Waarom we moeten praten met elkaar

Praten is klanken uitstoten met als doel dat de ander mij hoort. Praten is je mening uiten met als doel dat de ander weet wat je ergens van vindt. Praten is afwachten dat de ander adem haalt zodat jij jouw mening kunt uiten. Praten is het vinden van een haakje in het verhaal van de ander om je eigen overtreffende-trapverhaal te vertellen.

Eigenlijk is dat allemaal geen praten. Althans, geen praten mét. Met een ander. Het is praten tegen een ander.

Praten kan en moet veel meer zijn, praten moet deel uitmaken van een gesprek.

Wat is een gesprek.

Als je de definitie van ‘gesprek’ opzoekt komt er iets uit als:

‘Een goed gesprek is een gelijkwaardige, open dialoog gericht op echt begrip, persoonlijke aandacht en verbinding, waarbij actief luisteren centraal staat zonder direct naar oplossingen te zoeken. Kenmerken zijn onder meer veiligheid, oprechte interesse, non-verbaal contact en de ruimte voor kwetsbaarheid en wederzijdse feedback.’

Er staat dus ‘een GOED gesprek’. En daarna komt er een hele uitleg die vooral gaat over interconnectiviteit, convivialiteit, verplaatsen in de ander, je goed voelen, veilig zijn, kwetsbaar zijn et cetera, enzovoort.

Dit herkenen we allemaal. Een lekker gesprek kennen we allemaal. Met vrienden eerst een beetje ouwehoeren, een wijntje erbij en dan komen misschien wel persoonlijke ontboezemingen. Omdat we ons geborgen voelen bij elkaar durven we dingen te zeggen die ons kwetsbaar maken. Gewoon om een keer je hart te luchten bijvoorbeeld, of te vertellen waarmee je omhoog zit. Persoonlijk of in je werk. Niet de diepte in maar gewoon even kunnen leeglopen. Zonder oordeel vanuit de ander.

Dat moeten we sowieso kunnen en doen.

Ik zou er nog een stap aan willen toevoegen: communicatief handelen.

We praten veel maar bereiken niets

Woorden zijn daden. Als ik op dit moment de tv aanzet, de radio, luister naar een politiek of maatschappelijk debat, dan hoor ik veel geluid, veel woorden. Mensen die tegen elkaar praten, wachten tot het moment dat de ander adem moet halen om er direct in te komen met de eigen mening, een jij-bak (Yeşilgös) of een verwijt. Het ergst zijn talkshows, praatshows. Daar mogen volstrekt ongeïnfomeerden, volstrekte nitwits, hun mening uiten over de aanvallen op Iran. Iedereen een mening. Iedereen praat. De deskundige van dienst wordt meestal het minst serieus genomen want de mening van de man in de straat telt meer. In de politiek geldt dat adagium ook: we moeten inclusief zijn en luisteren naar iedereen. En daar moeten we dan vervolgens wat mee doen. Dat is vreemd op zich. Als ik een kast wil maken luister ik ook niet naar iedereen. Ik luister dan vooral naar mensen die het al vaak hebben gedaan en er beter in zijn dan ik. Maar wij zijn eraan gewend geraakt dat iedere mening telt.

We luisteren naar iedereen en bereiken er niets mee.

Ik stel voor dat we stoppen met deze geestelijke luiheid. Het klinkt heel aardig die inclusiviteit, maar het is extreem lui. Onverschillig bijna. Waarom zou ik luisteren naar een gemiddelde mening over een moeilijk onderwerp? Gewoon, om geen gezeik te krijgen. Omdat de persoon met een mening, maar zonder visie zeker heel lui is, maar tegenwoordig ook beschikt over een enorme megafoon: social. De versterkte grote mond.

Laten we het anders gaan doen

Ik stel voor dat we elkaar weer meer serieus gaan nemen. Zo serieus dat we elkaars uitspraken beoordelen op drie onderdelen: waarheid, juistheid en legitimiteit.

Ik heb dit niet zelf bedacht, maar daar kom ik zo wel op terug. Voor nu wil ik heel kort uitleggen wat ik ermee bedoel en wat het betekent. Maar ook waarom het nodig is, maar niet zo modieus.

Wat ik zou willen is dat als wijzelf of iemand anders een uitspraak doet, we ons altijd afvragen: is het feitelijk waar wat er wordt gezegd, is het normatief juist wat hij zegt, weet hij waar hij het over heeft, en als laatste pas, mag die ander dat zeggen, meent hij het oprecht, is hij waarachtig?

Neem de politiek, gewoon een debat in de Tweede Kamer. Daar mag iedereen zeggen wat hij of zij wil. Daar ben ik overigens juist daar niet op tegen. De reacties op overduidelijke nonsens (er is een Deep State die ons wil onderdrukken) zijn altijd moreel en persoonlijk. Moreel omdat er met afschuw wordt gereageerd en persoonlijk omdat de legitimiteit van de spreker in twijfel wordt getrokken. Als Wilders weer eens zijn bekende riedeltje afdraait (overigens steeds vermoeider) dan is er onverschilligheid, verontwaardiging en soms ook de vraag “en wat heeft u dan bereikt in het kabinet?” Meer niet.

Waarheid, juistheid, waarachtigheid

Wat altijd moet gebeuren is eerst een zoektocht naar de feitelijke waarheid. Wat bedoelt u, hoe komt u aan de cijfers, wat zijn die cijfers, hoe werkt immigratie door op woningnood, werkgelegenheid etc. Vragen, vragen vragen. Vervolgens vragen naar concreet beleid: wat stelt u voor, hoe gaan we dat doen, hoe zit het met wetgeving, wat kost dat beleid, welke keuzes maakt u. Kortom: stel de feiten vast en kijk of er feitelijk een grond is voor de uitspraken. Pas daarna kun je een moreel oordeel vellen of vaststellen uitgaande van de feiten die kloppen. Feiten die geen feiten zijn kun je vervolgens negeren in het debat.

Een gesprek gebaseerd op deze drie uitgangspunten is altijd noodzakelijk. Ook in mijn werkzame leven gebruik ik het, om uit te vissen wat er precies aan de hand is. Als een collega zegt dat het niet goed gaat, begin ik altijd met de feiten: waar verwijs je naar, waarom gaat het niet goed, waaraan relateer je die uitspraak et cetera. Daarna stap ik over naar de juistheid van de uitspraak en de waarachtigheid van die uitspraak. In het begin leverde dit best gekke gesprekken op maar inmiddels is dit steeds de riedel die we aflopen: wat zijn de feiten, wat vinden we ervan (welke betekenis geven we aan die feiten) en zijn wij in staat er iets aan te doen, te veranderen? Heel concreet: als ik stel dat het niet goed gaat en dat oordeel klopt, en uiteindelijk ben ik als eindverantwoordelijke de oorzaak daarvan, dan is mijn waarachtigheid pas hoog als ik opstap. Zo’n gesprek is dus nooit vrijblijvend, laat staan relaxed.

Zoals gezegd, ik heb dit niet zelf bedacht. De onlangs overleden filosoof Jürgen Habermas heeft in twee dikke boeken in de jaren 80 uitgewerkt wat hij ermee bedoelde. Het voert te ver nu om daar uitgebreid op in te gaan. Wat mij toentertijd trof was de manier waarop hij het ideale (maatschappelijke) debat ontleedde en vorm wilde geven. Met deze drie eisen dus. Pas dan kom je tot common ground, waarbij je het niet met elkaar eens hoef te worden maar waarmee je wel een fatsoenlijk gesprek kunt voeren.

Mijn wens is dat we leren op deze manier met elkaar te praten. In het begin voelt het wat gemaakt aan, alsof je een lijstje afwerkt. Dat verdwijnt. En als dat verdwijnt merk je dat gesprekken beter worden. Dat je minder uit elkaar ligt dan je dacht. Dat je meer begrip krijgt voor de standpunten van een ander. Meer begrip voor de betekenis die een ander geeft aan een feitelijke gebeurtenis. En nog veel belangrijker, je krijgt meer vat op jezelf en je gedrag.

Mijn droom is dat in politiek tot aan talkshows dit wordt doorgevoerd. Het zal zeker ten koste van de kijkcijfers en de politieke ratings gaan. Het bekt minder lekker, opeens blijkt dat veel mensen met een mond vol tanden komen te staan en het duurt langer. Communicatief handelen bestaat niet uit one liners en slimmigheden of jij-bakken. Voor iedereen komt de lat hoger te liggen. Zeker. Maar we nemen elkaar ook serieuzer.

Woorden zijn immers daden, en daden doen ertoe.

De onzin van lokale partijen

Ook bij mij in het dorp zijn er lokale partijen. Dicht bij de mens en men weet wat er leeft in Zeist. Sterker nog, men weet precies wat er leeft en wat dus het beleid moet worden.

Laat ik duidelijk zijn: grote onzin.

Wat is die onzin van lokale partijen?

  1. Alle politici op alle lijsten zijn lokaal. Allen weten wat er speelt in dezelfde mate als de politici van lokale partijen. In die zin zijn alle partijen lokaal;
  2. Politici van lokale partijen hebben geen enkele ingang in Den Haag, hoogstens op persoonlijk niveau. Er is geen connectie met de beleidsmakers in Den Haag. Noch ambtelijk, noch politiek;
  3. Ze kunnen niet terugvallen op gemeenschappelijke kennis, kunde en ervaring binnen een partij. Dat betekent dat zij iedere keer weer opnieuw het wiel moeten uitvinden. Dag gaat ten koste van de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Als onderdeel van een grotere partij kun je terugvallen op successen én fouten in andere gemeenten, provincies of landelijke fracties;
  4. Er is de suggestie van toegankelijkheid, direct bereikbaarheid. Maar dat geldt voor alle politici op gemeenteniveau: die zijn in gelijke mate bereikbaar. In kleine gemeenten directer dan in grote gemeenten, maar er is geen verschil tussen lokale partijen en landelijke partijen;
  5. Ze bestaan vaak uit goedwillende en goedbedoelende burgers die politiek erbij doen. Zeker vanuit de juiste intenties, maar zonder het vangnet van een landelijke organisatie.

U ziet, ik ben geen voorstander van lokale partijen. Ik vind het een teken van de tijd: absurde versplintering van stemmen en aandacht waardoor de slagkracht verdwijnt. Hoe komt een raad met een groot aantal partijen die allemaal een stokpaard hebben tot goede gedegen besluitvorming? Niet makkelijk.

Ga stemmen! Niet op een lokale partij wat mij betreft. Maar als dat de enige reden is om te stemmen, dan maar lokaal. Altijd nog veel beter dat niet stemmen.

Leren is gedoe, toch?

The post-Japan blues. Ik had er nog nooit van gehoord tot ik terug was uit Japan. Dat is nu een maand geleden en ik heb er nog steeds last van.

Natuurlijk, deze blog gaat over leren en daar kom ik zo ook echt op terug. Maar eerst even over die blues. Waarin uit die zich? Ja, heel kinderachtig, in een beetje wegdromen, de geluiden (die er veel zijn, vooral elektronische deuntjes) missen, de geuren missen, de winkels met kookgerei, de Izakaya’s. Kortom: alles missen en je afvragen waarom je niet gewoon teruggaat.

Dat hoeft namelijk niet eens. Ik heb chat gebruikt met de vraag hoe de blues te bestrijden en het antwoord was simpel: koop Japanse spullen en bezoek een Japanse winkel of tentoonstelling.

Ik heb iets anders besloten: ik leer Japans koken. Dat deed ik al af en toe, maar in Japan kwam ik erachter dat ik helemaal niet Japanse kookte maar meer iets tussen Korea en China in. Of zo.

En dus heb ik mijn kookboeken bij elkaar gezet in de keuken, er nog een stuk of vijf extra aangeschaft en sinds zes weken kook ik vrijwel iedere dag Japans. Ik leer iedere dag weer iets nieuws. Mijn gezin is er overigens al klaar mee.

Ik leer. Niet omdat het moet, maar omdat ik wil.

En het werkt. Mijn blues wordt minder. Naast kookboeken lees ik ook over Japanse filosofie, Japanse bedrijven (waarvan het oudste al bijna 1.450 jaar bestaat) en over de cultuur die én fantastisch én verstikkend is. Mijn mooie beeld wordt ingekleurd met feiten. Ik leer niet alleen steeds beter koken, ik leer ook meer realistisch te kijken naar Japan.

En ik moet zeggen,  zo leren is heerlijk. Een combinatie van gewoon doen (koken) en gewoon nadenken en lezen. Mijn leven wordt nog rijker dan het al was.

Maar als leren zo mooi is, waarom is het dan zo moeilijk?

In alle gesprekken met klanten blijkt grosso modo steeds weer dat bedrijven heel graag investeren in het leren door medewerkers, maar dat het zo moeilijk blijkt om die medewerkers aan het leren te krijgen. Eigenlijk werken een paar dingen goed: verplichte trainingen en opleidingen die ervoor zorgen dat je werkgarantie hebt. Omscholing en bijscholing.

Er is natuurlijk niets mis met leren op die manier. Maar er ontbreekt wel iets wezenlijks: geheel diep intrinsieke motivatie. Van moeten leren naar willen leren en dan vervolgens niet willen stoppen.

Dat verplichte leren ken ik zelf ook. In het kader van de WFT of AVG bijvoorbeeld heb ik veel verplichte trainingen. Ik doe dat omdat het moet, om mijn kennis op niveau te houden. En vervolgens probeer ik er altijd iets in te vinden dat bij mij resoneert. Bij AVG is dat bijvoorbeeld hoe het precies zit met privacy in een wereld met AI. Daar wil ik dan veel meer van leren en dat doe ik dan ook. Steeds weer.

Daarmee is een verplichte training voor mij nooit een doel op zich, maar een middel om meer kennis op te doen, onbekende terreinen te betreden en lol te hebben in nieuwe dingen.

Werkgevers moeten leren leuk maken

Wanneer is iets leuk, kun je je afvragen. Is dat niet heel persoonlijk? Zeker, maar het mechanisme erachter is universeel. Hoe kun je leren leuk maken en toch gewoon een bedrijf runnen met harde afspraken, regels, hiërarchie, KPI’s et cetera?

Werkgevers moeten daarvoor letten op drie dingen

  1. Ervaren medewerkers autonomie in hun keuze voor een opleiding? 
  2. Sluit het aan bij hun persoonlijke doelen en heeft het de juiste betekenis?
  3. Worden ze aangesproken op en beloond voor hun competentie?

Autonomie wordt ervaren als mensen zelf keuzes kunnen maken en – heel praktisch – geen toestemming van de chef nodig hebben. Je hebt budget en kunt je gang gaan: kies wat je zelf juist acht, geef je budget gewoon uit.

De beloning volgt meestal achteraf, maar kan ook vooraf. Als een bedrijf stuurt op een nieuwsgierige cultuur, waar leren en elkaar positief uitdagen normaal zijn, zal er meer vraag naar opleiding zijn. Als je daar vervolgens voor wordt gewaardeerd, en dat kan klein zijn maar ook een stap in je loopbaan, dan zet dat aan tot nog meer leergedrag.

En als dat dan ook nog eens klopt met wie je wilt zijn dan is de cirkel rond. Dat kan overigens van alles zijn. Ik wil eeuwig de veellezer zijn, een ander de introverte specialist op de vierkante millimeter, weer een ander de avontuurlijke dwarsdenker. 

Als je vrij wordt gelaten om te kiezen, zul je meer worden wie je wilt zijn. Leren werkt het best als er een verbinding is met je identiteit, met je diepste ‘ik’.

Dat klinkt zweverig, maar is het niet. Het is eigenlijk heel simpel voor werkgevers:

  1. Faciliteer de medewerker met een breed, goed en toegankelijk Learning & Developmentplatform;
  2. Geef een budget dat ruim genoeg is om te kunnen kiezen en krap genoeg om goed te moeten kiezen;
  3. Stimuleer gebruik van de mogelijkheden en beloon ieders persoonlijke groei.

Pas als mensen zich gezien en gewaardeerd voelen, dan komen zij tot bloei.

  1. Ryan & Deci (2017). Self-Determination Theory: Basic Psychological Needs in Motivation, Development, and Wellness.
  2. Csíkszentmihályi (1990). Flow: The Psychology of Optimal Experience.
  3. Baumeister et al. (2013). Some Key Differences Between a Meaningful Life and a Happy Life. Journal of Positive Psychology.

Ook gepubliceerd op https://lekkerbezig.me/verhalen/van-moeten-naar-willen-hoe-creeer-je-een-leercultuur-zonder-dwang

Aan de kust

De bus leidde ons door de bergen,
meanderende wegen, langs dorpen
huizen, hier en daar een rijstveld,
erin, meest oudere, mensen, gebogen

De lucht kraakhelder blauw,
hier en daar sneeuw op de verre toppen,
er heerste diepe, diepe rust, zelfs
de bus leek geluidloos voort te gaan

In mijzelf gekeerd keek ik hoe de stad
langzaam vorm kreeg, huis aan huis,
draden ertussen gespannen als web
bomen perfect gesnoeid, met een schaar

De stad, het voelde als een dorp
van ooit, eindigde aan het water,
ik stond aan de Japanse zee
en voelde de afstand tot mijn huis

Nee, dit was niet het strand dat ik kende,
hier geen rumoer, geen drank, mens noch
terras, slechts zand en de branding,
in de verte wat boten op zee, vissers

Pas later, bij de boeddha in het bos,
het ruisen van wind en water nog in mijn oren
begreep ik dat dit land, deze mensen,
mijn gelijke zijn zonder te gelijken.

Kamakura, december 2025

OLVG West, oncologie

Ik hoor zacht geruis van banden
als ik in een wachtruimte zit,
iemand zegt 'er is iemand voor je',
'ja, dat weet ik, dat is Dick'
je zwakgeworden stem spreekt boekdelen

In de rolstoel word je binnengereden
jij, jij zit daar met grote ogen, een grijze
baard en een wit t-shirt van het merk Joop
Je bent klein. Ooit was je mijn 'man in black'
en nu niet meer.

Tussen ons en de jaren her, staan woorden
en herinneringen. De dingen die we deden,
de wegen die we samen bereden
in het begrijpen van de medemens,
de avonden met veel wijn en bittergarnituur.

Wat heb ik van je gehouden,
wat heb ik je gemeden, ontweken, om
steeds weer met jou ergens uit te komen.
Jij, altijd het grote gebaar alsof je alles
begreep en vast kon houden in één vuist.

Ik vraag aan je waarom je er nog bent,
doodziek, kanker, longontsteking en grauw.
Niet voor mezelf, zeggen je ogen, je blik
lijkt in een spiegel te kijken. Ik.
'Voor mijn kinderen' fluister je hees.

En dat is het. Meer niet. Het gestolde verleden
is verstild, dit heb jij nooit gewild, en
je pakt mijn hand. Onze vriendschap is een raadsel,
zeg je, maar de liefde is echt. Ik knik ja,
de liefde is echt.

Na uren zitten en praten en huilen en niet
lachen zoals vroeger, rijd ik je terug
naar je kamer met de andere stervenden.
Ik kijk nog eenmaal om en zwaai, jij zwaait
ook en ik voel je grote droeve ogen in mijn rug.

Tokyo

Ik open slaperig de gordijnen
en zie, daar ligt de stad,
straten, verkeer, lage en
hoge gebouwen. Zoals iedere stad,
maar daarachter zie ik
voor het eerst in mijn leven
de sneeuwkegel van Mount Fuji

En ik weet dat ik niets moet weten
hier, dat ik niet gewoon verder
leef, maar dan op een andere plek,
de dingen doe die ik altijd al doe
want waar ik ook ben, ik ben het
in deze stad, maar zonder mij

Meer dan alle boeken die ik lees,
alle woorden in mijn geest,
deze stad als buitenkant wordt
langzaam mijn binnenkant, als ik zie
dat niets van mij hier werkt,
en ik merk hoe ik alles vergeet

Daar in de buik van de stad,
op een hoek, kijkend naar alle mensen
wachtend op het geluid als teken
om over te steken, steek ik over
in mijzelf, en doe wat ik niet graag doe,
ik laat het nieuwe, het onbekende toe

Die keuze wordt voor mij gemaakt
in een taal die ik niet versta, maar
wel begrijp, spreekt deze stad tot mij,
door alle drukte, met zachte stem en
lichte drang: laat jezelf los en kom,
begin met een nieuw begin. Ik haal diep
adem, en stort mij daarin.

Schrijven is leven.

Ik heb het plan opgevat hier regelmatig een gedicht te plaatsen. Die schrijf ik al geruime tijd maar het is ook best een drempel om te doen.

Drempels zijn er om te overschrijden, te overschrijven. Dus doe ik het toch maar.

Met een vulpen eerst op ruitjespapier uit Frankrijk en dan hier overtikken. Kom, laat ik het eens proberen.

Tot snel.

Zwembaden in Frankrijk: terugkerende ellende

Het zwembad bij ons huis is 23 jaar geleden aangelegd. Huis gekocht, bomen weggehaald, ruimte gecreëerd en aan het werk.

Er stond al een zwembad. Zo’n verplaatsbaar ding op een betonnen fundering. Zag er niet uit en was nog uit de Frans-Duitse oorlog. We wilden een echt zwembad, zo’n infinity pool met uitzicht over het dal en de bergen. Maar hoe kom je aan een goede bouwer? Via, via. De architect kende iemand, een goede. De beste man kwam, zag en overwon: hij ging het zwembad aanleggen.

Dat hebben we geweten.

Toen de eerste tegeltjes loslieten hebben we ons wat verdiept in de achtergrond van de beste man. En ja, achteraf kun je zeggen had je dat niet eerder kunnen doen, maar dat is altijd makkelijk. Wat bleek: ons zwembad was het allereerste zwembad in zijn gehele carrière. Wij waren de proeftuin.

We hadden gewaarschuwd moeten zijn toe bleek dat de ‘infinityrand’ niet helemaal recht was, maar goed, je zit in Frankrijk hè en het weer was prima, de zon scheen, het uitzicht prachtig. Maar we waren niet gewaarschuwd.

Nu, 23 jaar later, hebben we bijgeleerd. Vele malen is het zwembad gerepareerd: tegelmatjes opnieuw aangelegd, stukken weggehakt om het onderliggende betonijzer te herstellen zodat we geen bruine roestvlekken meer hadden, weer tegelmatjes, de rand die hersteld is. Et cetera enzovoort.

Het uitzicht is nog steeds geweldig en als ik ’s avonds op de rand hang en in de verte de lichtjes van Entrecasteaux zie flikkeren dan ben ik intens gelukkig. Het zwembad blijft.

We laten het nu in een keer goed restaureren.

Alles wordt eruit gehakt, de scheuren gerepareerd, er komt een nieuwe betonnen grondlaag en daar weer bovenop een aantal lagen zodat het weer jaren meekan. Deze bouwer hebben we goed gecheckt, deze keer niet met de portemonnee gekozen maar op basis van bewezen kwaliteit. We duimen op de goede afloop.

Hierna zijn de luiken overigens aan de beurt. Want ook die hebben betere tijden gekend. Een eigen huis is een boeiend bezit. Het houdt niet op. J’en ai marre intussen.

Eeuwig herfst in de Var

Een dag in oktober. Ik wandel van ons huis richting dorp, het is 8 uur in de ochtend. Het wordt licht, het is fris, de lucht vol zuurstof. Iets meer dan anderhalve kilometer wandelen, de berg af naar het dorp. Brug over, de lange toegangsweg, linksaf langs de Place Respélido, het oude tunneltje door en dan weer naar rechts. Ik loop altijd om, om aan mijn stappen te komen. De volgorde is steeds hetzelfde omdat ik van steeds hetzelfde hou: bakker, café, kerk, en dan weer terug naar huis. Ergens tussen een uur en anderhalf uur ben ik dan onderweg. Deze keer had Bar Le Central lampjes opgehangen aan de luifel.

Na de koffie en de kaarsjes in de kerk loop ik dezelfde weg weer naar huis. In mijn tas een baguette, een céreal en een sacristain. En als ik terug ben dan ben ik compleet gelukkig.

Het is ooit begonnen, 23 jaar geleden, toen ik voor het eerst een week in oktober in Carcès was. Na een lange hete zomer gingen we nog even terug. Ik wist direct dat ik volkomen thuis was.

Al die dingen heb ik in de zomer niet. De hitte is weldadig, het licht prachtig, de sfeer loom en snakkend naar een goede rosé. Maar dit haalt het niet bij de herfst.

Dit jaar zijn we naar Cannes gereden. Ook daar herfst. Minder druk, mooi licht en voor de lunch bij Plage Goéland aan het strand zitten. De kalme geluiden van de zee, de laagstaande zon op mijn gezicht, het rustige gepraat van de mensen op het terras, het gerinkel van glazen meest gevuld met rosé en de bediening die ook al heel relaxt is. Alles klopt.

De herfst in de Var mag wat mij betreft eeuwig duren. Een perfecte temperatuur, de geuren van gevallen blad en de rook van alle buren die hout en blad verbranden, de vroege schemering, het geluid van de jacht in de heel vroege ochtend en laat in de middag: alles vervult mij met geluk.

Het is om weemoedig van te worden.

Bericht na de dood

En opeens is iemand dood. Een mens, iemand die je heel goed kende, waar je van hield en dat al 28 jaar. Het was een aangekondigde dood. Dementie, langzame aftakeling en toen kwam de versnelling. Lichamelijke klachten. Sneller toch dan verwacht waren er in de vroege ochtend in de slaap, vijf versnelde ademstoten en dat was het. Een mens werd lichaam, meer niet.

De aanblik van de dode was een vertrouwde. Al vaker dode mensen gezien en eigenlijk altijd gelijkend. De wasachtige kleur en de diepe verstilling op het gelaat. Alsof iemand in grote vaart een huis had verlaten en het kopje thee stond nog onaangeroerd op tafel. Die verstilling. De aanwezigheid van een groot Niets.

De dode was voor ons dood. Hij was niet dood. Ik zal ook nooit dood zijn.

Alles wat de mens mens maakt was verdwenen. Op slag. Slechts herkenning van het lichaam, maakte dat er nog iets van voortzetting van een gezamenlijk leven was. Maar het was slechts een lichaam waar ik naar keek.

Dat is vandaag twee weken geleden. De wereld nam het over. Er kwam een mevrouw die met draaiboek in de hand alles regelde. Alles werd geregeld. Een liefdevol afscheid, mooie liefdevolle woorden en uiteindelijk de crematie. De laatste aanraking van de kist in de ruimte bij de oven.

Toen werd het stil.

In die stilte is het mijn omgang met de dood die me bezighoudt. Een wereld zonder hem, waarin ik nu leef. De berusting dat het een gezegend einde was. Geen gruwelijke strijd, geen gevecht tegen het onvermijdelijke, zoals bij mijn ouders het geval was.

De wetenschap dat je zelf nooit zult genieten van de rust die de dood ook is, na bijvoorbeeld een lang ziek zijn.

Er is geen geest zonder lichaam. De mens is lichaam. Als het lichaam sterft, sterft de mens.

Wat rest, zijn wij: de achterblijvers.