Wappies met slechte bedoelingen

Je komt ze tegen op social. Mensen die tegen alle coronamaatregelen zijn en de huidige toestand vergelijken met alle vervolgingen in de Tweede Wereldoorlog. Mensen die zich afficheren als “nieuwe Joden”. De vergelijking wordt soms helemaal doorgezet. In demonstraties lopen ze met gele sterren op hun kleding. En nog steeds, ook nu de demonstraties zijn opgedroogd, zie ik alle vergelijkingen voorbijkomen op twitter. Die de regering onderdrukkers noemt. Stellen dat er later tribunalen moeten komen voor de landverraders. Die een eigen partij hebben: FvD.

Dat soort wappies, een veel te vrolijk klinkende term, moet zich doodschamen. Allereerst natuurlijk voor hun uitingen maar eigenlijk nog veel meer voor hun volstrekte lege brein waarin hersenactiviteit is gereduceerd tot slechtheid en ressentiment. Slecht volk.

Dit is mijn vader

De foto van mijn vader in de gevangenengalerij in het huidige museum.

Ben Koopman. Geboren in 1923 in een gezin met twee broers. Zijn ouders hadden het niet al te breed en probeerden het gezin goed op de been te houden. School zat er niet in, gewerkt moest er worden. En dat betekende dat mijn vader op zijn 13de jaar scheepsjongen werd. Op de foto hierboven een jaar of 17, 18. 1940 of 1941 gemaakt en op de foto kijkt hij wat beschouwend in de camera, niet wetend wat er gaat komen. Wat ging er komen?

Dit is Joseph Kotalla

Joseph Kotalla, of zoals hij meestal genoemd werd Kotälla, werkte in de jaren 40 van de vorige eeuw in Kamp Amersfoort. Na vele omzwervingen, waar zijn sadisme was gebleken, werd hij overgeplaatst naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, kort PDA. Hij was 15 jaar ouder dan mijn vader. Zijn bijnaam was de Beul van Amersfoort en er was een trap naar hem vernoemd: de Kotälla-trap. Een harde schop in het kruis van gevangenen van het PDA.

Hoe leerden zij elkaar kennen?

Daar is dus mijn vader, Ben, en een Duitser, Joseph, die elkaar in de oorlog leren kennen. Maar hoe? Simpel. Mijn vader werd gearresteerd wegens verzetswerk tegen de bezetter en hij kwam in 1943, 20 jaar oud, in Amersfoort terecht. Daar heeft hij maanden vastgezeten en leerde hij Joseph, 35 jaar oud, kennen. Hadden ze goede gesprekken of wisselden ze gedachten uit. Zouden ze elkaar zoals nu op social hebben ontmoet. Zou mijn vader hebben kunnen demonstreren en Kotälla voor fascist hebben kunnen uitmaken?

Ik denk het niet.

Mijn vader kende hem van het vele slaan, het trappen, het eeuwig op de appèlplaats staan en daar oefeningen doen tot men er dood bij neerviel. Hij kende hem van de Rozentuin. Een smalle gang met prikkeldraad waarin hij voor straf oefeningen moest doen en, als het niet goed ging, hij halfdood werd geslagen. Hij kende hem jaren later nog doordat de rug van Ben altijd gevoelloos en koud is gebleven. Kapotgeslagen door een sadist die er plezier in had mensen dood te slaan.

Kotälla was een in- en inslecht mens. Zijn sadisme kon hij volledig kwijt in een systeem dat was ingericht op het vernietigen van mensen. Verzetsmensen, Joden, politieke gevangenen, Roma, Jehova-getuigen, communisten en socialisten, Sinti, homoseksuelen, ga zo maar door. Kotälla was de hand in de handschoen. Net als zijn baas, Karl Peter Berg. Individuen, raderen in een machine waar zij zich helemaal goed bij voelden. Konden doen wat zij wilden omdat het onderwerp van hun haat, andere mensen, vernietigd mochten worden.

De laarzen van Berg

Dit is een bronzen afdruk van de laarzen van Berg. Voor de appèlplaats staan zij in het grint. Ervoor lege voetafdrukken van al die gevangen die in het PDA hebben gezeten. In totaal hebben zo’n 40.000 gevangen vastgezeten in het kamp, waarvan er 468 zijn vermoord. Berg keek toe hoe men voor hem stond, vooral niet opvallen want dat kon betekenen dat je de avond niet zou halen.

Jaren na de oorlog barste mijn vader in tranen uit. Hij, bokser, worstelaar, had meegemaakt dat een kameraad van hem werd doodgeslagen. Hij kon niets doen. “Twee, drie van die moffen had ik kunnen hebben”, zei hij “maar geen vijf of zes”. Hij moest toezien en verder niets. Zestig jaar later kwamen de tranen.

Terug naar Ben.

Mijn vader heeft het overleefd. Hij stond op de lijst om naar Buchenwald te worden gestuurd tot de directrice van het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht ingreep. Zij kende mijn vader uit het verzet. Zij heeft bij Berg voor elkaar gekregen dat hij op 28 mei 1944 vrijgelaten werd uit het kamp en ging werken in het SAZU. Daar werd hij vervolgens op 7 augustus 1944 formeel in dienst genomen als ‘huisknecht’, twee maanden na de ontberingen van het kamp. Vijftien jaar later ben ik in hetzelfde ziekenhuis geboren, op 7 augustus.

En nu die wappies weer

Mijn leven is geïmpregneerd door de oorlog. Die is er altijd wel en nooit niet. Dat is nou eenmaal zo. Ik heb in mijn jeugd de jaren meegemaakt waarin mijn vader stil werd rond 4 mei. Waarin hij woedend was toen de ‘drie van Breda‘ vrijgelaten zouden worden. Hij vertelde nooit veel. Wel later over die kameraad, soms over vriendschap in het kamp en hoe fragiel die altijd was. Wat mijn vader eraan over heeft gehouden is een feilloos gevoel voor helden, bange mensen en verraders, lafaards. Je mag bang zijn zei hij dan, maar nooit een lafaard en zeker geen meeloper.

Als ik wappies zie en hoor die de vergelijking maken met de oorlog moet ik altijd denken aan wat mijn vader zei van de Binnenlandse Strijdkrachten van net na de bevrijding. Dat waren in de oorlog grote lafaards waar je niets aan had en toen het veilig was kwamen ze naar buiten. Doen alsof zij het verzet waren geweest. En heel stoer, vrouwen kaalscheren en met menie besmeuren. “Dat soort volk is nutteloos als het erop aan komt. Volkomen nutteloos.” Zijn woorden. Mijn gedachten als ik dat boze protesterende volk zie. Volkomen nutteloos als het erop aan komt.

Een kerk in Frankrijk.

Op weg naar het zuiden zo aan het einde van de dag een hotel zoeken. Niet een F1 langs de autoroute maar een echt hotel. In een tijd dat niemand ooit van internet had gehoord had ik iets inmiddels heel ouderwets in de auto liggen: een rode Michelingids én een Logis de France gids. Papier, dichtbedrukte pagina’s. Sommige dorpen had niet eens een vermelding van een hotel of een restaurant. Met dat boekje in de hand reed ik Frankrijk door, en ik kwam altijd wel ergens goed terecht.

Nu ook weer. Niet eens lang onderweg reed ik door de Champagne. Prachtig. Najaar en dus vroeg donker. Ik besloot van de autoroute af te gaan en door te rijden naar een fijn dorp. Dat was redelijk snel gevonden. Niet groot, aangenaam qua uitstraling en vrijwel uitgestorven.

De Logis de France heette Lion d’Or en is inmiddels omgedoopt in le Champenois. Een fijn lokaal hotel met aardige mensen. Eenmaal op de kamer nam ik een verdiende borrel en ging de deur uit, linksaf het dorp in.

Daar kwam ik aan bij een kerk. Ik ging naar binnen, liep er doorheen en wilde, zoals altijd, een kaarsje aansteken. Dat schijnt ook te werken als je er niet in gelooft. Vandaar. Op een tafeltje lag een tekst. Die tekst luidde ongeveer: “steek een kaarsje aan en laat zo een lichtje achter op deze Heilige plek. Voor hen in je hart maar ook voor hen die hier na jou komen. Als teken van verbintenis met en liefde voor elkaar in de tijd”.

Die tekst raakte me enorm. Dat lag zeker aan mijn stemming maar het was ook een tekst die mij erop wees dat we niet alleen zijn. Dat er altijd mensen zijn met wie we verbonden zijn. We hoeven elkaar niet te kennen maar door zo’n lichtje in het duister ben je wel met elkaar verbonden.

Die kerk staat in het dorp Sézanne.

’s Avonds nog lekker gegeten in het hotel en de volgende dag door naar het zuiden. Op naar een volgend dorp met een kerk. Die tekst is me echter altijd bijgebleven (en zal zeker anders zijn geweest dan ik me herinner, want tja, het geheugen is een Fabeltjeskrant) en ben ik verder niet meer tegengekomen.

Dus, mocht je ooit in Sézanne zijn, stop dan even en steek een kaarsje op in de kerk. In verbinding met elkaar.

‘Belastingdienst gebruikte in toeslagenaffaire algoritme dat lage inkomens selecteert’

Een kop van de Website van De Volkskrant. Zo klinkt het net alsof men er niets aan kan doen. Het was het algoritme dat de selectie toepast. En we weten met elkaar dat algoritmes zomaar ontstaan en zichzelf ontwikkelen tot monsters! Daar komt geen mens meer aan te pas.

Onzin natuurlijk.

Tel dit op bij alle wanstaltige door de overheid veroorzaakte zaken en het wordt met de dag erger. Zo denk je dat het niet erger kan (zie bijvoorbeeld de toeslagenaffaire) en het kan weer erger. Ik denk dat er bij de Belastingdienst zomaar nog meer boven water zal komen. Dat uitvoeringsinstanties incompetent blijken door een aantal oorzaken: de wetgeving is van zo lage kwaliteit dat uitvoering erg moeilijk blijkt, er wordt neergekeken op mensen met een smalle beurs, er is niet geïnvesteerd in kennis, kunde en menskracht bij die instanties waardoor men maar wat doet.

Hier zitten geen algoritmes achter maar beleid en een mens- en wereldbeeld. Dát is aan de hand.

Den Haag moet niet gek opkijken van een toenemende afstand tussen burgers en overheid. Zij veroorzaakt die afstand zelf. En vergroot die ook.

Een land zonder regering.

Af en toe horen we nog iets van onze demissionaire regering. Naast een sporadische persconferentie komt zo nu en dan een minister voorbij in de media. Vandaag bijvoorbeeld naar aanleiding van de rellen. “Heeft Ferdje al gezegd dat hij boos is” vraagt mijn zoon dan, en ja hoor, Grapperhaus is boos. Rutte, niet geïnteresseerd in sociologisch geneuzel, die het weer over tuig of iets dergelijks heeft. Minister Dekker, de man van de afbraak van rechtszekerheid voor mensen zonder een riant inkomen, die iets roept wat waarschijnlijk niet klopt. En dan heb je het wel weer gehad.

We kijken naar een regering die niet wil regeren. Een tweede kamer die zich uit in rituele dansjes zonder ooit een bedreiging te worden voor de gevestigde macht. We, in ieder geval iedereen die gestemd heeft, kijken naar gedrag van politici die ten diepste lak hebben aan ons. Politici die het niet eens meer als taak zien snel te komen tot een kabinet. Waar je vervolgens voor of tegen mag zijn, dat maakt niet uit. Omdat dat kabinet er niet komt, ja ooit, sta je als stemmende betrokken burger voor aap. De boven ons gestelden lachen naar ons en vinden ons koddig. En verder trekt men zich er niet veel van aan. Politici die hun opdracht zo verzaken horen vervangen te worden door politici die hun opdracht wel serieus nemen.

We zien een bestuur dat verzaakt. Kindertoeslag-gedupeerden die nog steeds wacht op hun eigen ten onrechte afgenomen geld. Inwoners van Groningen die van hun premier te horen krijgen dat hij niets belooft („We hebben al zoveel beloftes niet waar kunnen maken.”) want alle vorige beloften heeft hij ook al niets mee gedaan. Dus dan maar geen belofte. Zoek het uit beste mensen. En de groeten na.

Ik begrijp inmiddels het wantrouwen jegens de politici in Den Haag. Er komt niets meer uit hun handen, er komt niets belangwekkends uit hun monden, er is niets dat het vermelden waard is. 17 maart 2021 waren de verkiezingen en we zijn dus nu acht maanden verder. Zonder resultaat. Zonder goede uitleg ook. Het is een illusie te denken dat dit gedrag geen consequenties heeft. Dat heeft het wel. Mensen zullen zich verder afkeren van Den Haag en meer open staan voor de verhalen van extreem rechts of totaal onverschillig worden.

Als je als politicus zo weinig toont te geven om de inwoners van het land, zullen die inwoners niet veel meer geven om jou. En dus ook niet meer naar je luisteren. Wat je ook zegt. Dat ligt niet aan hen maar het begint bij de politici. Bij mensen als Rutte, Hoekstra en Kaag.

Ik merk bij mijzelf een toenemende onverschilligheid en soms een voor mij nieuw gevoel, cynisme. De definitie van een cynicus is “iemand die vraagt waar de kist staat, als hij bloemen ziet”. Ik heb dat zo nu en dan als ik Rutte of De Jonge hoor of zie. Ik geloof het niet meer. Ik geloof niet meer in hun oprechtheid of in hun verlangen recht te doen aan de inwoners van dit land. Ik ben cynisch omdat ik geloof dat het Rutte alleen nog te doen is om machtsbehoud en om de langstzittende MP te zijn. Ik ben cynisch omdat ik in de blik van De Jonge denk te zien dat hij nog steeds, na anderhalf jaar, geen idee heeft waarover hij het heeft. Dat ik denk te zien dat Grapperhaus totaal geen vat heeft op het hele veiligheidsapparaat en dus boos reageert, als een machteloze vader.

En ik ben boos omdat ik een regering verdien. Niet van mijn kleur misschien, maar zo werkt het nu eenmaal. Wel een regering met fatsoenlijke mensen die oprecht begaan zijn met iedere inwoner van dit land. Met iedereen die nagejaagd is door de Belastingdienst, met iedereen die in een huis zit dat op omvallen staat, met iedereen die zich kapot werkt in de zorg, met iedereen die voor de klas staat, met iedereen die vroeg opstaat om het vuil op te halen, met iedereen die na de rellen ’s nachts de stad weer toonbaar maken. Met iedereen dus. En daar een visie op hebben en een leider durven zijn.

Ik verlang naar andere politici dan die er nu zijn. Ik verlang naar een premier die wel geïnteresseerd is in oorzaken en aan zelfonderzoek doet en beter wil worden. Ik verlang naar een premier die zelf niet de olifant in zijn eigen kamer is.

Een interessante trip door Frankrijk. (*)

Na een lange rit kwam ik aan bij l’Écrevisse in Brumath, in de Elzas. Ik parkeerde de auto naast het hotel, pakte de koffer en checkte in. Ik was moe van het rijden vanuit Parijs en was toe aan een douche en een borrel. Het hotel was typisch voor de streek. Oubollig, traditioneel gezellig met bloembakken vol geraniums. De mensen waren vriendelijk en ik kreeg een prima kamer. Men vroeg of ik ook wilde eten die avond. Een goed idee. Dus op naar de kamer en relaxen. 

’s Avonds ging ik naar het restaurant om te eten. Eindelijk kwam ik dan aan op de plek waarvoor ik kwam: het restaurant! Ongeschoren en in vakantiekleding ging ik de klapdeur door en kwam in een voor mijn doen zeer chic restaurant. Ik detoneerde volkomen qua uiterlijk. Louter nette mensen in nette kleding. Ik ging zitten en ik werd nerveus van alle aandacht. Een ober voor de wijn, een ober om de stoel aan te schuiven, een ober die de cloche van het bord haalde en dat ging maar door. Maar goed: ik was waar ik wilde zijn.

Het restaurant waar Sartre vaak had geluncht in 1939! Wie? Sartre!

Wie was Jean-Paul Sartre?

Jean-Paul Sartre heeft decennialang het publieke debat gedomineerd in Frankrijk, vanaf de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren 70. Hij is in 1905 geboren en heeft vrijwel zijn hele leven in Parijs gewoond, waar hij in 1980 is overleden. Niet alleen in Frankrijk was hij spraakmakend maar ook ver daarbuiten. Hij was niet alleen filosoof maar ook romancier en politiek activist die zich altijd aan de kant van de verdrukten opstelde. Zijn toneelstukken werden over de hele wereld opgevoerd. Het linkse geweten van Frankrijk. Tot na zijn dood vroegen mensen ‘wat zou Sartre hebben gevonden?’. Hij leefde een leven dat een voorbeeld voor velen zou worden, ook voor mij. En daarom was ik naar de Elzas uitgekomen, om te zijn waar hij geweest was.

Het had met zijn leven ook anders kunnen lopen. Hij had leraar kunnen blijven zoals in Laon. Maar het liep anders. In 1929 gaat hij filosofie studeren, hij leert Simone de Beauvoir kennen en tot aan zijn dood zijn zij onafscheidelijk. 

Vanaf medio de jaren 30 publiceert hij volop. Filosofie en psychologie. Zijn doorbraak komt met de roman ‘Walging’. De hoofdpersoon, Roquentin, ontdekt de totale zinloosheid van het bestaan en ziet de wereld met angst en walging tegemoet. In die gemoedstoestand moet Sartre in 1939 naar het ‘front’ in de Elzas. Tussen aanhalingstekens, want hoewel er oorlog is met Duitsland, gebeurt aan dat front niet bijster veel. Men wacht. Sartre wacht met duizenden anderen. Deze periode wordt ‘la drôle de guerre’ genoemd: de schemeroorlog. In 1940 wordt hij gevangengenomen en brengt hij enige tijd door in een kamp, nabij Trier.

Bij zijn terugkeer in Parijs publiceert hij in 1943 zijn hoofdwerk ‘l’Ètre et le Néant’ (Het Zijn en het Niet). Hij raakt een snaar bij vooral jonge mensen. Zijn boek gaat over echte mensen, over echte situaties. En het gaat erover dat het leven voor je ligt om te doen wat je wil. Dat het leven jouw leven is en niet van de je ouders, van de kerk of van de staat. Alles wat je doet is voor eigen rekening. Dat betekende ook dat Sartre en Beauvoir wel altijd bij elkaar woonden in dezelfde hotels maar nooit samenwoonden of getrouwd waren. Dat was burgerlijk en burgerlijk moest je sowieso afkeuren. 

Na zijn terugkeer uit het kamp besloot Sartre een verzetsgroep op te richten. De oorlog betekende een breuk in zijn denken en werk. Voor de oorlog keek Sartre vooral naar de individuele mens en zijn verhouden tot de wereld. Door de oorlog en zijn verblijf in het kamp  zag Sartre hoezeer mensen van elkaar afhankelijk zijn en dat de mens ten diepste een sociaal wezen is. Zijn werk na de oorlog is dan ook anders dan ervoor. Die ervaringen heeft hij verwerkt in de romancyclus ‘De wegen der vrijheid’.

Zijn houding, die opstand tegen het ‘normale’ heeft tot ver in de vorige eeuw mensen geïnspireerd. Van de naoorlogse jeugd in Saint-Germain tot aan de studenten van 1968. De burgers keurden het natuurlijk allemaal af. Als Sartre uiteindelijk in 1980 sterft is die roem goeddeels verdwenen. Andere filosofen hebben zijn plaats ingenomen. Op zijn uitvaart komen zeker 50.000 Parijzenaars, en Frankrijk is in rouw.

‘Jean-Paul Sartre est mort’ koppen de kranten.

Maar wat deed ik nou bij l’Écrevisse in Brumath?

Simpel: Sartre had daar geluncht. Vele malen zelfs. 

In Parijs had ik ongeveer al alle plekken bezocht die iets met hem te maken hadden. In 1980 had ik een boekje gekocht ‘over het existentialisme’, vanwege de titel. Het was een voordracht van Sartre uit 1946 waarin hij het existentialisme uitlegde. Eenmaal thuis begon ik te lezen en ik legde het pas weg toen ik het uit had. Ik las zinnen als ‘de mens is vrijheid’ (p.24) en ‘de mens is wat hij doet’ (p.37). Deze man raakte een snaar en is die blijven raken, tot op vandaag. En dus ging ik niet alleen alles ván Sartre maar ook óver hem lezen. Biografieën, interviews, tijdschriften, studies over zijn werk. Ik wilde weten hoe deze man geleefd had om het allemaal nog beter te begrijpen. Ik las over zijn leven in Parijs en bezocht alle plekken. Ik kocht zelfs de sigaretten die hij rookte, Boyards. Zwaar spul was dat. Inmiddels verboden.

In 1986 kocht ik ‘Schemeroorlog’, zijn dagboeken uit 1939-1940. Hij schrijft daarin over zijn gesprekken met andere soldaten, over zijn plannen met de filosofie, over van alles. Hij schrijft daarin bijvoorbeeld ook: (vrijdag 17 november 1939) “Vandaag lunch ik in l’Écrevisse met een jager die net van de frontlinie terug is.” Ik wilde daar ook lunchen.

Toen is het plan voor een rit door Frankrijk begonnen. De rit ging van Parijs naar Brumath, Morsbronn, Haguenau, Pfaffenhofen en uiteindelijk Nancy. 

Parijs

Parijs is natuurlijk de stad waar je iedere beroemde Fransman of -vrouw kunt vinden. Van Verlaine tot Yves Montand, van Picasso tot Foucault. En dus ook Sartre. Uitvogelen waar hij woonde, lunchte et cetera. En dus begon mijn reis van 1939 bij Café de Flore. Uitkijkend over de Boulevard St-Germain en naar links de Place St-Germain waaraan hij lange tijd gewoond heeft (samen met zijn moeder) op de hoek van de Rue Bonaparte. Dat is overigens de plek waar in de jaren 60 tweemaal een bomaanslag is gepleegd omdat hij tegen de Franse bezetting van Algerije was. ’s Avonds heb ik zuurkool gegeten bij Brasserie Lipp aan de overkant. Daar zaten hij en Beauvoir in de oorlog omdat daar een kachel was. 

Ik liep richting de Jardin du Luxembourg waar hij en Beauvoir uren samen pratend doorbrachten. Van daaruit naar Montparnasse naar hun graf. Daar, aan de Boulevard Edgar-Quinet heeft hij gewoond en op nummer 29 heeft hij zijn laatste weken doorgebracht. Blind.

In Parijs is er veel meer dat herinnert aan hen. La Coupole bijvoorbeeld waar zij aten en waar je nu tafel aan tafel heerlijk kunt eten. Ik was er ooit op mijn verjaardag en toen liep de hele witte en zwarte brigade uit om joyeux anniversaire te zingen. Het hele restaurant zong mee. Maar ook La Rotonde is er nog in volle glorie. Zo zijn er tientallen plekken alleen al in Parijs die je kunt bezoeken met een biografie van Sartre in de hand. Gewoon een keer doen. Je vindt er verrassende dingen. Zoals Hotel Mistral in de Rue Cels waar een plaquette aan de muur is geplaatst omdat hij daar met Beauvoir heeft gewoond.

Het is überhaupt een aanrader om met een thema door Parijs te gaan.

Van Parijs naar de Elzas.

Plaquettes zijn leuk maar ik wilde mensen ontmoeten die zich hem herinnerden. En dus stapte ik in de auto naar de Elzas. Een rit van bijna 500 kilometer. Onderweg Reims aangedaan, champagne gekocht, Metz voorbijgereden maar wel even naar Verdun geweest. Oorlogsgebied. Uiteindelijk aangekomen in Brumath, Hôtellerie l’Écrevisse. Zoals ik schreef was het nogal ouderwets. Ik heb er heerlijk gegeten en de volgende dag vroeg ik naar Sartre. De familie kende hem. Hij kwam daar inderdaad vaak lunchen en schrijven. De meeste soldaten aten op de kazerne maar hij niet. Eigenlijk vonden ze het maar een raar mannetje, een echte Parijzenaar. 

De volgende dag heb ik door Brumath gelopen aan de hand van een kaartje dat Sartre had getekend in een brief aan Beauvoir van 30 oktober 1939. De Rue de Cerf uit en dan naar rechts. Gewoon omdat dat kon. Verder niks. Waar ooit Taverne du Cerf zat, zit nu een supermarkt.

Brumath is een doodgewoon Elzassisch stadje. Niet veel te doen, aangeharkt, aardige mensen, vakwerkhuizen en het doet meer Duits dan Frans aan. Maar zeg dat nooit hardop. Typisch Sartreaans is de observatie dat dingen veranderen doordat jij er bent. Doordat ik daar liep veranderde Brumath in een interessant stadje. Sartre schreef dit over zijn aanwezigheid: ‘Brumath is alleen nog maar een zinloze verblijfplaats, waar somberheid en kilte in de lucht hangen… Brumath is dus dor geworden.’ (Schemeroorlog, p.63, 64). Door zijn aanwezigheid.

De oorlog was er in het geheel niet en opeens wel. Door al die soldaten. Waar Brumath dor was voor hem scheen voor mij de zon. Na twee nachten l’Écrevisse vond ik het welletjes en ging ik door naar Morsbronn. 

Morsbronn

Begin december wordt Sartre overgeplaatst naar Morsbronn-les-Bains. De naam zegt het al, alles draait hier om bronnen en kuren. Waar Brumath iets gezapigs heeft, iets boers, is het hier anders. Dit ademt gezondheid. Althans, tegenwoordig. December 1939 was het voor Sartre anders. Voor het eerst voelde hij de oorlog dichtbij. Hôtel Bellevue was de plek waar hij veel verbleef, het ligt (nog steeds) iets buiten de stad.

Sartre besefte hier in mei 1940 hoe snel de oorlog zich ontwikkelde. ‘Vandaag dus de invasie van België en Holland’ schrijft hij op 10 mei 1940 aan Beauvoir. Hij zal hier nog enige tijd zijn, schrijvend en denkend. De schemeroorlog wordt een echte oorlog en de troepen worden teruggegeroepen naar het achterland, Haguenau. Op 21 juni 1940 wordt hj krijgsgevangen gemaakt en belandt in een gevangenenkamp bij Trier. In maart 1941 keert hij terug naar Parijs waar hij een verzetsgroep opricht.

Na Morsbronn ben ik via Haguenau, waar hij kort verbleef, en Pfaffenhofen richting Nancy gereden. Pfaffenhofen is waar zijn verre achteroom Albert Schweitzer was geboren. Sartre schreef daarover (22 december 1939) dat hij ‘door het grote, welvarende en enigszins troosteloze dorp gedwaald (had), dat me niets zei’. Niet echt een aanbeveling, maar toch even er doorheen.

Nog maar 150 kilometer naar Nancy waar achter de Place Stanislas een boekenmarkt was. Daar heb ik nog een nummer van l’Arc gekocht dat aan Sartre was gewijd. De wijn later die dag, op de Place Stan was prima. 

Was dit zinvol?

Is het zinvol iemand die een voorbeeld is na te reizen? Zeker. Ik zou het zo weer doen. Ten eerste is het heerlijk om met een duidelijk doel naar de Elzas te gaan. Je kunt kiezen voor Choucroute in Obernai (bij Zum Schnogaloch) of Tarte Flambée in Riquewihr. Natuurlijk kan dat. Ik koos voor een filosoof. En dan te voelen dat je een beetje dichterbij bent gekomen is een mooie ervaring. En mijn begrip en kennis van Sartre toegenomen. Maar toch. L’Écrevisse is op 20 juli 2016 failliet verklaard. Ik heb daar mogen verblijven en eten. 

En alles bij elkaar genomen heb ik in Brumath iemand de hand mogen schudden die Sartre kende en zo ben ik slechts één handshake away. Dat was een mooi moment.

(*) Gepubliceerd in En Route, bijzonder Frankrijk. Nr. 174, winter 2021-2022 enroute-magazine.nl

Nooit meer normaal leven

14 maart 2020

(Dit schreef ik op 25 mei jl., we zijn nu 24 weken verder, bijna 6 maanden dus)

===============================================================

Dag 443 is het vandaag. Dag 443 vanaf het moment dat wij als gezin in lockdown gingen, een lockdown die toentertijd nog een echte lockdown was. Een week eerder dan Nederland als totaal omdat we in het zuiden veel contacten hadden.

En wat we nu een lockdown noemen haalt het niet bij die van toen. De wegen waren leeg, de straten waren uitgestorven, mensen bleven thuis. De laatste avond kenmerkte zich vooral door de lange rij bij Andersom in hartje Utrecht. Alleen de supermarkt konden we naartoe. En toen ik uiteindelijk, zonder masker, naar de supermarkt ging waren de schappen leeg. Alle paracetamol was uitverkocht, evenals wc-papier, schoonmaakdoekjes, bloem, vlees en alle groenten, behalve zoete aardappelen.

Opeens zat de wereld dicht. We waren een beetje in paniek en we dachten dat het heel tijdelijk zou zijn.

Ik was toen ook optimistisch. Ik dacht dat het na een maand over twee over zou zijn en dat er in september een vaccin zou zijn waardoor alles weer terug kon keren naar normaal. Ik was niet de enige, bleek.

Ook het team waarmee ik werk was optimistisch. We zouden dit virus er wel eens flink onder krijgen. Gedisciplineerd zijn, goed opletten, geen risico’s nemen en dat een paar maanden. Dat zou dodelijk zijn voor dat k-virus. We gingen het samen doen. De helden aan het bed kwamen iedere avond op tv en we gingen met z’n allen klappen voor die helden. Ondanks de shit was er sprake van een gelaten opgeruimde stemming.

Nou, die is er niet meer. Na 14 maanden is de lol er af en zijn we alles heel kritisch gaan volgen. Van regeringsmaatregelen tot aan het mondkapje an sich. En nu zijn er demonstranten bij vaccinatielocaties. De grote mensentuin is waarin we zijn beland.

Sinds vorige week is alles weer iets ruimer geworden. We mogen tot acht uur ’s avonds op een terras zitten. Maar nog steeds beperkt. En nog steeds wordt gedemonstreerd.

Niet normaal wat er allemaal gebeurt.

Normaal. Wat is normaal vraag ik me intussen af. Of beter, wat het nieuwe normaal is en wordt.

Op persoonlijk niveau heb ik zo het vermoeden dat ik niet zo makkelijk meer handen zal schudden. Ik deed dat al niet graag en als ik het wel deed waste ik mijn handen altijd na afloop. Lichte smetvrees zal ik maar zeggen. Verder denk ik dat het enige tijd zal duren eer ik weer met een gerust hart in een vliegtuig zal zitten. Maar verder pak ik het oude leven weer op.

Op werkniveau denk ik dat er minder op kantoor zal worden gewerkt. Alles blijkt op afstand prima te lopen, maar als er wat nieuws moet gebeuren of er is een meeting met nieuwe partners dan is een fysieke bijeenkomst wel heel fijn. Het zal zich vanzelf gaan regelen. We zijn intelligente mensen en zoeken gewoon de beste modus.

Mijn zorgen zitten meer op maatschappelijk niveau. Het niveau waar we elkaar niet persoonlijk kennen en waar de overheid het voor het zeggen heeft. Tijdens deze pandemie is heel veel slechts naar boven gekomen tussen groepen mensen. Veel strijd, veel ruzie en heel veel polarisatie. Die was er natuurlijk al maar corona heeft als een vergrootlas gefungeerd.

Mij gaat het meer over ….

==================================================================

En hier stopte mijn blog. Mij ging het meer over het omgaan met elkaar. Het wantrouwen, haat en nijd, tweespalt. Nu, 6 maanden verder, is die nog groter dan het al was. Ik hoor en lees van families en gezinnen waarin ruzie is. Ik ken een man die als opa met zijn kleinzoon gaat zwemmen omdat de vader, zijn eigen zoon, zich niet laat vaccineren en bijna zijn zoon van zwemles had afgehaald. Zoals Mannheim al eens beschreef zijn weinig mensen irrationeel maar zijn er twee soorten rationaliteit: die gebaseerd op kennis en analyse (functionele rationaliteit) en die gebaseerd op de eigen ervaring en leefwereld (substantiële rationaliteit). Rationaliteit is hier bedoel als weloverwogen en doel-middel handelen leven. Als mijn ervaring (of gevoel) is dat de prik niet deugt zal ik die dus ook niet nemen.

Weigeraars handelen in die zin rationeel. Als de regering bij monde van Hugo de Jonge hen wegzet als gek dan doe je die weigeraars tekort. Zij zijn niet gek (dat wil zeggen als je de complotdenkers die diep irrationele gedachten hebben niet meetelt) zij bekijken vaccineren in het licht van hun wereld en hun beleving. Als je al wantrouwen voelt ten opzichte van de regering dan zul je niet snel in een vaccin geloven. Vooral als dat wantrouwen wordt gevoed door diezelfde regering. De ene keer zeggen dat mondkapjes nooit meer terugkomen en dan vrolijk maanden later ze weer adviseren, aangeven dat je een toeslag kunt aanvragen en die dan jaren later dubbel en dwars terugeisen, je uitkering niet indexeren maar wel rulings afspreken met grote bedrijven, zeggen dat je Groningen gaat helpen en vervolgens doodleuk zeggen dat je niets meer belooft omdat je je beloften toch nooit nakomt.

Mensen zijn niet gek.

Wat ik desondanks zou willen is dat iedereen inziet dat deze pandemie niet politiek is, noch links noch rechts. Dat de ziekenhuizen vollopen, dat je met vaccin een veel kleinere kans op shit hebt dan zonder, dat je soms iets moet doen voor anderen ook al zie je het niet helemaal zo zitten. Dat we, kortom, er samen inzitten en er samen weer uit gaan komen.

Dag 611 is het inmiddels.

De gulle Burgemeester

Burgemeester zijn, voor sommigen een droom. Waar je in Nederland benoemd wordt bij Koninklijk Besluit is dat in Frankrijk anders. Burgemeesterschap is het resultaat van een verkiezing door de plaatselijke bevolking. Dat maakt het heel direct en heel divers. Iedereen kan in principe burgemeester worden.

Na de laatste verkiezingen kreeg ook Carcès een nieuwe burgemeester. Er waren wat verschuivingen in de politiek en opeens bleek een andere partij het goed te hebben gedaan. Zij kon dan ook de nieuwe burgemeester leveren.

Maar laat ik eerst iets vertellen over de dorpsjuwelier en goudsmid, een man die ik al jaren ken. Af en toe kopen we er iets. Een van onze aankopen was een Darth Vader wekker voor onze jongste zoon. Een aantal jaar geleden zag ik dat hij ook dealer is van het horlogemerk Lip.

Lip zal niet bij veel mensen bekend zijn. Ik kende het merk uit een biografie over De Gaulle. Die droeg een Lip-horloge en had er in 1946 ook een cadeau gegeven aan Churchill. Ooit had ik er een zien liggen bij een juwelier in Aix. En nu dus in Carcès. Van de weeromstuit heb ik er toen een gekocht. Een mooi eenvoudig automatisch horloge.

De juwelier was heel verrast door mijn keuze en dat ik het merk kende. Hij vertelde me dat het een oud merk is uit Besançon en dat het gerevitaliseerd is. Dat moest ook wel, want in de jaren 70 van de vorige eeuw maakten zij erg lelijke horloges en het merk begon een beetje kwijnend bestaan te leiden. De juwelier was helemaal idolaat van het merk en had er zelf een aantal. Ook oude. Ik was blij als een baby met mijn nieuwe klokkie.

Wat heeft dit met de burgemeester te maken?

De juwelier die dus burgemeester werd, daar gaat het om. Hij was een van de belangrijkste mensen in de partij die won en werd burgemeester. Via Facebook heb ik hem toen vanuit Nederland gefeliciteerd.

Toen ik afgelopen zomer in het dorp was ging ik even bij hem langs om te vragen hoe het met hem gaat. Ik belde aan, de deur werd geopend en daar stonden twee bekenden van me, le Père et le Maire zoals ik ze noemde. De pastoor en dus de burgemeester. Ik vroeg of zijn leven was veranderd. En weet dat Carcès een dorp is met een paar duizend inwoners. Er gebeurt niets. Er is ook niets. Nou ja, een paar cafés, een kerk, wat winkels, een grote Intermarché net buiten de bebouwde kom en een paar restaurantjes. Maar toch: de beste man had het enorm druk opeens. Zijn winkel was zo zo, qua drukte, maar nu zat hij commissies voor, de gemeenteraad, werd overal op aangesproken et cetera. Het gemeentehuis is tien meter van hem vandaan en zijn secretaresse vond het slimmer om in zijn winkel te zijn. Zo kon hij alles ondertekenen en accorderen. Maire zijn, zo zei hij, is een grote eer maar hij wist vooraf niet hoeveel werk het was.

Carcès is een arm dorp in een arme streek. Althans voor de meesten. Er zijn rijken, een paar, en de rest moet rondkomen van minder dan modaal. Alleen de zomermaanden zorgen voor extra omzet. Dat was de echte uitdaging zei hij: het welzijn van de inwoners. Daar wilde hij aan werken.

Ik kwam er niet voor niets, ik had nog een mooie Lip gezien en kocht die. Weer een automaat en voorzien van een gewoon bandje. Prachtig.

Na een paar dagen vroeg ik me af of ik ook een clipsluiting kon kopen voor het bandje. Ziet er mooi uit en als het bandje losraakt blijft alles om je pols hangen. Ik terug naar hem. Ja dat kon hij bestellen maar wacht even…. Hij liep een hok in en kwam terug met een doos met allerlei clips en ja hoor, een was er van Lip. Van mijzelf, zei hij, van een van zijn horloges. Hij rommelde wat aan mijn bandje en opeens had ik een clipsluiting. Toen ik vroeg wat het moest kosten zei hij “rien”. Kom maar weer eens terug als je een nieuwe Lip wil hebben.

Het komt wel goed in Carcès met zo’n gulle burgemeester. En Lip is echt een prachtmerk met goede techniek, dus ik denk dat ik nog wel eens terugkom.

Porquerolles

Herfst in de Var betekent meestal koude nachten en in de middag schaamteloos blauwe luchten bij een temperatuur van boven de 20 graden. Als je niet uitkijkt doe je niet al te veel. Genieten van het weer en ’s avonds ergens wat eten is dan genoeg.

Niet voor ons. We besloten weer eens naar Porquerolles af te reizen. Anderhalf uur rijden, de auto neerzetten bij La Tour Fondue en de boot op. Alleen dat al is een vakantie binnen een vakantie. Het was prachtig weer, de lucht was inderdaad zeer blauw en de zon scheen volop.

In het stadje hebben we drie e-bikes gehuurd en zijn we de hele oostkant van het eiland over gereden. Ieder weggetje, ieder stukje hebben we gezien. Veel van de fiets af, stukken lopend om op prachtige plekken uit te komen. Een echte aanrader zo’n elektrische fiets. We zijn eerder op een normale fiets gegaan en dan kom je toch minder ver op de een of andere manier.

Ik herinnerde me nog dat ik een vorige keer enorm honger kreeg onderweg en dat er niet veel te vinden is buiten het dorp dus zijn we eerst maar wat gaan lunchen op het plein. Beetje vette hap maar voldoende voor een dag rondfietsen.

Aan de noordkant van het eiland zijn we richting Plage Notre Dame gereden en van daaruit naar de Batterie des Mèdes (uit de eerste helft van de negentiende eeuw), een werkelijk prachtige plek die ik nog niet kende. Laatste kilometers gewandeld, steeds hoger. Wat een uitzicht en wat een mooie kust.

Langzaam weer omlaag gelopen, de fiets gepakt en door de wijnvelden naar de vuurtoren op de zuidpunt van het eiland gegaan en uiteindelijk weer terug naar het dorp. Wat gedronken, fietsen ingeleverd en weer de boot op. In totaal een kilometer of 16 gefietst en 7 kilometer gelopen. Een mooi rondje.

Als je het zo opschrijft is het allemaal een beetje suf en bedaagd maar dat is het helemaal niet. De sfeer op het eiland is heerlijk zomerend en dromerig. De geuren, al die geuren zijn heerlijk. Steeds andere geuren! En er zijn zoveel mooie plekken om rond te lopen, uit te kijken, gewoon even de zee inlopen dat het oneindig lijkt. Druk is het in oktober nooit en dat is lekker. Er zijn anderen, natuurlijk, maar die zijn al net zo relaxt als dat je zelf bent.

Porquerolles is een aanrader en eenmaal geweest kom je hier altijd weer terug.

Saint-Germain-des-Prés

Je kunt het niet missen in Parijs: alle wegen leiden hier naartoe. De terrassen zitten vol toeristen die nog een beetje de sfeer van de jaren 60 willen proeven. Hier kwamen de grote filosofen van die tijd bij elkaar. Praatten met elkaar, aten met elkaar, werden dronken en kregen ruzie. Natuurlijke Sartre en Beauvoir die hier hun audiënties hielden in Café de Flore of Les Deux Magots. En naast filosofen als Merleau-Ponty, Aron en Camus kwamen hier ook kunstenaars vanaf de jaren na de oorlog. Picasso, Giacometti, Boris Vian en de schrijver Jean Genet. Wie kwam er niet, kun je beter vragen.

Een plek om naar toe te gaan en wat rond te lopen. Zoals ik al decennia doe.

En nu opeens was de kerk open. De oudste kerk van Parijs. De kerk waar Descartes begraven ligt. De man aan wie we de verwarrende scheiding tussen lichaam en geest te danken hebben.

In alle jaren dat ik hier kom was de kerk nooit open geweest. Ja, natuurlijk, vast wel, maar niet als ik er net was. Aslof het geloof op deze existentialistische plek verborgen moest blijven.

En nu dus open. Wat een wonderbaarlijk mooie kerk is dit. Zoals alle kerken is hij van binnen veel groter dan van buiten. De versieringen, de kleuren, alles is er nog gewoon. Het interieur deed me denken aan de grote kerk in Kevelaer: ook daar is alles beschilderd en versierd om de rijkdom van de Roomse kerk te vieren.

Eenmaal binnen verdwijnt de drukte van de Place. Hier geen verkeer, geen gebabbel, geen getoeter of geschreeuw. Hier de rust en de inkeer die tot een kerk horen. Een kerk die er al duizend jaar is en nog duizend jaar zal zijn. Een kerk die alle intellectuelen heeft overleefd. Een kerk die ten diepste is gebouwd op de scheiding tussen lichaam en geest. Dertig minuten in deze rust en je bent weer helemaal klaar voor de wereldse verleiding die Parijs is.

Door Covid is er natuurlijk geen wijwater aan het begin van de kerk waarin je je vingers kunt dopen om jezelf te zegenen. Snel, met een kort kordaat gebaar. Al die bakken staan nu leeg. En terecht.
Mocht het zo zijn dat er ooit weer water in die bakken staat, ook hier in Parijs, en je komt er langs bij binnenkomst: doop snel je vingers erin, sla een kruis waarbij je begint op je voorhoofd en zegen jezelf.

Het schijnt ook te werken als je er niet in gelooft.

19 Rue Cujas, Paris

Het was ergens in de jaren 80 dat ik naar Parijs vertrok met liefdesverdriet. Het was september. Herfst. Goed idee leek me dat. Na twee dagen had ik door dat dat helemaal geen goed idee was want nergens voel je je meer alleen dan met liefdesverdriet in Parijs. Wist ik veel.

Om te overnachten had ik een kamer geboekt in het Grand Hotel Saint Michel in de Rue Cujas, een zijstraat van de Bd. St. Michel, tussen de Sorbonne en het Pantheon in. Die kamer bleek een kamer en suite te zijn op de derde etage. (Op de foto de twee ramen rechts boven de ingang). Het hotel werd gerund door Mme. Salvage (als ik het me goed herinner). Een klein vrouwtje dat me aansprak met ‘mon pauvre’ en iedere dag een verse pan soep klaarmaakte. ’s Morgens trok de geur door het hele pand.

Een kamer kostte toentertijd Ffr. 10,–, wat omgerekend Hfl. 3,– per nacht was. Voor honderd gulden kon ik er een maand wonen. Ik bleef er vier maanden.

Ik keek uit op de daken van de universiteit, mijn kamer had openslaande ramen en twee grote leren fauteuils. Uren bracht ik daar door met onder anderen mijn beste vriendje. We rookten Boyards en dronken whisky. Veel geld hadden we niet maar sigaretten kostten toen niet veel en met één Boyard haalde je het equivalent van een hele slof Barclays naar binnen.

Om boodschappen te doen hobbelde ik de Rue Valette af naar de Place Maubert. Op de markt was het allemaal niet duur, de kaasboer was prima, de wijnboer had goedkope wijn van prima kwaliteit en met een baguette kwam ik een heel eind. En soms koffie bij La Village Ronsard. Het café waar Yves Montand ook kwam.

Boven mij woonde een man die het bad wel eens liet overlopen. De eerste keer dat dat gebeurde rende ik naar boven maar niemand deed open. Ik naar Mme. Salvage die een echte Franse zucht tussen haar lippen liet gaan, wat mompelde en zei ‘le philosophe’. De man in kwestie was een gesjeesde filosoof die af en toe een beetje gek werd en dan in bad ging zitten met de kraan open. Een bekend fenomeen.

’s Avonds soep ophalen bij haar en wat eten. Die sfeer. Geborgen, beetje rommeltje, prachtvrouw, knus en heel gemoedelijk.

Eten deed ik vaak in een klein straatje iets verderop. Daar zat een Algerijn met de lekkerste couscous die ik me kon wensen voor weinig geld. Rond de Ffr. 10. Maar ook daar water: als je beneden in de kelder at en boven trok iemand de wc door lekte het langs de wand. Maar hé, nou en? Het leven was oneindig dus dit was slechts een detail van het hele bestaan.

Ik was dit weekeinde weer in Parijs.

Het hotel is een jaar of dertig overgenomen door een keten van luxe hotels. De prijs voor een single room steeg toen ineens naar Hfl. 250,– per nacht. Het zat altijd vol. Niet zo gek met Luxembourg om de hoek, in het hartje van de linkeroever. Alles was opgeknapt, ook de buitenkant.

En nu staat het leeg. De voordeur stond aan en ik keek naar binnen. De lobby was een zootje, de gordijnen hingen scheef en de vloerbedekking was losgetrokken. Covid is dodelijk geweest voor mijn geweldige hotelletje.

De rest is er nog.

De place Maubert heeft nog steeds een markt waar je voor weinig heerlijke dingen kunt kopen. De kaas- en wijnboer zitten er nog. Le Village Ronsard waar je hippe poké bowl met quinoa kunt bestellen voor de lunch. Le Vieux Campeur waar je echt alle Opinel messen kunt vinden die je maar kunt bedenken. Gibert Jeune waar ik papier en inkt kocht en koop.

Parijs is voor mij altijd thuiskomen. Ik ben er altijd gelukkig. Vooral in de herfst. Ik ga altijd ook even langs een plek van Sartre, mijn intellectuele held. Deze keer weer even langs 42 Rue Bonaparte waar hij woonde met zijn moeder. Hij woonde op de vierde etage en keek uit over St. Germain-des-Prés.

En zo ga ik altijd weer terug. Ook onderweg naar de Var, die heerlijke Var, stop ik graag in Parijs voor een dag of twee. Parijs ruiken en voelen. Parijs horen.

Als je er eenmaal mee behept bent gaat het nooit meer over.

Paris me manque.