Paascake, een recept (maar ook zonder Pasen heerlijk).

Ik kreeg op twitter het verzoek mijn recept voor Paascake te delen. Dat doe ik dus hierbij.

Ieder jaar maak ik een baksel voor Pasen en voor de Kerst. Zonder zuivel omdat mijn oudste zoon melkeiwitallergie heeft. Klinkt simpel, maar het betekent dat hij van een minieme hoeveelheid daarvan in een anafylactische shock raakt en op de intensive care terechtkomt. Ieder jaar toch wel een keertje, dus als ik kook dan extra voorzichtig.

Normaal bak ik een stol. Erg lekker maar na een dag of drie kan ik iemand ermee doodmeppen. Echt onder de knie heb ik die nog steeds niet. Dus dit jaar dacht ik: ik hou van cake, laat ik een cake met spijs maken. Wel met een beetje de ingrediënten van een paasstol. Ik heb het een beetje zelf bij elkaar verzonnen gebaseerd op het Margriet kookboek van mijn moeder uit 1963. Bakken is niet echt mijn forte maar dit lukte wonderwel.

Hier komt ie dan.

(Een bakblik van 30 cm heb ik gebruikt. Let daar dus op met hoeveelheden)

250 gram Vioblock gezouten margarine (of roomboter)

200 gr suiker

5 eieren

250 gr zelfrijzend bakmeel

200 gr amandelspijs

50 gram noten (pecan, walnoten, macadamia)

50 gram sultana’s (geweld)

50 gram fijngesneden bigarreaux (zag ik in het bakvak van de supermarkt en leek me wel leuk)

kaneel

(oven op 160ºc voorverwarmen)

Boter en suiker luchtig kloppen. Moet een soepele massa worden en dan een voor een de eieren erdoor kloppen. Je schrikt je dood omdat het er een beetje klonterig uit gaat zien. Niet echt lekker oogt het, maar dat komt goed met de bloem erbij. Als het mooi romig is doe je het zelfrijzend bakmeel erdoorheen en een flinke theelepel kaneel. Spatel pakken en de rozijnen en bigarreaux erdoorheen mengen.

Het bakblik voor de helft vullen met het beslag. Van de amandelspijs een rol maken en erin leggen. De rest van het beslag er overheen draperen. Bij mij zag het er rommelig uit maar door de hitte van de oven wordt het een mooie bovenkant (door de grote hoeveelheid boter).

Ik heb de cake een minuut of 40 in de over gedaan en gecheckt met een satéprikker. Die kwam er niet helemaal schoon uit en ik heb er nog 10 minuten baktijd aan toegevoegd. Dat was voldoende.

Het resultaat is perfect. Nou ja, bijna dan. Iets luchtiger was beter geweest. Waarschijnlijk was het deeg iets te droog. Een eitje extra was wellicht beter geweest. Maar toch, ik ben er best trots op.

Weg met de vleestaks.

Een goed idee: vlees gewoon duurder maken. Als je dat doet dan zal er automatisch minder vlees worden gegeten. Een goed idee: vliegen gewoon duurder maken. Dat wordt er minder gevlogen. Gas duurder want dan komen er sneller alternatieven.

Kortom: het hele idee is dat als dingen duurder worden er minder van gekocht en verbruikt wordt.

Economie is een sociale wetenschap met een enorme bias. Gedacht wordt dat de mens een homo economicus is die rationeel handelt en reageert op prijsprikkels. Goedkoper en de vraag stijgt, duurder en de vraag daalt. Zou best waar kunnen zijn maar er zullen ook voorbeelden van het tegendeel bestaan.

Daar gaat het nu niet om. Waar wel om?

We leven (inmiddels weer) in een wereld waarin basisbehoeften niet meer voor iedereen even goed toegankelijk zijn wegens marktwerking en prijseffecten.

Als alles voor iedereen duurder wordt dan zullen de mensen met de minste middelen er het eerst op achteruit gaan. Dat is wat we nu al minimaal 10 jaar zien, maar in feite al veel langer. Wat echt wordt geproduceerd door prijsstijgingen is een nieuwe onderklasse. Mensen met een zeer beperkte beurs die niet meer weten hoe ze rond moeten komen. Mensen met geld zijn de lachende derde. Die hebben nergens last van.

Wat is dan inmiddels zo duur geworden dat er een tweedeling is?

Aanvullende ziektekostenverzekering, tandartsverzekeringen, waardoor toegang minder is. Kinderen die opgroeien met een slecht gebit. Mensen die wegens eigen risico wel twee keer denken voor ze naar een arts gaan.

Huisvesting: wie kan er tegenwoordig een huis kopen? Je wordt wel geacht te kunnen huren op de vrije markt maar voor dezelfde maandlasten iets kopen is uitgesloten. Sterker nog: kopen is uitgesloten. Zelfs met een lage rentestand.

Opleiding: massaal wordt er uitgeweken naar huiswerkondersteuning en duur privé-onderwijs. Als je dat niet kunt betalen heb je vette pech en zit je kind op een gemiddelde school waar hij een van de 1700 is en opgaat in de massa. Geen aandacht voor het individu want geen tijd. Overvolle klassen.

Mobiliteit: gisteren nog moest ik nodig tanken en ik rekende op 20 cent na 120 euro af. Als je modaal of minder verdient denk je wel twee keer na of je dat iedere week doet.

Ik kan dit aanvullen met allerlei voorbeelden en diensten, ik doe dat niet. Het is wel duidelijk zo.

Laat ik eens naar onze overheid kijken die de tweedeling ook heeft doorgevoerd. Je zal maar een verkeerde postcode hebben, af en toe geld aan de moskee schenken, een exotische achternaam hebben, een keer een verkeerd vakje hebben aangevinkt, kinderopvang hebben geregeld bij een verkeerd bureau, wonen in een huis van een coöperatie met enkel glas en schimmel, je kinderen op een propvolle school hebben en geen alternatief kunnen betalen, je tweedehands auto voltanken, op de radio horen dat de hypotheekrenteaftrek geheel moeten verdwijnen terwijl je dankzij die aftrek net dat huis in Maarssenbroek hebt kunnen kopen met twee magere inkomens, horen dat er vliegtaks komt waardoor je ook moet nadenken over die ene vakantie per zoveel jaar, en dan nu horen dat de prijs van vlees drastisch wordt verhoogd.

Je zult, kortom, maar net rond kunnen komen en alles, maar dan ook echt alles wordt duurder. Behalve jij, jij wordt niet duurder voor het bedrijf waar je werkt omdat je er al jaren maar een beetje bij hebt gekregen. Iemand stelde laatst dat een parkeerplek in Amsterdam per dag meer verdient dan iemand met een minimuminkomen.

Mijn vader zei altijd ‘de arbeider moet als eerste inleveren en krijgt er als laatste wat bij’. En zo is het nog steeds.

Ik vind die vleestaks een heel slecht idee. Wie denkt dat mensen met geld minder vlees gaan eten vanwege de prijs, denkt moreel verkeerd. Zij met geld gaan geen karbonade minder eten door prijsstijgingen. Wie het breed heeft laat het breed hangen. En ik vind dat men extra aandacht aan hen aan de onderkant moet geven. Dus huizen herstellen, ouders geld teruggeven na het kindertoeslagenschandaal en rijkelijk compenseren en helpen de boel weer op de rit te krijgen (compenseren alleen is dus een walgelijk idee; er is hen geld ontnomen en de staat heeft dat geld wederrechtelijk tot zich genomen. Restitutie dus plus compensatie), het eigen risico alleen voor hen boven een bepaalde loongrens, et cetera. Alles doen om de omstandigheden van de grote groep Nederlanders te verbeteren. Dat hoort te gebeuren. Een rechtvaardige verdeling van de welvaart en een overheid die fatsoenlijk en betrouwbaar is. Niets anders dan dat.

En nu die vleestaks. Heb ik daar een oplossing voor? Nee, niet echt. Ik vind dat er veel minder vlees gegeten moet en kan worden. De massale slacht van dieren moet minder. Iedereen mag vlees blijven eten als dat gewenst is, dus verplicht vegetarisme hoeft voor mij niet zo. Zorg dat de prijsprikkels in de keten komen liggen. Dumpprijzen per kilo voor een varken moeten worden verboden. Zorg dat er minder aanbod komt in de winkel en hou de prijs voor goed, fatsoenlijk geproduceerd vlees aantrekkelijk. We moeten met elkaar minder vlees eten en niet alleen doordat het te duur wordt voor grote groepen. Vlees wordt duurder, ook zoals ik het voor me zie. Ik denk dat er psychologisch een verschil is tussen de BTW omhoog gooien enerzijds en betere omstandigheden voor dieren en dus een prijsverhoging krijgen anderzijds. Maar ja, erst kommt das Fressen und dann kommt die Moral natuurlijk.

Waarom ik reageer op die taks is dat er een gewoonte is ontstaan de problemen van mensen weg te lachen en te babbelen, vooral onder Rutte. Alles is licht en ongrijpbaar, alles wordt toegezegd, niets wordt gedaan. Dat gaat vreten aan mensen die aan de onderkant zitten. Maar niet alleen aan hen. Ik ben aan de onderkant geboren maar zit daar inmiddels al lang en breed niet meer. Aan mij vreet het ook. Ik zal mijn afkomst nooit verloochenen en ik vind dat er weer aandacht, werkelijke aandacht moet komen voor hen. Voor hun echte problemen waar men wakker van ligt. Het is nu geveinsde aandacht voor de bühne. Meer niet.

Weg met de vleestaks dus.

Roken? Roken! (Hoe Frankrijk van belang is)

Ik was achttien toen ik ging roken. Ik was met mijn vriendinnetje op vakantie in Bretagne, in Carantec. De camping municipal was basic en prima. Het was fris en prachtig. We hadden fietsen bij ons en reden de hele omgeving door. Toen we op een dag wat gingen drinken zag ik in de goot iets moois liggen. Het was een leeg platgereden sigarettenpakje: Gitanes!

Het was van zo’n schoonheid dat ik zo’n pakje móest kopen. Ik naar de lokale tabac en ik kocht daar mijn allereerste pakje sigaretten. En ik begon te roken. Ik was dus achttien. Eind jaren 70.

Met een Gitanes in mijn mondhoek en een glas whisky voelde ik me opeens onderdeel van een veel grotere wereld dan daarvoor. Ik was een beetje Frans en veel minder toerist. Mijn vriendinnetje rookte al lang, maar zij rookte shag, en dat vond ik niet zo chic. Dus dat deed ik toen niet.

Eenmaal thuis waren de Gitanes snel op en ik ging op zoek naar een vervanging want Gitanes kon ik in Nederland niet vinden. Die vervanging vond ik snel: Gauloises (door iedereen toentertijd uitgesproken als Goelwases). Ook zo’n prachtig pakje en de smaak was als die van Gitanes: zwaar, vol. Altijd sans filtres natuurlijk, want een man moet stukjes tabak in zijn mond voelen.

Toen ik eenmaal rookte viel me op hoeveel er gerookt werd. Op tv werd er volop gepaft tijdens uitzendingen. In films waarbij in de Franse films veel Gauloises werden gerookt. Stoere mannen, van Humphrey Bogart tot aan Jean Gabin en Jean-Paul Belmondo. Maigret rookte pijp, dat was anders. Churchill sigaren en die hoorden bij mannen met een zekere leeftijd. Nee, dan sigaretten. Troost op de lip.

Van het een kwam het ander. Ik rookte steeds meer en ik ging de deur niet uit zonder sigaretten en aansteker. Overal was roken gewoon. Ik ging vaak drinken in Het Hoogt in Utrecht en daar had ik een vast plekje waar ik rookte, dronk en las. Uren, vele vele uren heb ik daar doorgebracht. De sigaret altijd dichtbij en liefst aan. Men lette in die jaren op het merk dat je rookte. Een merk was een sociaal signaal. Vrienden rookten Drum shag en die telden dus niet mee. Mij vader rookte zware Van Nelle en die telde wel mee, want het was zware tabak en het was mijn vader. Er waren er die lichte Amerikaanse merken rookten. Die keerden zich af van de zwaarte van het Avondland. Oppervlakkige types.

Roken was niet alleen lekker en een gewoonte maar het maakte ook deel uit van je sociale zelf.

Gitanes Maïs.

Het jaar erop was ik natuurlijk weer in Frankrijk, en weer in Bretagne. Aan de zuidkant, vlakbij Carnac. Daar zag ik iemand gele sigaretten roken. Die had ik nog nooit gezien en ik vroeg hem welke dat waren: Gitanes Maïs. Zwaarder, meer teer (goudron) en veel meer nicotine. Ik een pakje gekocht en direct wist ik: dit is echt veel lekkerder. Wat een smaak, wat een volheid. En vooral: ze bleven niet uit zichzelf aan dus je moest er steeds moeite voor doen. Tussen al die mensen met witte sigaretten rookte ik opeens in Het Hoogt maïs sigaretten. Dat wil zeggen: het was maispapier, geel en langzaam brandend. De gewone Gitanes kocht ik nog wel op het vliegveld op weg naar Griekenland in de jaren daarna. Een slof voor een gulden of dertig. Maar dat was de reservevoorraad. Het draaide om maïs.

Boyards.

Wat doet Sartre hier opeens? Zal ik vertellen. Als Sartre niet zijn sigaretten zou hebben gehad dan waren al die geweldige invloedrijke betwiste boeken niet geschreven. Sartre rookte als een ketter (dronk en gebruikte drugs ook als een ketter overigens). Toen hem aan het eind van zijn leven, hij was blind en immobiel, gevraagd werd wat nog de moeite waard was, was zijn antwoord “roken”. Tijdens mijn studie raakte ik in de ban van Sartre en ik besloot mijn doctoraal in ieder geval aan hem te koppelen. Ik wist nog niet hoe maar dat kwam later wel. Ik kocht alles van en over hem en ik las alles. In een boekje van Francis Jeanson zag ik foto’s, deze:

Franse filosofen zitten graag voor hun boekenkast en hier zien we Sartre in een interview. Op de rechterfoto zie je duidelijk een pakje Gauloises liggen en op de linkerfoto zag ik iets liggen dat ik niet kende maar later kocht in Parijs: een pakje Boyards.

Het laatste pakje Boyards

Ik was in Parijs en liep een tabac in en vroeg naar Boyards maïs. Of ik dat wel zeker wist. Natuurlijk wist ik dat en ik kreeg dus een pakje. Ik ging naar een park, opende het pakje en wist niet wat ik zag: sigaretten (Gros Module) die veel dikker waren dan gewone. De hoeveelheid teer was enorm (45mg) evenals de nicotine (3,5mg)(ter vergelijking, Gauloises bevatten nu 10mg teer en 0,8mg nicotine). Ik begon te roken en werd licht in het hoofd. Wat een smaakvolle sigaret was dit!

Ik zal het kort houden: in mijn jaren dat ik naar Parijs ging en er woonde, heb ik altijd Boyards gekocht en nam ik vele cartouches mee terug. Ik en mijn Boyard waren onafscheidelijk. Ik heb ze gerookt bij het schrijven van mijn doctoraal (ook over Sartre), ik heb ze gerookt samen met mijn beste vriend Jan als we nachten doorhaalden in mijn kamer achter de Sorbonne. Ik ging nooit de deur uit zonder.

En toen besloot Brussel deze heerlijke sigaretten (en ook het merk Celtique, gros module) te verbieden wegens gezondheidsschade. Nou ja, een beetje gelijk hadden ze wel.

Ik besloot verder te leven met Gitanes maïs. Tot ook die minder lekker werden gemaakt. Zelfs het papier werd veranderd. Ik besloot te stoppen met roken.

Stoppen met roken.

En ja, ik weet dat roken niet goed is of zo je wilt: slecht. Ik ben opgegroeid met rokende familie. De sigaretten op tafel en dan iedereen paffen tot de kamer blauw stond. Hoe het leven verandert: inmiddels vind ik roken stinken en ben ik blij dat er niet meer gerookt wordt. Niet meer in cafe’s, restaurants et cetera. Waar het mij om gaat is dit: mijn roken en dat van velen maakte een extensie uit van mijn ik. Mijn sigaretten waren een sociaal teken dat ik hoorde tot een kaste van connaisseurs: zij die weten hoe je goed leeft en hoe je dat zichtbaar maakt. Daarom Franse sigaretten en daarom maïs. Een zichtbaar teken. En ik vond het lekker, dat ook nog eens. Als mensen mij vroegen niet te roken, rookte ik gewoon niet. Mijn huis was ingericht op roken, ik had 32 asbakken steeds op armlengte afstand zodat ik altijd en overal de as kon aftikken. Slaap- en badkamer waren en bleven rookvrij overigens.

Ik ben opeens gestopt. Ik heb nooit meer een sigaret opgestoken. Ik heb het een keer geprobeerd, een Boyard bij het graf van Sartre, en werd terstond misselijk.

Nog even over mijn vader en roken.

Mijn vader rookte dus. Toen hij dood was (2007) heb ik een gedicht geschreven en voorgelezen:

Het is nooit ver

Als je weet waar je moet zijn,

De weg bekend

De bochten neem je met gemak,

Achteloos een arm uit het raam

En een sigaret in de mondhoek

Soms een blik in de spiegel

Om te zien wie volgt.

Hoe anders is het als

De bestemming onbekend is

En je toch moet gaan.

Een koffer of twee, of niet eens

Je kleren achterlatend in een kast

Van een ziekenhuis.

Wat je hebt is je geloof,

Onwrikbaar. Nee niet in een God

Maar in de goede afloop

Misschien niet hier op aarde

Maar dan toch ergens anders.

En als de hoop ijdel blijkt te zijn

Dan is er de rust die dood zijn is

Een glimlach op je oude gelaat,

Tien jaar jonger ineens,

Alsof je meer weet dan wij die achterblijven.

Toen we de kist sloten hebben we een pakje Gauloises plus een aansteker meegegeven. De laatste jaren kon hij zelf geen sjekkie meer draaien en dus rookte hij zware sigaretten. Ik heb zijn shagdoosje nog altijd:

Roken is nog steeds aanlokkelijk.

Nog steeds als ik oude films zie waarin wordt gerookt, proef ik de sigaret. Maar dat niet alleen, ik ben terug op heel veel plekken waar ik met genot heb gerookt. Alleen, aan een tafeltje bij Le Village Ronsard op de Place Maubert, met een glas Marc. Op een bankje in Carcès tijdens de markt, rokend, kijkend naar voorbijlopende mensen. Samen met Jan in de Rue Cujas, beiden in een grote leren stoel, de nacht doorhalend tot het ochtendkrieken, uitkijkend op de Sorbonne. Bretagne, Lacanau sur l’Océan, Obernai, Lille. Roken is voor mij sterk verbonden met Frankrijk, met zijn waar ik gelukkig ben. Ergens in een stad of op het platteland. Alleen of samen. Maakt niet uit.

Ik rook inmiddels per week nog één sigaar. Inmiddels heb ik de leeftijd daarvoor dus dat is ok. Bij sigaren gaat het om smaak en geur. En die van de Olifant zijn top. Zaterdagmiddag om vijf uur ga ik buiten op het terras zitten met een sigaar en een bodem whisky. Dan rook ik een uur en lees wat of doe helemaal niets. Mijn familie laat me met rust. Mijn uur waar ik het leven in rust kan overdenken. Dat moment heb ik overgehouden aan een leven zoals hierboven beschreven.

In de zomer rook ik die sigaar op het terras in Carcès. Uitzicht in de verte op Salernes. De warmte om me heen en ín Frankrijk. Zo breng ik roken en Frankrijk weer bij elkaar, zoals het hoort.

Roken is lichamelijk slecht, zeker. Een goede reden om niet te roken. Geestelijk heeft het me nooit dwarsgezeten, integendeel. En de mens is meer dan een lichaam.

En als er één land is waar roken lekker is, dan is het Frankrijk.

Nieuw Lyon

La Sucrière

Veel tijd hadden we niet, we zouden pas aan het eind van de dag aankomen, op doorreis. Op weg naar de Alpen had ik bedacht een nacht te slapen in Lyon en daarna nog zo’n 250 kilometer file te pakken. Het was niet anders.

Andere jaren had ik een hotel in Villefranche geboekt. Klein stadje waar je goed kunt eten en het hotel ligt op een heel rustig, totaal niet aantrekkelijk industrieterrein. Het hotel zelf is trouwens heel erg pittoresk en prima. Maar goed, dat zat vol en dus besloot ik iets te boeken in Lyon.

De neiging is in Lyon centrum iets te boeken, maar ik besloot het anders te doen. Enige jaren geleden stond er zoveel file in en rond Lyon dat we door de stad heen gingen. Ook daar tjokvol. En opeens stond ik stil op een kade, de Quai Jean-Jacques Rousseau, waar ik rechts van me aan de overkant allerlei nieuwe gebouwen zag, vooral een heel bruin gebouw. Het zag en aantrekkelijk modern uit. Daar besloot ik een hotel te boeken. Op goed geluk.

Het werd het MOB-hotel vlakbij het Musée des Confluences. Een hippe entrée met leuke jonge mensen. Het hotel op zich viel wat tegen. Kleine kamers die wat gedateerd ogen én gelegen aan een best wel drukke treinverbinding. Maar goed, niet heel erg duur.

Ik parkeerde de auto in een garage ongeveer een kilometer verderop en liep terug naar het hotel. De eerste indruk was niet echt top. Een oud industrieel gebied waar mensen komen om te werken maar voor de rest niets. Zo leek het. Scharrige types en lege gebouwen. “Heb ik dit echt geboekt?” vroeg ik me af.

En met recht, want in mijn gezin sta ik bekend als degeen die de verkeerde keuzes maak. Zo kwamen we ooit in Schwaben voor een overnachting en daar was het prachthotel in Ottobeuren! Althans, dat dachten de zonen. Ik moest eromheen rijden en we kwamen in een gigantische gedateerde blokhut met dames in klederdracht waar ik helemaal blij van werd. Er was geen wifi! Teleurstelling alom. In Beaune heb ik ooit op de Remparts een hotelletje geboekt dat sinds 1258 niet was veranderd. Afijn, je snapt het.

Maar hoe kan een mens zich vergissen!

We gingen wandelen en wat een gaaf stuk Lyon is dit! In niets lijkt het op het oude centrum. Het ís industrieel en wat ontvolkt. Maar tegelijkertijd zit het vol met restaurants en bars. Heel veel jonge hippe mensen die hier komen. De oude overslaggebouwen worden verbouwd tot hippe tenten waar je heerlijk aan het water kunt zitten. In de Saône liggen boten waar je kunt eten. Ik keek mijn ogen uit.

Cube Orange

Achter de parking zit een heel grote shopping mall (even doorheen bijten) en als je daar doorheen loopt kom je in een druk deel van Lyon uit. En ook daar hetzelfde beeld: nieuw en oud door elkaar qua gebouwen. Veel jonge mensen, overal uitgaansgelegenheden. De Rhône en de Saône die de moeite van het langswandelen waard zijn. De overkant van de Saône die eruit ziet als Luik in België: oude armoedige huizen en gebouwen.

Het is een ruig stuk van Lyon dat over tien jaar niet meer te herkennen is.

’s Avonds hebben we heerlijk gegeten bij Selcius. Leuke jonge mensen met een hip menu. Beetje duur voor wat het is, maar je leeft maar een keer.

De volgende ochtend stond ik voor dag en dauw op om de auto te halen. Voor de file uit was het idee. Zelfs de jongens waren om 06:30 uur op! Ik liep het hotel uit, ging naar rechts en struikelde bijna over de mensen. Tientallen, misschien wel honderden mensen, jong en oud maar allemaal hip, zwermden over de straat. Ik haalde mijn auto en reed naar het hotel. De weg stond vol met taxi’s, ook tientallen. En toen daagde het bij me: deze mensen hadden de hele nacht gefeest in een van die grote gebouwen en kwamen nu pas weer naar buiten. En wat blijkt later: de Azar-club is dus gewoon zo’n hippe tent in het nieuwe Lyon.

De AZAR-club

Alle voorbereidingen op de file waren overigens voor niets. Om 08:30 waren we bij het hotel in Les Ménuires omdat er totaal geen file was. Niets. Een ochtend verder wandelen in Lyon had ik ook wel top gevonden.

Kortom: boek een hotel off the beaten track. Laat de omgeving je niet afschrikken maar ga wandelen. De sfeer inademen en er is altijd weer een mooi nieuw stuk te vinden in alles wat al zo bekend was.

We komen nooit meer van de QR-code af.

Panopticum

Rare tijden waarin we leven. Na bijna twee jaar beperkingen ten gevolge van corona, worden die beperkingen nu goeddeels opgeheven. Sommigen klagen over een lock down van twee jaar maar het was natuurlijk geen lock down. Nooit hebben we verplicht binnen gezeten zoals bijvoorbeeld in Spanje wel het geval is geweest.

Anyway: het lijkt erop dat we van alle dingen af zijn.

Ik kijk daar met gemengde gevoelens naar. Enerzijds houdt Europa nog vast aan de QR-code om toegang te krijgen tot van alles en nog wat. Dus als Nederland eenzijdig besluit die code niet meer te onderhouden of te faciliteren, dan wordt Europa ontoegankelijk voor ons allen. Niet alleen voor hen die er willens en wetens voor hebben gekozen zich niet te laten vaccineren of geen QR-code te nemen. Die groep heeft het zelf gekozen maar de rest van Nederland niet. Ik hoop dus dat zolang de wereld nog een toegangsbewijs vraagt, Nederland dat gewoon faciliteert. En als er een nieuwe rotvariant opduikt lopen we weer maanden achter als er nieuwe wetgeving moet komen. Is niet handig.

Anderzijds heb ik mijn twijfel over de toekomst van de QR-code. Ik heb namelijk een diep geworteld wantrouwen jegens overheden. Mijn wantrouwen gaat niet over deze regering of politici. Mijn wantrouwen zal ik niet inleiden met woorden als ‘zakkenvullers’ (dat zijn politici namelijk niet), ‘onbetrouwbare types’ (dat zijn de meeste politici niet) of ‘baantjesjagers’ (dan wordt je namelijk geen politicus). Mijn wantrouwen betreft iets anders.

Overheden disciplineren burgers

Iedere overheid heeft de neiging burgers te disciplineren. Dat is handig want als je mensen disciplineert dan gedragen zij zich zoals jij, als overheid, dat wilt. Eenvormig, nette categorieën, weinig afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde en voorspelbaar. Daar kun je beleid op maken. Je zorgt dan voor maatregelen voor de gemiddelde mens en als iedereen nou doet wat jij voor ogen hebt, dan kloppen die maatregelen gemiddeld prima. Afwijkingen zijn lastig voor iedere overheid. Die zijn niet voorspelbaar, daar ben je niet op ingericht, die zijn duur en zij vormen een potentieel politiek risico. Over een afwijking kun je struikelen.

Tot zover de kern van beleid maken en beleid uitvoeren. Gemiddeld zal de burger daar niet veel last van ondervinden.

Overheden hebben de neiging die maatregelen uit te breiden en zich daarbij te baseren op algemeenheden waar je niet tegen kunt zijn. Een voorbeeld: de overheid weet van mij precies waar ik wanneer ben met mijn auto. Dat weet de overheid van iedereen. En waarom? Om een miniem aantal schurken te kunnen vangen. Daar kun je niet tegen zijn toch? Stel, jou wordt iets aangedaan en dankzij de 24uurs surveillance pakt men de dader op. Jij blij, boef van de straat en wie wil dat nou niet? De daders van de moord op Peter R. de Vries zijn op die manier opgepakt. Dat voelt als gerechtvaardigd.

Het doel is echter controle en dat doel breidt zich over de jaren uit. De gebruikte middelen worden ook steeds vaker gekoppeld. Een stad uitrijden, de snelweg op, tanken bij een tankstation, pinnen, je mobiel gebruiken via GSM-masten et cetera. Ieder van ons heeft inmiddels een digitaal profiel.

Zo’n profiel is handig want ook daarmee kun je vanuit statistische analyse proberen individueel gedrag te voorspellen. Je navigatie stuurt je nu ook al. Als ik richting A28 rij waar file staat krijg ik alternatieve routes aangeboden. Ik word dus gestuurd op basis van informatie. Informatie is goud waard.

Bedrijven doen dat ook volop en daarin loopt Google voorop, dus wat zeur ik nou? Ik zeur omdat de overheid geen bedrijf is maar mijn overheid. Dat de overheid namens mij en door mij betaald alles op alles moet zetten mij te vrijwaren van grote shit en te voorzien van een infrastructuur die mij een goed leven mogelijk maakt. De rest doe ik zelf.

En dan nu de QR-code. Waarom vind ik die een potentieel gevaar?

De doelstellingen die overheden hebben zijn van verschillende aard. Het begrotingstekort beperken, het leger opbouwen, meer politie op straat et cetera. Daarnaast heeft de overheid last van burgers. Die kosten bakken met geld en zij verstoren de politieke processen. Of het nu inwoners van Groningen zijn, mensen die failliet zijn geraakt door het opmerkelijk kwaadaardige beleid van de belastingdienst, oud werknemers van Defensie die ziek zijn geraakt: het is altijd lastig en vervelend voor de overheid.

Al die verstoringen kun je voorkomen. Hoe? Door burgers technologisch onder toezicht te stellen. Het plaatje in deze blog is van een panopticum. Dor Jeremy Bentham bedacht als ideale bouw voor een gevangenis. Met minimale middelen maximale controle op de gevangenen. Zo’n panopticum kan de QR-code worden. Een voorbeeld.

Stel je voor dat het menens wordt met de rookvrije generatie. Wat ik hoor van mijn zonen is dat er volop wordt gerookt door tieners. Dat is volgens de regering, en inmiddels volgens iedereen, niet gezond. Door roken krijg je kanker en ga je eerder dood. En nog iets: als je rookt hinder je ook anderen. Roken is kortom een serieus ding om aan te pakken. Wat nou als we voor de aankoop van rookwaar een QR-code verplicht stellen? Het ding is er nou eenmaal toch en iedereen begrijpt dat het voor ieders gezondheid goed is roken aan banden te leggen. Afijn, je koopt met je QR-code zeg heel goede sigaren en dat doe je tweemaal per week. Best veel. Is het dan mogelijk via je QR een bericht te sturen dat je teveel rookt? Ja, dat kan. Kan een ander via zijn QR-app melden dat jij zit te roken op een terras waar hij last van heeft. Dat kan ook. Sterker nog, als je je bluetooth hebt aanstaan sta je in digitaal contact. De melding gaat automatisch.

Het is dus mogelijk dat een QR-app wordt ingezet om roken aan banden te leggen. En wie is daar nu tegen? Het is immers slecht en anderen hebben er ook last van.

Hoe zit het dan met drinken, honden en weinig bewegen?

Mijn stelling is dat als iets technologisch mogelijk is het ook gebruikt zal gaan worden. Ik voorspel hierbij dat onze overheid slimme techniek zal gaan gebruiken om het roken te verminderen. Wellicht niet met precies die QR-app maar wel met iets dat er op lijkt. We zijn er aan gewend geraakt dus is het niet een heel grote stap. Ik heb nog wel wat dingen die ik gereguleerd zie:

Drinken: slecht voor de gezondheid, huiselijke vrede en arbeidsproductiviteit. Honden: opdringerige beesten die veelal al een chip hebben. Veroorzaken enorm veel CO2 vervuiling en poepen overal. Te weinig beweging: toegang tot een stappenteller met een aangeboden coaching als je niet genoeg beweegt of teveel beweegt richting fast food restaurants. Maar natuurlijk ook het aansteken van je houtkachel of je BBQ: het milieu gaat ons allen aan, daar kun je niet tegen zijn, dus waarom geen connected fijnstofmeters die door de overheid worden uitgelezen. Slimme apps en IoT kunnen zo het panopticum van de toekomst vormen. Zullen het panopticum van de toekomst worden.

Dat panopticum is er al en zal worden uitgebreid.

Ik zie dat als een schrikbeeld. Mij zonen kijken daar heel anders naar. Hartstikke handig toch al die mogelijkheden. En wat maakt het nu uit wat wie over jou weet. Zij zijn eraan gewend dat privacy de ‘new currency’ is. Ik ben dat niet.

De technologische middelen die er zijn en komen zullen door de overheid, en zeker onze overheid, worden gebruikt om ons te disciplineren. Ik koester daarover geen enkele illusie. Diezelfde overheid zal ook steeds verder achter de voordeur komen. Dat gebeurt nu al bij mensen met een bijstandsuitkering bijvoorbeeld. Maar ach, daar heeft de rest geen last van en het is ook logisch. Als je geld krijgt van de staat mag die zich ook met jouw AH-tasje bemoeien. Had je maar beter je best moeten doen. Het zijn anderen hè.

Maar iedereen doet zijn best om een beetje lekker te leven. Zodra echter een overheid invult hoe dat lekkere leven eruit ziet gaat het mis. En zodra een overheid dat kan gaan monitoren en bijsturen gaat het heel erg mis. Ik ben er geheel niet gerust op dat de fatsoensrakkers, die het ideale leven zien als een steriel leven waarbij het streven gezond sterven is, niet zullen ingrijpen. En we hebben een jaar kunnen oefenen met onze QR-code.

Kortom

Kortom: de QR-code om tijdens corona de boel te reguleren sta ik geheel achter. Heb ik steeds gedaan, doe ik nog steeds. Dat je hem niet te snel afschaft ook. Er kan immers zomaar een nieuwe heel nare variant komen. Geen moeite mee. Ik heb in het buitenland gemerkt en gevoeld hoe rustgevend het is als iedereen zich aan de maatregelen houdt. Prima.

Mijn twijfel zit erin dat ik denk dat onze overheid er geen einde aan gaat breien maar (nu al) op zoek is naar nieuwe toepassingen. En dan komen we in een wereld die ver weg lijkt maar heel dichtbij kan zijn.

Woensdag 5 februari 2026

09.00 uur.

Ervoor gekozen vandaag wat langer in bed te blijven. De eerste Meta Meeting is pas om 10.30 sinds we vanaf 1 januari minder energie moeten verbruiken. En om 16.00 gaat de boel weer dicht. Vorige week liep een meeting uit en toen begon de slimme meter te loeien. Wat een herrie. ’s Middags werd ik gebeld door de MES, de Meta Energy Service. Wel mooi om te zien hoe die dienst veranderd is.

Drie jaar geleden nog maar hebben ze ons geholpen van het gas af te gaan en een warmtepomp plus zonnecellen te installeren. Was echt top hoe dat ging. Toen in augustus vorig jaar bleek dat er niet genoeg bomen meer zijn voor de biogasinstallatie, veranderde hun opstelling. Het werd een dienst die schaarse goederen moet verdelen. Mijn cynische constatering is dat ik blij mag zijn dat ik van oudsher Nederlander ben en geen dubbele achternaam heb. Ik heb tenminste nog stroom tussen 10-16 uur. Mijn buren zes huizen verderop hebben stroom van 11-14 uur. Andere verdeelcategorie.

Voor de inwoners is er sowieso beperkte stroom. Hier in het dorp ging de NFT-hub van IDUNA voor met energie. Vanwege de werkgelegenheid werd er gezegd. Ja ja. Maar ik snap het wel. Sinds mensen hun DNA kunnen NFT’en is het big business geworden. Voor eeuwig vastgelegd in Blockchain. Onsterfelijkheid. Je kinderen kunnen je NFT-legacy verkopen aan mensen zonder papieren of van een verkeerde komaf. Zo krijgen die ook toegang tot diensten. Altijd handig. Er kwam geen baan bij maar we staan wel op de kaart in de westerse wereld. Het zonnecelveld op de oude A27 draait overuren voor IDUNA en als het bewolkt is krijgen ze energie van het windpark Amelisweerd. En pas dan wij.

Wat wel went overigens: werkdagen met contact tussen 10-16 uur. Wat deze winter erg lastig is, is de kou. Ik had laatst de thermostaat op 16,5ºC gezet maar na een minuut of tien werd die teruggezet naar 15ºC. Direct had ik in mijn CitizenApp een betaalverzoek van €250. Dat waren dus heel dure graden.

Donderdag 6 februari 2026

14.00 uur.

Zo, klaar met de Metameeting voor vandaag. Besproken hoe we mensen in wijken met minder dan tien gezinnen toch kunnen blijven servicen. Dat wordt een hele klus, omdat er heel veel van dat soort wijken zijn. De steden zijn leeggelopen toen wegen werden gesloten vanwege de stikstofshit die er was en men massaal is gaan wonen in tiny houses rond de datacenters. Kun je je huis tenminste nog verwarmen én koelen van de restenergie. En koelen is best nodig. Rond begin augustus begint tegenwoordig de droge zomer en dan is het echt heet, echt heet. Meer dan 50ºC. De maanden daarvoor heeft de regen tenminste een verkoelende functie maar als de regen uitblijft dan wordt het moeilijk. En dan kunnen koelen met de restenergie is best een luxe.

Komend weekeinde met Niek naar het park om (illegaal) hout te verzamelen. We gaan met de bakfiets om in ieder geval genoeg te hebben voor een paar dagen. Zo krijg ik het nog iets warmer.

Gisteravond, ik had echt mijn dag niet, kreeg ik een melding op CitizenApp waarom ik geen test had ingeleverd. Shit, helemaal vergeten. Ik baal ook wel van dat iedere dag testen maar anders kan ik geen eten et cetera bestellen bij de Meta Food Service. Prima app hebben ze, maar zonder test kan ik staren naar het scherm zonder dat ie iets doet. Ik heb dus nog maar even getest en de boel geüpload via de chip. Ik kreeg direct een negatief resultaat terug. Daar ben ik blij mee. Geen corona.

Die Thèta-3 variant is wel eng. Ik weet nog dat ik januari ’22 corona had, Omíkron-1. Stelde geen bal voor. Thèta-3 is echt gevaarlijk. Nederland heeft nu nog een kleine elf miljoen inwoners en ik leef nog! Maar goed, ik laat ook iedere maand een booster toedienen. Dat is mooi. Ze hadden net op tijd dat resomeren uitgevonden. Alleen al in mijn omgeving hebben meer dan tien mensen zich laten oplossen. Vroeger kreeg je de resten thuis, maar dat is niet meer. Die gaan nu naar het Meta VitaFund, voor mest. Dat is ook gebeurd met al het vee en alle huisdieren. Als je volledig vegan leeft zoals wij tegenwoordig is er veel productie nodig. Dan komt iedere kilo mest van pas.

Blij dat ik niet in de buurt woon van een Meta VitaFund installatie. De lucht is niet te harden heb ik gehoord.

Vrijdag 7 februari 2026

11.15 uur

Ik ben moe. Weinig geslapen. Het waaide hard en de isolatie klapperde. Moet ik vastzetten. Ik ben bijna jarig en wil wat met Niek doen. Het liefst had ik mijn kinderen hier, maar die zitten tegenwoordig in Groot-China. Ze wonen prima in Taipei. Vroeger zou ik naar hen zijn gevlogen maar ik heb niet voldoende CitizenPoints verzameld voor een ticket. Ik vergeet te vaak iets, ik ben geen goede burger. De thermostaat vergeet ik, ik vergeet de Leider te danken, ik vergeet mijn urine opnieuw te gebruiken en zo gaat dat maar door. Ik heb gewoonweg niet voldoende punten. Ik zal ze dus niet meer zien, behalve in onze Meta Meetings. Voelt als echt aan, dus ik berust. Verder wordt mijn verjaardag gewoon klote natuurlijk. Geen drank meer omdat dat slecht voor je is. Vegan koeken die je kunt oplossen tot een smoothie verhogen de feestvreugde ook niet. Ik heb dus iets waar niemand achter mag komen. Ik heb nog twee Cohiba Siglo V liggen en een gaat er dit jaar doorheen, de ander over vijf jaar, als ik zeventig word.

Zaterdag 8 februari 2026

08.00 uur.

Zojuist is het laatste nieuws van de week via MetaVerse in mijn brein gedownload en ik kan me dus helemaal op de hoogte stellen. Eerst een koffiecube oplossen en lekker drinken. Weekeinde. Vandaag niets en morgen naar de parade voor de Leider. Daar worden de laatste maatregelen bekend gemaakt en ga ik zien wie er niet meer bij zijn vergeleken met vorige maand. Geresomeerd. Er is altijd muziek en ik vind het wel een uitje. Dat pak zit niet zo lekker maar ik doe het er maar mee. We gaan het zien! Koffie!

3 tips voor een fijne isolatie.

Stel je voor, je houdt op alle plekken waar je bent rekening met corona. Met kerst ontvang je heel beperkt mensen en die doen allen een test vooraf. Negatief. Met oud en nieuw zie je vooral vrienden buiten bij een vuurtje en ook zij zijn getest: negatief. En dan word je wakker op 1 januari en voel je je brak. Zoveel heb je niet gedronken en heel erg laat was het ook niet. De volgende dag word je wakker met een enorme keelpijn en doe je voor een derde keer een zelftest: bam, twee vette roodroze strepen. Positief.

Het overkwam mij.

Ik hoefde niet na te denken en ging direct in isolatie op de slaapkamer. Het gezin ging in quarantaine en bleek negatief te testen. Dat was winst. Ik maakt een afspraak bij de GGD en op 4 januari reed ik naar Doorn en werd flink in neus en keel gepord. `s Nachts om een uur of vier kreeg ik de uitslag die ik al kende. Positief. Ik had corona.

Ik zat toen al voor de derde dag in isolatie en besloot dat nog even vol te houden. Hoe heb ik dat ervaren?

Op het moment dat ik positief bleek schrok ik wel wat. Ik heb astma en ik had geen idee wat de gevolgen zouden zijn voor me. Zou het op mijn longen slaan, zou ik het benauwd krijgen of zou het gewoon voorbij gaan? Je kunt niet anders dan gewoon afwachten en lezen over corona. Bij benauwdheid de huisarts bellen, las ik.

Ik besloot me er maar gewoon aan over te geven. Ik heb altijd de mond vol van allerlei filosofen en nu dacht ik aan Heidegger. Die heeft veel geschreven over Gelassenheit: de dingen, de wereld nemen zoals die zich aan je voordoen, zonder dat allemaal te willen interpreteren of te begrijpen. Ik zou me er niet tegen te verzetten. Verzet je niet.

Je gezin krijgt opeens een heel gekke plek, namelijk aan de rand van je bestaan. Ze mogen niet binnenkomen maar willen wel voor je zorgen. De jongste zoon die de deur op een kiertje doet en vraagt ‘heb je zin in een stroopwafel?’ en die dan op het kastje legt en heel snel weer verdwijnt. Je wordt je heel erg bewust van het kleine geluk in het leven. Je gezin is er zonder er te zijn. Dat gevoel is heel waardevol. Vier ieder mooi moment.

Ik heb met alles veel meer tijd genomen dan ik ooit doe. Lang douchen en lekker warm worden. Heel bewust scheren. Niet éen Netflix-aflevering over de Tweede Wereldoorlog kijken maar gewoon drie achter elkaar. Ongegeneerd lang in een kookboek lezen en bedenken wat ik allemaal zou koken als het leven weer normaal werd. Urenlang luisteren naar Radio 1. Soms met heel veel aandacht, soms als ruis op de achtergrond. Leven alsof je over een bochtig bospad loopt langs een riviertje. Soms ben je dichtbij en zie je het riviertje en hoor je de stroming, soms is het een geruis in de verte. Soms met heel veel aandacht en soms achteloos. Ik vertraagde de tijd waarmee de dagen korter werden. Heel lekker. Sluit je dus op in het nu en laat dat heel lang duren en langzaam voorbijgaan.

En zo kom ik op drie tips bij isolatie:

  1. Verzet je er niet tegen
  2. Vier ieder mooi moment, hoe klein ook
  3. Verdicht de tijd tot een punt

De belangrijkste manier om er doorheen te komen is natuurlijk weten dat er een einde komt aan je isolatie. Bij mij betekende dat overigens dat het gezin na mij ook corona had. En dan na enige dagen gaat het leven weer aan en ga je dat ene gerecht koken, luister je alleen nog naar Met het oog op morgen en neem je niet meer de tijd om veel tv te kijken.

Het was een raar soort mini-vakantie.

Nice! Het is mooi gedaan.

In het najaar 2021 was ik weer eens een dag in Nice en in 2020 had ik de mazzel voor alle lock downs en beperkingen vier nachten er te kunnen verblijven. En zo ben ik in de loop der vele jaren geregeld in Nice geweest en kijk ik ernaar uit terug te keren.

Wat maakt het nou zo’n aantrekkelijke stad, want dat is het voor mij?

Mijn liefde voor Frankrijk en de Var is inmiddels wel bekend. De afwisseling van natuur, van ruig tot lieflijk, en ook de afwisseling van steden vind ik erg verleidelijk. Marseille is ruig en volks en luid en heel basaal. Cannes is een echte kleine leefstad. Ondanks alle toerisme wordt er hier volop geleefd. Je ziet en ruikt dat aan alles. En dan Nice. Ruig noch volks, leefstad met de allure van de Côte d’Azur.

Als je met de auto naar Nice gaat en je rijdt langs het vliegveld de boulevards af richting de stad voel je de weelderigheid van de kust over je heen komen. De zee is knalblauw, de zon aanlokkelijk, en links de gebouwen die groter en ouder worden. De Promenade des Anglais op langs het Negresco en linksaf parkeergarage Ruhl in. Snel parkeren en dan naar boven.

En daar sta je dan, op de Promenade met zicht op de zee.

Ik zou zeggen: omdraaien en de stad in inwandelen. Lunchen met de voeten in het zand komt later wel. Je vindt er echt alles. Grote brede boulevards met alle grote merken, en in de zijstraten (bijvoorbeeld Rue du Maréchal Joffre en omgeving) kleine boetieks met mooie kleding, schoenen, keukenspullen et cetera. Je kunt er heerlijk winkelen.

Je kunt ook naar de Place Masséna lopen en daar van Lafayette genieten of op het plein wat drinken en mensen kijken. Je kunt er ook naar die fantastische mannetjes in de lucht kijken die ’s avonds verlicht worden.

Steek ook eens over en loop naar de oude stad. Zeker, het is een tourist trap, maar wel een om in rond te lopen. Hier word je verleid om rond vier uur ’s middags te dineren bij een lokaal toeristenrestaurant. Niet doen dus. Kwaliteit is toeristenkwaliteit. De oude stad is wel heel mooi om te wandelen. Langs het standbeeld van Garibaldi rechtsaf naar de markt en van daaruit naar het strand. Een prachtroute.

Als je puf overhebt kun je de Colline du Château beklimmen. Een hele wandeling maar wat een beloning als je eenmaal boven bent. Het mooiste uitzicht dat een mens zich kan wensen.

Tot zover het toeristische praatje.

Want waarom is Nice zo aantrekkelijk voor mij? Dat komt door de sfeer en het verrassende karakter van de stad. Als ik er rondloop voel je dat Nice de rand van Frankrijk is en een brug met Noord Afrika. Je proeft het in het eten en je ruikt het als je aan de Méditerranée staat. Daar, aan de overkant ligt Afrika. Waar je dat voelt in de havenstad Marseille in de ruigheid en de no nonsens mentaliteit, voel je het hier in de kleinere dingen. De loomheid, het pittige eten. De verrassing zit voor mij ook in de verschillende sferen die er zijn waarbij de stad altijd zichzelf blijft. Of je nou Canadees gaat eten bij Le Québec (toeristisch, veel en vet) of in een zijstraatje bij Sushiya van ramen geniet (beide niet echt Frans), de stad neemt je op in een soort weldadige luxe van niks hoeven.

Ik heb die sfeer nog het meest ervaren bij de wandeling naar het Musée Marc Chagall. Die wandeling gaat vanuit het centrum naar buitenwijken, langs drukke verkeersaders tot in een weelderige wijk waarin de rust direct op je neerdaalt. Het museum zelf is prachtig en de moeite waard, maar de wandeling heen en terug is dat ook.

Toen wij in het Hôtel le Roosevelt logeerden liep ik wel eens de buurt achter het hotel is. Niet richting de drukte maar tussen alle woonblokken door. Daar vooral zie je de luxe maar ook de aandacht voor details. Prachtige gebouwen waar ieder detail doordacht is en perfect is uitgevoerd. Grote witte gebouwen badend in het zonlicht. Erboven een hemelsblauwe scherpe lucht.

De laatste keer in Nice gingen we op aandringen van mijn zoon een cocktail drinken in het Negresco. Hij wilde per sé daar naar toe en ook voor mij was het de eerste keer. Een nieuwe laag werd daar aan Nice voor mij toegevoegd: die van een luxe, rijk verleden waar de rijken uit de hele wereld kwamen genieten van de kust en het mooie leven. Nu is het een beetje vergane glorie.

We genoten van een cocktail in de bar. De bar heeft uitzicht op de lift. Uit de lift stapten twee zeer oude mensen. Keurig verzorgd, pasteltinten in de kleding en twee kleine vinnige hondjes aan de lijn. Weggelopen uit een boek van Somerset Maugham. Even betrad het verleden het heden en voelde ik dat het ooit een va et vient moet zijn geweest van welgestelden. Een prachtige bar met erachter een prachtige koepelzaal en een zeer opmerkelijk toilet.

Ieder stukje van Nice klopt voor mij. Ultiem zomer vieren. Je laven aan weer en sfeer. Zorgeloos en zacht.

Stoeltjes in de kleuren van de Tour de France.

Zuid Frankrijk is zeer divers en ik kan over ieder plekje en iedere stad een idolaat verhaal schrijven. Steeds weer. En toch is Nice voor mij anders. Waar de andere steden veelal klein opgezet zijn heeft Nice veel ruimte. Zowel horizontaal met pleinen, straten, de Porménade, het strand als verticaal: de colline, de heuvel waar het museum ligt. En waar je ook uitkomt, het oogt steeds ruim, wijds, licht, zomers en heel erg relaxed. Nice is een klasse apart. Waar je van andere steden moe wordt, rust je in Nice uit.

Het is mooi gedaan.

Terminus Nord

Reizen is voor mij begonnen toen ik op mijn achttiende de trein uitstapte op het Gare du Nord in Parijs. De drukte, de geuren, de mensen en vooral Parijs! Geld had ik niet heel veel en dus was het plan te kamperen in het Bois de Boulogne. Een zware rugzak achterop bij mij en mijn vriendinnetje.

We stapten het station uit en direct werd mijn aandacht getrokken naar een zaak aan de overkant van de Rue de Dunkerque: Terminus Nord. En hoewel we niet veel te besteden hadden zijn we er toch naar binnen gelopen en hebben wat besteld.

Ik heb daar de heerlijkste maaltijd ooit gegeten. Ik weet niet meer hoe laat het was, ik weet niet meer wat we gegeten hebben. Het enige dat ik weet dat ik voor het eerst van mijn leven op eigen houtje terechtgekomen was in een totaal Franse tent. Zo een met spiegels en veel koper. Met obers die zo treffend door Sartre zijn beschreven in l’Ètre en le Néant (een boek dat ik pas later zou lezen). Met geroep naar de bar, “un café, un”. Met Parijzenaars die aan hun tafeltje wat aten, wat kletsten en daarna (wat toen nog kon) een Gitanes maïs opstaken.

Naar mijn gevoel hebben we daar uren gezeten, maar dat zal wel niet kloppen.

Bon, we hebben daarna nog twee weken op de camping gestaan. Niet heel best, crowded en best ver buiten de stad. Maar Parijs is nooit meer uit mijn leven verdwenen. En nog steeds wil ik naar Terminus Nord om wat te eten. Zal nog steeds op en top Frans, of beter Parijs’ zijn met Franse klassiekers op het menu.

Later heb ik in de tientallen keren dat ik in Parijs was en woonde allerlei restaurants bezocht. Van achenebbisj couscous-tentjes in Quartier Latin tot La Coupole of Café de la Paix. Alles. De eerste klap bleek toch een daalder waard: Terminus Nord staat voor mij nog steeds voor oer-Parijs.

Als ik eerlijk ben mis ik Parijs altijd.

Wappies met slechte bedoelingen

Je komt ze tegen op social. Mensen die tegen alle coronamaatregelen zijn en de huidige toestand vergelijken met alle vervolgingen in de Tweede Wereldoorlog. Mensen die zich afficheren als “nieuwe Joden”. De vergelijking wordt soms helemaal doorgezet. In demonstraties lopen ze met gele sterren op hun kleding. En nog steeds, ook nu de demonstraties zijn opgedroogd, zie ik alle vergelijkingen voorbijkomen op twitter. Die de regering onderdrukkers noemt. Stellen dat er later tribunalen moeten komen voor de landverraders. Die een eigen partij hebben: FvD.

Dat soort wappies, een veel te vrolijk klinkende term, moet zich doodschamen. Allereerst natuurlijk voor hun uitingen maar eigenlijk nog veel meer voor hun volstrekte lege brein waarin hersenactiviteit is gereduceerd tot slechtheid en ressentiment. Slecht volk.

Dit is mijn vader

De foto van mijn vader in de gevangenengalerij in het huidige museum.

Ben Koopman. Geboren in 1923 in een gezin met twee broers. Zijn ouders hadden het niet al te breed en probeerden het gezin goed op de been te houden. School zat er niet in, gewerkt moest er worden. En dat betekende dat mijn vader op zijn 13de jaar scheepsjongen werd. Op de foto hierboven een jaar of 17, 18. 1940 of 1941 gemaakt en op de foto kijkt hij wat beschouwend in de camera, niet wetend wat er gaat komen. Wat ging er komen?

Dit is Joseph Kotalla

Joseph Kotalla, of zoals hij meestal genoemd werd Kotälla, werkte in de jaren 40 van de vorige eeuw in Kamp Amersfoort. Na vele omzwervingen, waar zijn sadisme was gebleken, werd hij overgeplaatst naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, kort PDA. Hij was 15 jaar ouder dan mijn vader. Zijn bijnaam was de Beul van Amersfoort en er was een trap naar hem vernoemd: de Kotälla-trap. Een harde schop in het kruis van gevangenen van het PDA.

Hoe leerden zij elkaar kennen?

Daar is dus mijn vader, Ben, en een Duitser, Joseph, die elkaar in de oorlog leren kennen. Maar hoe? Simpel. Mijn vader werd gearresteerd wegens verzetswerk tegen de bezetter en hij kwam in 1943, 20 jaar oud, in Amersfoort terecht. Daar heeft hij maanden vastgezeten en leerde hij Joseph, 35 jaar oud, kennen. Hadden ze goede gesprekken of wisselden ze gedachten uit. Zouden ze elkaar zoals nu op social hebben ontmoet. Zou mijn vader hebben kunnen demonstreren en Kotälla voor fascist hebben kunnen uitmaken?

Ik denk het niet.

Mijn vader kende hem van het vele slaan, het trappen, het eeuwig op de appèlplaats staan en daar oefeningen doen tot men er dood bij neerviel. Hij kende hem van de Rozentuin. Een smalle gang met prikkeldraad waarin hij voor straf oefeningen moest doen en, als het niet goed ging, hij halfdood werd geslagen. Hij kende hem jaren later nog doordat de rug van Ben altijd gevoelloos en koud is gebleven. Kapotgeslagen door een sadist die er plezier in had mensen dood te slaan.

Kotälla was een in- en inslecht mens. Zijn sadisme kon hij volledig kwijt in een systeem dat was ingericht op het vernietigen van mensen. Verzetsmensen, Joden, politieke gevangenen, Roma, Jehova-getuigen, communisten en socialisten, Sinti, homoseksuelen, ga zo maar door. Kotälla was de hand in de handschoen. Net als zijn baas, Karl Peter Berg. Individuen, raderen in een machine waar zij zich helemaal goed bij voelden. Konden doen wat zij wilden omdat het onderwerp van hun haat, andere mensen, vernietigd mochten worden.

De laarzen van Berg

Dit is een bronzen afdruk van de laarzen van Berg. Voor de appèlplaats staan zij in het grint. Ervoor lege voetafdrukken van al die gevangen die in het PDA hebben gezeten. In totaal hebben zo’n 40.000 gevangen vastgezeten in het kamp, waarvan er 468 zijn vermoord. Berg keek toe hoe men voor hem stond, vooral niet opvallen want dat kon betekenen dat je de avond niet zou halen.

Jaren na de oorlog barste mijn vader in tranen uit. Hij, bokser, worstelaar, had meegemaakt dat een kameraad van hem werd doodgeslagen. Hij kon niets doen. “Twee, drie van die moffen had ik kunnen hebben”, zei hij “maar geen vijf of zes”. Hij moest toezien en verder niets. Zestig jaar later kwamen de tranen.

Terug naar Ben.

Mijn vader heeft het overleefd. Hij stond op de lijst om naar Buchenwald te worden gestuurd tot de directrice van het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht ingreep. Zij kende mijn vader uit het verzet. Zij heeft bij Berg voor elkaar gekregen dat hij op 28 mei 1944 vrijgelaten werd uit het kamp en ging werken in het SAZU. Daar werd hij vervolgens op 7 augustus 1944 formeel in dienst genomen als ‘huisknecht’, twee maanden na de ontberingen van het kamp. Vijftien jaar later ben ik in hetzelfde ziekenhuis geboren, op 7 augustus.

En nu die wappies weer

Mijn leven is geïmpregneerd door de oorlog. Die is er altijd wel en nooit niet. Dat is nou eenmaal zo. Ik heb in mijn jeugd de jaren meegemaakt waarin mijn vader stil werd rond 4 mei. Waarin hij woedend was toen de ‘drie van Breda‘ vrijgelaten zouden worden. Hij vertelde nooit veel. Wel later over die kameraad, soms over vriendschap in het kamp en hoe fragiel die altijd was. Wat mijn vader eraan over heeft gehouden is een feilloos gevoel voor helden, bange mensen en verraders, lafaards. Je mag bang zijn zei hij dan, maar nooit een lafaard en zeker geen meeloper.

Als ik wappies zie en hoor die de vergelijking maken met de oorlog moet ik altijd denken aan wat mijn vader zei van de Binnenlandse Strijdkrachten van net na de bevrijding. Dat waren in de oorlog grote lafaards waar je niets aan had en toen het veilig was kwamen ze naar buiten. Doen alsof zij het verzet waren geweest. En heel stoer, vrouwen kaalscheren en met menie besmeuren. “Dat soort volk is nutteloos als het erop aan komt. Volkomen nutteloos.” Zijn woorden. Mijn gedachten als ik dat boze protesterende volk zie. Volkomen nutteloos als het erop aan komt.