbaar door het groen. Als er geen kermis, geen Grand Aïoli of geen markt is, kun je hier makkelijk parkeren. Tegenwoordig zijn er zelfs twee oplaadpunten. Het dorp gaat mee met de tijd.

Vanmorgen vroeg ik me af waar die naam vandaan komt. Ik dacht dat het een familienaam was of iets dergelijks. Nooit over nagedacht en nu opeens wel. En wat blijkt?

Respélido is provençaals voor opstanding, wedergeboorte! Wat mooi. Het is gebruikt door de dichter Frédéric Mistral (lo respelido pèr la restauracioun de la lengo naturalo e istourico dóu païs) bij de aanvaarding van zijn Nobelprijs in 1904. Mistral wilde de eigen taal weer een prominente plek geven in onderwijs, in het openbare leven et cetera. Dat is niet echt gebeurd.

Maar hier ben ik, en dat na 22 jaar. Ik kende Mistral al wel, probeer zelfs stukken provençaals te lezen als ik het tegen kom, maar dit heb ik niet eerder geweten. Er is natuurlijk oneindig veel dat ik (nog) niet weet. Sterker: ik weet meer niet dan wel.

Mijn advies is dus: goed om je heen kijken en je altijd afvragen wat iets betekent of waar het vandaan komt. Mag ook morgen of nog veel later. Als je het maar doet.

Overigens staat in het mooie dorpje Saint-Maximin-la-Sainte-Baume een buste van Mistral, bovenop een fontein. Symbolischer kan bijna niet.

Blijf vragen, vooral blijf jezelf bevragen.

Lege dorpen in Frankrijk

We kennen ze allemaal: lege dorpen in Frankrijk. Je rijdt over een RN richting een stadje en je komt door een lange reeks Buffalo Grill’s, Kyabi’s, Leclercs enzovoort. Kilometers soms, aaneengeregen blokkendozen met enorme parkeerplaatsen er omheen.

Handig, denk je dan, alles bij elkaar. Tot je in het stadje zelf komt en er een leegte gaapt. Nauwelijks nog winkeltjes, misschien een met toeristenmeuk of een bakker. Als ook de bakker is vertrokken dan weet je dat je in een dood dorp bent aangekomen.

Ik zit nu ook in een leeglopend dorp, Val Thorens.

Normaliter zijn we hier zo’n zes weken eerder maar het is niet anders. We zijn er nu. Het sneeuwt al dagen onafgebroken. De pistes zijn goed begaanbaar en er zijn niet miljoenen skiërs aan het afdalen. Het is aangenaam rustig.

En als je dan hier rondloopt valt op dat er al heel veel dicht is. Zelfs de markt bestaat uit drie kraampjes. Ik praat met mensen hier en die zeggen allemaal hetzelfde: nog twee weken en dan is het gebeurd. Dan sluit het hier echt. Ik schat dat ongeveer 80-90% van alle mensen die hier werken import zijn. Het betekent dat over een maand dit dorp leeggelopen is.

Wat blijft is een aantal supermarktjes waar je vers brood kunt kopen en gewonen levensmiddelen. Veel mensen zullen hier niet achterblijven.

Ik kan me voorstellen dat in de zomer het weer wat drukker wordt met wandelaars enzo. Veel zullen het er niet zijn. Althans niet zoveel als wintersporters.

Hier in de bergen geen blokkedozen met grote winkels. Wel onderaan de bergen in Moutiers. Hier vooral dorpjes met een functie: accomoderen van wintersporters.

Voorbode van toenemde leegte: Dutch week. Dat is komende week en dan komen Frans Duits en alle B-schnabbelaars hier naartoe om nog een keer met een grote snik het seizoen uit te luiden.

En dan, na die emotionele oprisping, zal Val Thorens imploderen tot wat het eigenlijk is: een snelweg met hotels eraan.

Sneeuw in Frankrijk in april

Het is eind april, en terwijl ik dit schrijf lees ik een bericht over hagel in Nice. In april. Nu heb ik al veel meegemaakt in deze tijd, maar dit is best uitzonderlijk.

In de Provence zijn deze maanden (maart, april en mei) vaak nat. Ik herinner me de weken in mei in Carcès dat het dag in, dag uit regende. Groeizaam weer.

Waar ik nu ben is het niet echt groeizaam. Het sneeuwt al drie dagen. De laatste 24 uur zo’n 20 cm.

Waar ik ben? Val Thorens, op 2300 meter hoogte.

Toen we aankwamen was het prima weer. Het gezin plus aanhang ging ski’s en schoenen huren en de volgende ochtend om 9 uur ging iedereen de piste op. Vriendin van zoon in een klasje en de rest ging er vandoor. Ik niet. Ik ski niet. Wat geen enkel probleem is want wat is het lekker om in de kou rond te lopen. Te genieten van de sfeer, de kou en de geur van sneeuw. Ik kan het iedereen aanraden. Wintersport is mooi, ook als je niet meedoet. Ik heb hier al eens over geschreven.

Andere jaren waren we hier eerder, maar het is niet anders dan dit. Laat in het seizoen genieten van dit mooie land. Volgens de skiërs sneeuwt het teveel en te hard maar ze zijn wel de hele dag op pad.

Ik lees, ik ga naar de gym, ik ga het dorp in. Dat dorp is niet heel veel hier. Je bent er in een kwartier doorheen en waar ik normaal op een terras geniet van een glas wijn, gaat dat nu niet door. Het is 7° onder nul en het sneeuwt inderdaad de hele dag.

Doet er niet toe. De baguettes zijn weer top, de mensen zijn relaxed en vriendelijk en in het appartement is een goede keuken. Vanavond cassoulet en een mooie wijn.

Ik weet werkelijk niet wat de mens nog meer wil.

XR en mevrouw Yesilgöz

Dus onze Minister van Justitie vindt de aankomende actie van XR op de A10 op Koningsdag vermoeiend en het leidt nergens toe. Ze snapt er helemaal niks van.

Dat de opvolgster van Rutte er helemaal niks van snapt is voor mij geen verrassing. Ze is inhoudelijk en ook moreel een leeg mens. Een Niets.

Maar dat zij verontwaardigd doet over XR dat met het klimaat bezig is, is wel opmerkelijk.

Al maanden zit zij in de ballenbak van Ikea te praten (doen zij dat?) met een extreem-rechtse rancuneuze geborneerde hater, een nepboerin die nog steeds niet doorheeft dat politiek belangrijk is en dat je dus niet wegkomt met verjaardagsgeleuter (‘oh, joh, dat is tante Nel. Die babbelt gewoon altijd dom. Gewoon zoen geven en niet naast gaan zitten!’) en een beancounter met faalangst en een neurotische hang naar details en wantrouwen.

Al maanden zit mevrouw Y te praten over de ‘tsunami’ van buitenlanders en het weer invoeren van 130 km. Vier maanden al! Vier.

Mevrouw Y is tot werkelijk niets in staat, behalve de hele dag misprijzend kijken en anderen de schuld geven van wat dan ook. Ook als er niets gebeurt, dan nog is het de schuld van een ander.

Er is oorlog, er is een verhoogde kans op terrorisme, er komen europese verkiezingen waar de bruine horde 25% van de zetels kan krijgen, er is een klimaatcrisis, er is een woningtekort, er zijn wachtlijsten, et cetera, enzovoort.

Maar mevrouw Y heeft de fascisten een plek op de eerste rij bezorgd en praat met meneer Wilders al maanden over twee dingen. Verder niets.

En die mevrouw Y veroordeelt de aankomende demonstratie van XR, die het klimaat op de eerste rij willen hebben. En niet Mussolini met (blond) haar.

Mevrouw Y is een nuttige idioot die de VVD, ooit een respectabele partij, volstrekt naar de verdoemenis helpt.

Afkicken

Maanden geleden heb ik besloten niet meer in de auto naar de radio, Radio 1, te luisteren. Ik was een echte verslaafde. Als ik om 07.45 in mijn auto stapte luisterde ik een uur naar de radio. Naar huis, idem. Als ik een keer, redelijk vaak, van Amsterdam naar Apeldoorn moest luisterde ik radio. Gewoon altijd. En altijd radio 1.

En toen opeens ben ik gestopt. Nou ja, vrijwel. Ik luister nog altijd naar ‘Met het oog op morgen’ om bijgepraat te worden. Het einde haal ik meestal niet.

Ik ben naar podcasts gaan luisteren. Filosofie, wiskunde, geschiedenis et cetera. Heerlijk. Over Habermas, Sartre, WO2, Euler, Foucault en Beauvoir. Maar ook bijvoorbeeld over Nussbaum, die ik nauwelijks kende.

Om bij te blijven lees ik de krant. Het voordeel daarvan is dat er geen hijgerigheid in zit. Althans, als je de juiste kranten leest, in mijn geval De Volkskrant en Trouw. Alle ophef over de volstrekte amateurs die in Den Haag een beetje zitten te lullen terwijl er ergens dichtbij oorlog is, leest de dag erna meer als een psychiatrische casestudy dan iets om opgewonden over te worden.

Mijn leven is veel relaxter geworden.

Ik kan het iedereen aanraden.