Goed eten in Frankrijk? Waar dan?

Heb je een stuk of tien adressen in de Var waar je graag eet? Dat was de vraag die ik kreeg van de hoofdredacteur van Côte & Provence, een mooi blad waar ik correspondent voor ben. Zo een stuk of drie opnoemen lukte me direct, maar tien? Ik dacht dat het moeilijk zou zijn. Zeker, een mens gaat uit eten en je kunt zo tien restaurants noemen, maar dat wilde ik niet. Dan noem je gewoon het laatste waar je gegeten hebt. Maar daar ging het natuurlijk niet om.

Ik vroeg me af: Welke restaurants hadden een blijvende indruk achtergelaten?

Er kwam er een als eerste in me op overigens. Een hamburgertent in ons eigen dorp op een van de pleintjes: Méli Mélo heet het volgens mij. Onvergetelijk, zo slecht heb ik echt nog nooit een hamburger gekregen. Vet, smakeloos, een pond gesmolten kaas en een broodje zoals ik dat niet kende in Frankrijk. We waren met zijn drieën en ieder bestelde een andere variant. Dat had niet gehoeven. We kregen hetzelfde. Het toilet was die nacht een goede vriend.

Al etende leverden we commentaar op het eten en het publiek. Het zou niet meer goed komen tussen ons en dit tentje. Naast ons zat een oude man ook een burger weg te happen, met veel bier erbij. Hij stond op en zei ons in het Vlaams gedag en wenste ons een fijne avond. Al ons gemopper had hij woordelijk meegekregen. Dat was wel een leuke afsluiter.

Maar dat wilde ik niet: nare ervaringen delen. De vraag was dus een andere.

Waar had ik top gegeten, waar misschien gemiddeld maar in een mooie ambiance? Waar waren de leukste mensen? Enzovoort.

Ik ging er eens goed voor zitten en ik kwam tot vijftien restaurants. Vijftien. 

De eerste vijf waren simpel want top of mind. Een sterrentent, een aan zee, een waar ik tussen de wijnranken zat. En als je dan eenmaal bezig bent en langzaam weer voelt hoe het is om in Frankrijk te zijn, weer de lome avonden voor je ziet, dan komen veel dingen boven. Herinneringen komen altijd via de achterdeur. Die stond opeens helemaal open.

Goed, vijftien restaurants dus.

Ik zal ze hier alle bespreken met iets meer achtergrond dan in het artikel, want daar kon ik niet alles in kwijt. Voor wie het lezen wil en voor wie wellicht een leuke tip zoekt. Zoals gezegd, van schreeuwend duur tot goedkoop. Maar alles memorabel.

Het eerste restaurant dat ik bespreek zit gewoon op loopafstand van ons dorp: Picotte Provence. 

Tot de volgende keer!

Kunnen we bouwen op de gemeente?

2025 zonder Kerststal?

Vijftienhonderd mensen hebben weer genoten van de Levende Kerststal 2024 in de Dieptetuin. Jong en oud, alle gezindten en alle achtergronden bij elkaar! Prachtig was het weer.

Naast alle fantastische vrijwilligers had ik ook een rolletje als voorlezer van het Kerstverhaal bij de stal. Dat gaf mij de kans alle kinderen te zien die ademloos luisterden en vooral keken naar de Drie Koningen, Jozef, Maria, en opgingen in het verhaal. Ik zag hoe mooi en hoe druk het telkens weer was. Ook de tent van Dickens zat steeds tjokvol. Na afloop was het enorm druk bij de Kate, waar men nog een warm drankje kon nuttigen.

De donaties waren ook boven verwachting. Meer dan een euro per bezoeker gemiddeld.

En daarmee kom ik op een heikel punt van dit fantastische begin van de Kerst: geld.

Niets is gratis, en een festijn als dit helemaal niet. Hoewel we kunnen terugvallen op heel veel vrijwilligers (scouting, beveiliging, figuranten en spelers, de bemensing van de Kate en iedereen die de op- en afbouw doet) kost het gewoon geld. Een kleine vijfduizend euro. Voor de koren, de dieren, de jongleur, de inkoop van spullen (waar we het geluk hadden gesponsord te worden door Jumbo en Hoogvliet), en alles wat ik hier vergeet. Allemaal relatief kleine posten die optellen tot een hoog bedrag. 

Vorig jaar hadden we een zeer welwillende gemeente waar we mee konden in het thema “Passiejaar”. Het begon met het sterven en de opstanding van Jezus, en we eindigden met zijn geboorte. Dat klopte perfect. Dank daarvoor aan de gemeente Zeist. Daarnaast hebben we allerlei fondsen en stichtingen benaderd, maar uiteindelijk gaf niemand thuis. Op één na: Meander-Omnium. Voor deze ene en laatste keer. Dat wel.

Ik zie het voor dit jaar somber in. Het geld en de welwillendheid worden schaarser. Dit jaar is geen passiejaar, en van de fondsen die in het verleden wel doneerden weet ik nu al dat dat niet zo zal zijn.

Ik snap er allemaal niks van intussen. Voor een relatief laag bedrag ervaren velen, veel kinderen, een geweldig begin van de Kerstvakantie. De sfeer is altijd verbindend, vredig, vriendelijk, gezellig. Geen wanklank voor, tijdens en na alles. Louter harmonie. Ik vind dat de gemeente ruimhartig moet blijven in de steun die nodig is. Dat dat past bij een Zeist dat de verbinding zoekt tussen mensen en groepen mensen. 

Zonder die steun was de tiende Kerststal tevens de laatste. Lijkt mij ongewenst.

Links, de PVDA, is verloren

De PVDA is verloren. Na jaren zwabberen lijkt het nu in de samenwerking PVDA en GL een mooie toekomst te worden. Maar dat is natuurlijk niet zo. Waar GL allemaal grote idealen nastreeft voor het milieu, het klimaat en wat dies meer zij, daar zou de PVDA onverschrokken moeten opkomen voor de arbeidersklasse. Wat? Arbeidersklasse? Ja, die bestaat nog steeds maar ziet er iets anders uit dan in de jaren 50.

Die arbeidersklasse bestaat nu uit gewone mensen in gewone huizen die ze maar net kunnen betalen. Mensen die werken en merken dat het einde van de maand toch lastig te halen is qua geld. Die merken dat de boodschappen wel heel erg duur zijn geworden. Die.. afijn, je begrijpt wat ik bedoel. Die arbeidersklasse is niet gebonden aan huidskleur, gender, levensvisie of weet ik wat. Die is gebonden aan sociaal-economische status. De scheiding die door dit land loopt is sociaal-economisch en niet moreel of ethisch of biologisch. Vertel me waar je in wat voor soort gezin je geboren bent en ik kan je vertellen hoe je leven gaat verlopen.

Daar moet de PVDA voor opkomen. In begrijpelijke taal. Maar daarover zo meer. Je kunt vanuit je privilege wel zeggen dat het klimaat voor iedereen uiteindelijk belangrijk is, maar we leven nú. Nú kan ik niet rondkomen, nú kan ik geen huis kopen of zelfs maar vinden, nú kan ik mijn kind niet naar muziekles laten gaan of naar zwemles of naar de tandarts of naar wat dan ook. De PVDA zwelgt in uitleggen hoe complex het allemaal is. Wat ook waar is. Het is complex om goed te koken, maar geniet wel van het bord eten wat op tafel komt. Praat niet over het proces maar het resultaat.

En dan nu de taal. Als ik de PVDA hoor dan hoor ik ingewikkelde bestuursbladiebla. Nog onlangs hoorde ik Timmermans, waar is hij trouwens?, praten over maatregelen om de fiscaliteit rond arbeid en vermogen zo te wijzigen dat er kaders komen waarin werken meer gaat lonen, of zoiets. Geen touw aan vast te knopen. Zeg gewoon: we halen geld bij de rijken weg en zorgen dat de niet-rijken weer rond kunnen komen. Praat Nederlands en niet Bestuurlands.

En tegen wie praten ze eigenlijk? Tegen verlicht links is zonde van je tijd want die verketteren elkaar al genoeg. Max Pam hoeft maar een column te schrijven en verlicht links begint over oude witte boomers met een mening. Mooi al dat identiteitsdenken, maar men vermoordt het individu ermee. Klinkt als progressief, maar het is zo reactionair als maar kan. Losse individuen in losse kleine groepjes die elkaar bestrijden om de rechtheid van de leer en zwelgen in het eigen morele verontwaardigde gelijk. Je wint er helemaal niks mee. Rechts likt de vingers erbij af. Als wij ons verdelen in steeds kleinere belangengroepjes, kan rechts heersen. Hoeven ze niets voor te doen.

Het is niet anders. Als de PVDA niet kiest voor nu levende mensen met nu geldende zorgen in een taal die duidelijk is, die uiteindelijk gaat over waarden, dan verdwijnt ze.

Wat zijn die waarden dan? Eerlijke verdeling van kennis, macht en inkomen. Investeren in school, investeren in kennis van de samenleving zodat er meer mondigheid komt en vooral herverdelen van welvaart zodat mensen zonder hoofdbrekens de maand doorkomen. En een absolute waarde is een betrouwbare, dienende overheid. Regel de afwikkeling van het toeslagenschandaal. Noem ambtenaren dienders, die het volk dienen in vertrouwen. Maak werk van ondersteunen in plaats van controleren.

Spreek je daarover uit in de Tweede Kamer, op tv, op social, in de media. Stop met reageren op het narrenschip dat deze bruine regering is. Laat hen, negeer de gekkies zonder talent en kennis in de Tweede Kamer. Ga nooit de morele kaart spelen tegen extreemrechts, de heer Wilders. Je kunt wel constateren dat hij geen enkele belofte nakomt, maar dat deert hem niet. Zijn kiezers interesseert het ook niets. Hij zegt tenminste wat iedereen denkt en als Timmermans, waar is hij trouwens?, moreel superieur aantoont dat de PVV uit flapdrollen bestaat dan voelt de kiezer dat hijzelf de flapdrol is. En daarmee verliest Timmermans.

Laat Klaver maar praten over klimaat en zo (dat doet hij uitstekend), praat zelf over armoede, macht, invloed. Ontwikkel een eigen geluid over immigratie. Je kunt er lang en breed over praten dat de feiten anders zijn maar, dat is totaal irrelevant: als mensen een situatie als reëel benoemen, dan is die situatie reëel in zijn gevolgen. Staat voor: als mensen immigratie als probleem, als tsunami ervaren dan handelen zij daarnaar. Wuif dat niet weg met cijfers en grafieken. Neem het serieus. Altijd wel, nooit niet.

De PVDA heeft niet veel tijd meer. Als er niet een koerswijziging komt dan verdampen de zetels in de komende jaren. Nu al profiteert zij niet van de leegloop bij NSC. Als de PVDA op afstand blijft, in thema’s en taal, dan verdwijnt zij naar de rand van het politieke universum en wordt uiteindelijk een bliepje uit het verleden.

Wat is een goed restaurant in Frankrijk?

Al jaren ben ik correspondent voor Cote & Provence en En Route. Twee tijdschriften die geheel gewijd zijn aan het mooie Frankrijk. Nu kreeg ik de vraag of ik een lijstje wilde maken van de tien leukste restaurants in de Provence. Geheel naar eigen keuze, dus ik kon helemaal losgaan. Het zijn er vijftien geworden.

Maar dan komt de vraag op: wat is nou leuk en goed aan een restaurant? Hoe bepaal ik voor mezelf dat van alle restaurants die ik ooit heb bezocht, deze tien de leukste, lekkerste, beste zijn?

Je moet je voorstellen dat iemand vraagt ‘ik ben binnenkort in de Var, waar moet ik eten?’

Mijn neiging is dan ongeveer het laatste restaurant te noemen dat ik top vond. Bijvoorbeeld Picotte in Cotignac. Laatst nog gegeten, weer een topervaring en hoppa: dit is mijn tip.

Bij een lijstje werkt het natuurlijk niet zo. Dus denk je na over memorabele momenten. En dan kom je erachter dat die momenten van heel veel afhangen. Je bui, de kwaliteit van het eten, de mensen, het weer, de sfeer, het moment van de dag, et cetera enzovoort. Ga het voor jezelf maar eens na. Rijp en groen, alles door elkaar.

Een voorbeeld van een memorabel moment met fijne Fransen.

Zo kwamen wij ooit heel laat aan in Nice (vertraging op vertraging) en had ik Les Chineurs in Carcès al afgebeld (Les Chineurs is overigens helaas gestopt). We reden rond een uur of half twaalf door een pikdonkere Var. Door le Thoronet en we hadden trek. Ik zag een lichtje branden, keerde en reed daar naartoe. Een pizzeria die ik kende van lang geleden: Le Vallon. We stopten er, en aan tafel zaten drie lokalo’s een biertje te drinken en te roken. Ik vroeg of we iets konden eten en de eigenaar zei nee. De pizza-oven was afgekoeld en die ging hij niet opnieuw aansteken. Ik zei dat we echt heel veel honger hadden. Hij keek me aan en zei ‘ik ga even overleggen met de chef’. Hij beende naar binnen, overlegde met zichzelf, kwam naar buiten en zei stralend dat hij drie dingen kon bereiden! Ga zitten en neem een wijntje. We hebben heerlijke salades en topvlees gegeten. Met een mooie lokale wijn erbij. Gewoon simpel frans bistro-eten. De lokalo’s schoven aan bij ons en tot half een hebben we zitten kletsen en eten. Een toprestaurant, waar ik me nu van besef dat Le Vallon mijn lijstje niet heeft gehaald.

Fransen zijn gastvrij en relaxed, laat dat in ieder geval de afdronk zijn.

Welke hebben de lijst wel gehaald? Van eten naast de wijnvelden, tot aan drie sterren in Cassis. Van een onverwacht Japans restaurant in een scharrige buurt in Nice, tot aan een heerlijke strandtent in Cannes. Het is divers. Wat ze gemeen hebben is mijn beleving: ik heb er sterke herinneringen aan. Louter positieve herinneringen ook nog eens. Ik zal de lijst hier nu niet delen. Dat gebeurt eerst in C&P en daarna hier. Als je goede tips wilt hebben door heel de Provence: even wachten en dan komen die tips hier gewoon voorbij.

Wat is het mooi om nu al na te denken over lange hete zomers in de Var, of een winterse dag in Les Trois Vallées, met in de avond een bezoek aan een fijn restaurant! Blijf meelezen met me en dat komt het helemaal goed.

Een mooi stel vrijwilligers, daar word je blij van

Niet bij iedereen direct op het netvlies: de Dieptetuin. Door sommigen de Parel van Zeist genoemd en voor anderen een totaal onbekende plek. Wat best jammer is voor die mensen. Want: het is niet alleen een prachtige tuin, maar het is de plek waar mensen samenkomen en samenwerken om hem zo mooi te houden. Heel veel vrijwilligers ook.

Iedereen weet hoe moeilijk het is om vrijwilligers te vinden. Of het nu voor een sportclub is, een buurthuis, een feest, het maakt niet uit, vrijwilligers zijn schaars.

En dat snap ik ook. We hebben het druk met ons leven en die drukte duurt ook nog eens lang. Mijn vader bijvoorbeeld ging met zijn 55ste met vervroegd pensioen. Ok, hij was dan ook versleten, maar toch. Er zijn nu zat versleten mensen die gewoon door moeten tot hun 67ste jaar.

En vind dan maar eens vrijwilligers.

Hoe bijzonder is het dan dat er zo’n dertig vrijwilligers zijn in Zeist die wekelijks de Dieptetuin onderhouden. Iedere week tussen maart en november. En tussendoor ook nog eens trouwerijen bemensen, zodat het bruidspaar en de gasten een geweldige ervaring hebben. 

In de wintermaanden wordt er niet aan de tuin gewerkt maar zijn er allerlei winteractiviteiten. In de keet (De Kate) op het terrein van de tuin: van schilderen tot lezingen, alles vindt wekelijks plaats. Voor iedereen die daar behoefte aan heeft. 

Twee november jl was de zaterdag dat we het tuinseizoen afsloten. In de zon, aan lange tafels met elkaar koffiedrinken en kletsen. Altijd in een topsfeer. Appeltaart met slagroom en een klein glaasje advocaat. Als er al weinig tradities zijn dan verzin je er toch gewoon zelf een. En dit is de traditie.

Is het najaar dan rustig? Verre van. 21 en 22 december is er natuurlijk de Levende Kerststal, dit jaar voor de tiende keer. Vorig jaar een overweldigend succes qua bezoekers en dit jaar zou dat ook heel mooi zijn. Het kerstverhaal, Dickens met verhalen, alpaca’s, ezeltjes, een jongleur enzovoort. Voor de kleintjes een grabbelton.

En weer door vrijwilligers georganiseerd en bemenst. En waarom eigenlijk? Gewoon, omdat het fijn is samen aan iets te bouwen, de kerstsfeer scheppen voor iedereen die behoefte heeft aan warmte, knusheid en warme chocomel. Met het hele gezin rondlopen tussen de koren, de muziek, de kerstverlichting. 

Ook dit wordt weer mogelijk gemaakt door een mooi stel vrijwilligers die ik hierbij graag in het zonnetje zet. 

PS: zet 21 en 22 december vast in je familieagenda! Het wordt weer mooi.

Is die Franse supermarkt gek geworden?

Supermarkten in het buitenland zijn altijd super. Ik zal altijd naar binnen gaan, rondlopen en kijken wat er allemaal is wat ik hier in Nederland niet kan krijgen. En dat is altijd veel. Van zult in Duitsland (tien soorten en smaken), het beste paprikapoeder in Boedapest (en alle worsten) tot aan topwijnen voor weinig in Italië, het is altijd een feestje.

Bij ons in het dorp is ook een supermarkt, een Intermarché. Nou ja, niet echt ín het dorp maar zo’n 500 meter erbuiten. Inclusief benzinestation, gasflessendistributieautomaat (drie maal woordwaarde) en een heuse wasserette. Gelukkig zijn er in het dorp nog een goede bakker, een topslager en een zeer minimaal uitgevoerde groentewinkel. Maar goed, ik kom dus ook in die supermarkt.

Vroeger, ooit, was het geen Intermarché maar een winkel van Les Mousquetaires. Het logo staat nog steeds op de pui.

Zul je denken, nou èn, gewoon een andere naam. Maar er is nog veel meer! Les Mousquetaires had en heeft een eigen filosofie. Wat verkocht wordt zal als dat mogelijk is lokaal geproduceerd zijn. Alleen lokale verse producten dus. Van vlees tot aan groenten. Heel anders dat Leclerc in het nabijgelegen Brignoles.

Zijn ze gek geworden? Veel is dus gewoon niet beschikbaar. Geen asperges, geen aardbeien in deze tijd van het jaar. We waren een week geleden in Carcès en ik ging boodschappen doen. Louter seizoensgroenten en dan nog van de lelijke soort ook. Paprika’s met gekke bochten en vervormingen, courgettes verschillend in grootte en vorm, paddestoelen die echt nog grondig moeten worden gereinigd. Maar ook heerlijke boudin noir. Hard te bakken maar ook leeglopen op het bord. Vlees van lokale boeren. Alleen de kippendijen komen uit -meen ik- de Gascogne. Weinig kippeboeren in Carcès. En natuurlijk de hele vissectie komt niet uit het binnenland.

Maar dus alles wat lokaal kan is lokaal en volgt de seizoenen.

Hier in Nederland zouden we zo’n supermarkt voor gek verklaren. Wij kopen asperges uit Peru en sperziebonen uit Kenia. Er zijn aardbeien! Wat denken die Fransen wel?

Inderdaad waren vooral de groenteschappen redelijk leeg vergeleken met afgelopen zomer. Maar wat is het heerlijk om gewoon met het seizoen mee te koken. Groenten te proeven die diep van smaak zijn, van de koude grond. Prei en sla eindeloos te moeten wassen omdat er steeds aarde uit blijft komen. Met als bijvangst dat de ecologische belasting ook lager is. Geen gesjouw met groenten en fruit over de wereld.

Nogmaals: in Brignoles kun je alles kopen, en meer, dan hier bij ons. Maar geef mij maar minder en beter en passend bij het seizoen. Zo gek is dat niet.

Menton, wat een parel

Zo vaak in de buurt maar nog niet eerder geweest. Wat een prachtige stad is dit. We kwamen met de auto uit Florence, en na 1.168 tunnels waarin gereden werd alsof de dood moest worden ingehaald reden we Menton binnen. Een leuk, wat gedateerd hotel, auto geparkeerd en toen ‘s avonds na het eten de stad in.

Hier is de sfeer volstrekt mediterraan tussen Italië en Frankrijk in. Relaxt, opgetogen, vriendelijk en vooral diep diep zuidelijk. Je moet hier geen haast hebben, je moet van lekker eten houden en vooral van mensen. Een beetje zitten, een beetje mensen kijken. Jong maar vooral ook heel veel oud. De gemiddelde leeftijd ligt hier hoog. Schuifelend, vaak met een aangelijnd hondje dat ook de beste tijd heeft gehad.

Ik moest denken aan het boek met de mooie titel Three fat women of Antibes. De sfeer daarin en de mooie combinatie van mensen. Hier maak je het gewoon mee.

En als je iets wegloopt op het strand van de stad af, dan zie je in volle glorie hoe mooi en betoverend Menton is.

Ik ga er zeker nog een keer naartoe.

Drie dorpen in Frankrijk, zoveel verschil.

Zomaar drie dorpen, vlak bij elkaar in de Var: Carcès, Salernes en Cotignac. Qua inwoneraantal ongeveer gelijk. Een paar duizend vaste bewoners. Niet heel groot, maar genoeg te doen. Drie dorpen ook waar we al decennia komen. En we hebben veel zien veranderen.

Drie dorpen die op een verschillende manier zijn veranderd, waarbij ik durf te zeggen dat twee dat heel goed hebben gedaan en een, Carcès, niet.

Maar laat ik daar wat meer over vertellen en beginnen met:

Cotignac

Ik weet nog dat we daar waren toen mijn oudste zoon net was geboren. 2003.  Hij was een maand of drie en we liepen door het dorp. We wilden wat eten en kwamen uit aan het einde van de Cour Gambetta, bij een café. De eigenaresse nam onze zoon over in haar armen zodat wij konden eten. Heerlijke crèpes meen ik. Aardigheid alom. Maar dat was het dan ook ongeveer. Verder was Cotignac niet zo veel.

En zie nu, ruim twintig jaar later! Het dorp bruist. Er is altijd drukte maar er is veel meer. Mirabeau wijnen zit er, er is een soort mini-museum, in de straat naar de Mairie -ooit een verlopen verlaten straat- zitten allerlei kleine kunstwinkeltjes. Iedere vorm van kunst kun je er vinden. De sfeer is heel relaxed en top. Er zijn hotels bijgekomen in de laatste jaren. Een zelfs met een indrukwekkend mooie entree. Hier zat ooit een oude verwaarloosde garage.

Ook de restaurants zijn iets opgeschoven in kwaliteit. Ons favoriete restaurant toentertijd (La Terasse) is van eigenaar gewisseld een paar jaar geleden, en heet nu Picotte. Jonge mensen in de keuken en bediening en het eten is er perfect. Verrassend en heel lekker. George Clooney schijnt er te komen. Le Jardin Sécret is ook zo’n pareltje. Je moet er even naar zoeken en ver van tevoren reserveren maar wat een perfect plekje om te eten. En alles even lekker. 

Dit dorp is veranderd in een ‘kunstdorp’. Niet groots uitgepakt maar duidelijk een signatuur, een karakter. Op dat karakter wordt meer gebouwd, dat is wat je ziet. Het trekt jongere mensen aan, andere restaurants, meer durf. Er is zelf een jonge boulanger bij gekomen. 

De verbeelding heeft gewonnen. Dat zie je.

Salernes

Vanuit ons zwembad kijk ik ’s avonds laat altijd uit over de bergen en zie ik zo’n 10 kilometer verderop de lichtjes van Entrecasteaux met daarachter Salernes. Salernes is een echt Frans dorp. Een plein waar de markt is en veel smalle straatjes. Het is er altijd al druk geweest op marktdagen maar tegenwoordig is het nog veel drukker. 

Wat is er veranderd?

Het hoogtepunt van Salernes was ooit friet eten bij een snackbar die werd gerund door een Chinees. Die was voor de liefde ooit gekomen en nooit meer weggegaan. Verder was er niet veel. Een Spars, wat winkeltjes, wat cafés, en – o ja – een soort oude garage waar een paar jonge mensen keramiek verkochten. Schalen, kopjes en schoteltjes. Dat soort werk. Niet veel maar wel altijd heel vrolijk en hip.

Intussen is Salernes veranderd. Er is veel meer keramiek bijgekomen. Op de markt worden meer dan gewoonlijk allerlei schalen, vazen, borden et cetera verkocht. Het is heel druk geworden. Je moet tegenwoordig ver buiten het dorp parkeren als je geluk hebt. Aan de rand van de markt is een winkel gekomen met allerlei mooie, Provençaalse spullen (ook veel meuk) voor in huis. En dus ook heel veel keramiek voor een habbekrats. Naast de oude garage zijn er meer keramiekzaken gekomen. Van heel traditioneel tot hippig. 

En ik kan me vergissen, maar er zijn ook wat meer delicatessen te koop op de markt. Artisanaal biologisch brood en groenten. Kaas met een bio-keurmerk. Alsof dit ooit suffe dorp gegentrificeerd is. Het kan ook mijn blik zijn natuurlijk maar ik denk dat het  klopt.

De sfeer is top. Uitnodigend. Leuk. Lokaal en internationaal. Hip en traditioneel door elkaar.

We komen er graag.

Wat is er dan met Carcès aan de hand?

Carcès

Carcès heeft veel om van te genieten. Er is een Middel-Eeuws centrum met iets van een kasteel. Om er te komen moet je flink klimmen maar dan toren je ook hoog boven het dorp uit. Eronder zit een ruimte waar eens een expositie was van twee Nederlandse dames die schilderden. Was niet veel maar was er wel. Daarna nooit meer gezien. Het oude Carcès is prachtig.

Er zitten wijnhuizen. Van Le Hameau (een coöperatie), tot Foussenq en in de buurt zit Sainte Croix. Ons huis wordt omringd door wijnvelden waar het in oktober heerlijk wandelen is. Er is een pleintje met een kerk en een straat omhoog waar op zaterdag markt is. Als je die markt afloopt kom je op weer een pleintje. Het is pittoresk, het is knus, de mensen zijn aardig en het is er heerlijk wonen. Niets mis mee.

Maar als je zou vragen waarom je er naartoe zou komen, dan blijft het antwoord uit. Er is geen verbindend karakter. Niet een thema of een reden om te stoppen en uit te stappen.

Zelfs de restaurants zijn verdwenen zodat er nog drie over zijn. Twee Aziatische en een op het kerkplein waar de inrichting het thema Abba heeft en het eten van lage kwaliteit is. Wel gezellig en lieve mensen, maar koken is een kunst die niet wordt beheerst.

Terwijl het veel heeft. Ik heb eens met de burgemeester erover gesproken. Waarom niet van Carcès hét wijndorp van de Var maken? Met twee keer per jaar een regionale foire au vin waar je echt moet zijn om te weten wat er te koop is. Waar je een prijs kunt winnen, een gouden medaille voor de beste biologische wijn? Waar winkeltjes wijnparafernalia verkopen. En waar je op de Place Respélido de jaarlijkse Grand Aïoli koppelt aan de beste lokale wijnen. 

Er is zelfs een lokale bierbrouwer die je erbij kunt betrekken, als alternatief bij de maaltijd.

En als topper: een mooi diner boven op het kasteel onder de blauwe zomerhemel in de avond waarbij het langzaam donker wordt en de wijn steeds lekkerder.

De animo was gering bleek wel. Carcès is toch een dorp van hardwerkende mensen in diezelfde wijnbouw. Waar de ene bakker na de andere verdwijnt en waar alles al twintig jaar hetzelfde is. Weinig ambitie. Op zaterdag twee rotisseries die kip verkopen en dat is het dan.

De verdwenen restaurants worden niet overgenomen door hippe jonge mensen die omvallen van de energie en fantasie. Jong trekt weg uit het dorp.

Niets hoeft natuurlijk, maar wat doet het veel voor een dorp en een gemeenschap als je investeert, karakter kweekt en de rest gewoon laat gebeuren. 

Het zit er hier niet in. Salernes en Cotignac hebben stappen gezet. Het is zoals het is.

Ça ira, dat dan weer wel.

Vergane glorie: Biarritz

Eens een keer geen Provence, geen Carcès maar de westkust van Frankrijk genomen. Vanuit Bordeaux verder door naar het zuiden kwamen we aan in Biarritz. Nooit eerder geweest en ik was benieuwd. We hadden een huis gehuurd voor twee nachten, dus bij aankomst begon het wachten op de mevrouw met de sleutel. Na anderhalf uur werd het me te gortig en ging wéér bellen. Mopperend ‘we zijn in Frankrijk’.

Tja, we stonden bij het verkeerde adres. Op met ratelende koffers naar het juiste adres en daar wachtte geduldig de mevrouw met de sleutel.

Vooraf had men mij gewaarschuwd: Biarritz was ooit prachtig maar is nu volop vergane glorie. En dat bleek ook zo te zijn. Wel vergane glorie in heel goede staat overigens. Het bleek meer een memoriaal te zijn voor een voorbije tijd, die nog parmantig en levendig de vinger opsteekt om te zeggen ‘ik ben er nog’. Wat is het een mooi en fijn stadje.

We hebben ons suf gelopen en kwamen natuurlijk aan zee uit. Daar voel je dat dit een andere zee is dan bij de Provence. Ruiger, groter, de zeelucht kwam ons tegemoet. De stranden waren vol. Jong en oud, alles door elkaar. Het was druk. Het was overal druk, maar wel op een gezellige relaxte manier. De sfeer deed me denken aan Nazaré in Portugal, een beetje een surfsfeer. Top dus.

’s Avonds zochten we een restaurant en liepen het centrum in. Volop vreetschuren kwamen we tegen. In een straatje, de Rue du Centre, was een tentje waar het heel rustig was. Paar tafeltjes voor de deur. Japans! Het is lang geleden dat ik zo lekker Japans heb gegeten als daar bij OKO. Zelfs de wijn was top.

Waar je vooral aan ziet dat het ooit een belangrijke badplaats was voor de welgestelden, zijn de gebouwen. Grote voorname hotels, een casino, musea, alles is een voorbije stijl. Prachtig tegen een blauwe lucht maar voorbij. Daar is het stil. Wat er voor in de plaats is gekomen is de drukte van de restaurantjes, de cafés, de snelle hap. Maar ook daar alles op een relaxte manier.

Voor mij is Biarritz een verrassing geweest. Ik voelde me er volop thuis en wil er zo weer naartoe. ’s Morgens tussen de markthallen ontbijten en een beetje mensen kijken, overdag een beetje winkelen en ergens wat drinken. Wandelen langs de promenade, door het park, uitkijken over zee. La Mer.

De vergane glorie klopt niet. Er is een nieuwe modernere glorie voor in de plaats gekomen. Met hier en daar een teken van vervlogen tijden.

Prachtig.

Mijn Bordeaux bleek niet te bestaan

Bordeaux. Ik had er herinneringen aan van lang geleden. Beelden. Een brug met aan de overkant van het water links en rechts grote statige woonhuizen aan een brede boulevard. Zonovergoten en zuidelijk. Die beelden stamden uit een tijd dat ik met de FTS treinde naar Bordeaux om vanuit daar met de bus richting Lacanau of Mimizan te gaan. Zee en diepe stranden. Er klopte echt niets van. Herinneringen zijn ongegeneerd onbetrouwbaar, zo bleek maar weer. Bordeaux zoals ik het had bedacht bleek niet te bestaan.

Bordeaux dus. Na een lange rit vanaf een uitgestorven Parijs (een overnachting omdat de jongste zoon per sé Jim Morrison en Chopin wilde bezoeken) kwamen we aan bij een klein hotel. Oud in een buurtje net buiten het centrum. Een paar dingen hadden we in het hoofd. Eten bij Gordon Ramsay, lopen en ons laten verrassen. En ik wilde mooie wijn drinken. Dat laatste zou toch moeten lukken leek mij.

De stad was prachtig. Geen Grands Boulevards met links en rechts grote statige woonhuizen, maar veel meer een intieme stad. En hoe je ook loopt, je gaat vanzelf naar de rivier, de Garonne. Breed en traag en heel grijs deelt die de stad in twee. Je draait je om en ziet de Place de la Bourse met ervoor het spiegelende watervlak van de Miroir d’eau. Het is prachtig.

Als je terugloopt de stad weer in kom je in een wirwar van kleine straatjes met winkeltjes, café’s en restaurants. Het is allemaal heel aangenaam en zeer de menselijke maat. Zoals mijn zoon zei: de schoonheid komt niet naar jou hier, je moet de schoonheid opzoeken en vinden. In de straatjes, de kerken, de gebouwen. En zo is het.

’s Avonds tegenover de Opéra bij Ramsay gegeten. Dat was een beetje een deceptie. De borden waren prachtig opgemaakt, het was smaakvol maar nou niet de top die ik ervan had verwacht. Ik bestelde een fles Saint Estèphe maar die bleek niet meer op voorraad. Dus kwam een andere, die ik spontaan weer ben vergeten. Het etentje bij een lokale tent in een straatje was beter, zal ik maar zeggen. Mijn zin in goede wijn bleef.

Die zin heb ik uiteindelijk kunnen bevredigen in de Cité du Vin. Een merkwaardig bouwsel aan het einde van de kaaien, op ongeveer een 45 minuten lopen. Langzaam zie je de puist groter worden en krijg je er een beeld van. Het is een mooi museum dat geheel gewijd is aan wijn en wijnproductie. En niet kleinzielig alleen over Bordeaux, alle streken en alle landen komen aan de orde. Mooi opgezet met een hoog NEMO-gehalte: het is een en al beleving. Van heel inventief (geuren ervaren) tot obligaat.

En als je dan het museum door bent geweest kun je naar boven, het dak op. Daar wordt heerlijke en heerlijk diverse wijn geschonken. Ik dronk een Catalaanse rode (Le Pelut), die erg lekker was. En met uitzicht over de stad smaakte die nog lekkerder. Eindelijk de wijn waar ik naar verlangde, op een onvergetelijke plek.

Er valt nog veel meer te vertellen over Bordeaux. Allemaal dingen die onderdeel worden van mijn herinneringen. Herinneringen die mij ooit weer zullen leiden naar dezelfde plekken, zoals Bordeaux. Om er daar vervolgens achter te komen dat die stad niet bestaat. Er ook achter te komen dat de stad die wél bestaat nog veel mooier en spannender is dan die in je geheugen. Dat zijn toch vooral flarden terwijl de eenheid en veelheid van de werkelijkheid immens veel rijker en spannender is.

Bordeaux, mijn Bordeaux bleek niet te bestaan.