Jammer van die Fransen?

Jaloersmakend bruin, in een wit t-shirt verscheen ik weer op mijn werk. Ik had er zin in om weer te beginnen en de ontvangst was zeer hartelijk. Waar ik ook alweer was geweest? Oh, Frankrijk. ‘Mooi land, jammer van die Fransen.’

Herkenbare reactie waarschijnlijk voor velen. Italië en Spanje daarentegen worden bevolkt door louter open, vriendelijke, gastvrije mensen. Wat op zich al een merkwaardige constatering is natuurlijk, waarbij aan de ene kant van de grens nare en aan de andere kant van de grens leuke mensen wonen.

Maar goed, die Fransen.

Hebben de Fransenhaters gelijk?

Frankrijk is een wat gesloten cultuur. Dat heeft alles te maken met de geschiedenis die geleid heeft tot een zeer centralistisch bestuurd land. Parijs maakt de dienst uit en de rest van het land heeft in het gelid te staan. Dat maakt Parijzenaars tot een deel van de bevolking waar ik het minder over zal hebben. Machthebbers zijn namelijk nooit leuk. Maar de rest dan?

De rest komt dit verschil in macht en zeggenschap en invloed in het klein tegen. Als je ergens werkt dan is de patron de baas en jij overduidelijk niet. Heel in het kort: daarom werken Fransen ook niet zo graag. Werk is niet de plek waar je aan je dromen kunt bouwen. Je speelt een rol en daarin word je al dan niet gewaardeerd.

Dat machtsverschil ervaar je ook als je bijvoorbeeld belt met de klantenservice van EDF. Zij zijn aan zet, jij bent een hinderlijke onderbreking van de werkdag en wat wil je eigenlijk en we verbreken de verbinding. Zo ongeveer.

Maar hier gaat het steeds over situaties met een machtsverschil waarin de gemiddelde Fransman voorzichtig manoeuvreert, niet wetende wat de uitkomst zal zijn van de interactie.

Dan is er nog iets. Taal. Zeker Fransen die de 40 zijn gepasseerd spreken Frans. Alleen Frans. De films zijn nagesynchroniseerd en dus kom je niet zoals bij ons al jong in aanraking met andere talen. De jongeren hebben daar overigens geen last van, of althans minder.

Deze twee dingen, machtsafstand en taal, maken de Fransman gereserveerd. Waar kan hij zijn persoonlijke ei wel kwijt? Bij vrienden, in de buurt, met bekenden, op de Grand Aïoli in het dorp, bij de pétanqueclub, de fietsclub. Kortom: daar waar vriendschap en gelijkheid heersen.

En in dat leven komen wij binnendenderen met veel lawaai, brood bestellend in het Engels (als het meezit), weinig geduld tonend als er weer iemand met een cheque of heel veel kleingeld betaalt, en vooral -omdat Nederlanders dan weer geen Frans spreken- met een enorme afstand tot de Fransman. Wat er ontstaat is een formele, machtsafhankelijke situatie waar de gemiddelde Fransman niet goed mee om kan gaan.

Hoe anders is het als je wel een beetje Frans spreekt, je wacht op je beurt, bonjour zegt als je binnenkomt, vriendelijk bent, als je je opstelt als een gelijke, een broeder die ook streeft naar een vrij leuk leven. Dán gaat de wereld voor je open en blijken er vooral heel veel zachtmoedige vriendelijke Fransen te bestaan. Met hier en daar een naar type ertussen.

Een beetje zoals bij ons, zal ik maar zeggen.

Mijn jongste zoon bestelde bij mijn verjaarsdiner een Cola Zero én een glas voor de rode wijn. De chef kwam naar ons toe, streng, moeilijk kijkend met de vraag of hij dat meende? Of hij serieus rode wijn dronk plus cola! ‘C’est sont des mecs, hein’, zei ik. Hij bulderde het uit van het lachen, vooral vanwege het beteuterde gezicht van Sam, sloeg hem op de schouder en hobbelde weer de keuken in. Het werd een geweldige avond.

Fransen zijn heerlijk gastvrije mensen, met een zacht gemoed. Italianen en Spanjaarden overigens ook, maar dat komt ergens anders door. Grenzen doen ertoe voor cultuur, minder voor inborst.

Canicule bij het winkelen

Het klinkt als iets medisch, een instrument of een aandoening. Een lichaamsdeel wellicht maar het is meer dan dat. Het betreft het gehele bestaan en het gehele lichaam. De canicule waarin we nu zitten is en forse, een zeer forse hittegolf.

Komend van de westkust van Frankrijk en Baskenland, waar het een prima 26 graden was, zijn we een week geleden hier aangekomen in de Var. Rond de 37 graden met pieken van rond de 42 graden. En dat merk je.

Het vreemde is dat je tot rond de 35 graden best normaal kunt leven. Tuurlijk, het is warm en je voelt je wat slomer, maar het gaat prima. Zeker als het dan ‘s nachts zo rond de 18 graden is. Boven de 38 en zeker boven de 40 graden is het anders. Dan voel je dat iedere inspanning er een teveel is. Dat je na een uur of half tien in de ochtend geen ambities moet hebben.

Op donderdagavond is er hier in het dorp altijd markt, in de zomer althans. Beetje goedkope rommel die wordt verkocht, naar het is wel gezellig. Wij er na het eten dus naartoe. Hier op de berg was het nog erg warm, maar eenmaal beneden in het dorp aangekomen kwamen we in een sauna. Ongeneerd heet was het zonder enig windje. Iedereen zweette zich suf. Niet iedereen had schone kleren aangetrokken of deo gebruikt. De geur van eten vermengde zich met geur van mensen. Een ongepolijste sfeer. Wat gedronken bij Le Central (voor mij een diabolo menthe) met live muziek. Twee dames en een man met gitaar die Jacques Dutronc speelden en zongen hielden de sfeer er heel goed in. Het meisje in de bediening was er weer als vanouds. Mager en heel Frans. De Fransen zongen zoals altijd mee en er werd zelfs gedanst. Het leven was heel mooi. Toen weer de berg op naar huis. Het was half twaalf en ieder van ons dook in het zwembad. Zelfs dat was warmer dan de week eerder. Alles was warm.

Het zal iets minder heet worden en we zijn voorbereid. We hebben geen airco in het huis maar heel veel ventilatoren. Zo is het ‘s nachts toch gewoon te doen. We slapen prima. Toen we in San Sebastian een kamer hadden in The Social Hub zei ik al tegen de zoon: geniet nog van de perfecte airco in je kamer, je gaat er nog van dromen.

En zo geschiedde.

Ik weet wel dat ik bij dit weer altijd ook weet hoezeer ik ga genieten van de terugkomst in Nederland. De koelte, mijn lekkere koele bed, de energie die ik heb om te werken, te lezen, te leren, te koken. Die energie is hier erg laag. Maar ik kan ermee leven. Immers: ik zit een aantal weken in mijn huis in mijn dorp in mijn Var. Ik loop Seb tegen het lijf nadat hij is gestopt met zijn pizzeria en maak een praatje. Het leven is mooi, het leven is goed, het leven is warm.

Misschien is dat wel de vertaling van canicule: de gelukzalige toestand op een plek waar je wilt zijn waarbij het je totaal ontbreekt aan energie om die plek te verlaten.

Frankrijk verandert (2)

Eerder deze week schreef ik over mijn zorgen over Frankrijk, en dan met name over mijn dorp, Carcès.

Ik schreef over klein leed. Dat mijn vrienden Seb et Patou, vermoeid, hebben besloten hun pizzeria te sluiten. Lieve mensen die echt moe zijn. Die het hoofd niet meer boven water hielden.

Dat is echt treurig. En ik heb niet alleen sympathie en vriendschap met hen maar ik begrijp het ook.

Veel reacties waren uit begrip, liefde voor la France profonde en herkenning.

Ik haalde even het grote leed van Frankrijk aan. De opmars van extreemrechts. Ook in Carcès. Kort maar onmisbaar in mijn blog.

Daarop is een aantal mensen op een nare manier losgegaan. Niet heel prettig maar scherp veroordelend. Mijn stelling bewijzend.

Laat me duidelijk zijn. Ik zal nooit het hoofd buigen voor extreemrechts. Zelfs niet om te luisteren. Nooit. Verwacht van mij geen enkel begrip voor xenofobie, zielig nationalisme en haat.

Nooit. Ik zie het en ik zal het benoemen. Altijd wel en nooit niet. En voor hen die dat niet bevalt: de groeten na.

Hoe Frankrijk verandert

Er is groot leed en er is klein leed in het leven. Voor nu wil ik het even over klein leed hebben maar wel klein leed met impact op het bijna dagelijkse leven.

Het zit namelijk zo: over niet al te lange tijd vertrekken we weer naar ons eigen kleine mooie dorpje in de Var. Een oase van rust met een paar duizend inwoners. Meer is het niet. Weinig toeristen want veel is er niet te doen. En in de 22 jaar dat we er komen is het zeker niet drukker geworden.

Integendeel.

In dat dorp zijn niet veel restaurants. Met probeert wat en na een jaar of twee, drie stopt men weer. Zoals ik al zei: veel toeristen zijn er niet. Dat is bijvoorbeeld in het nabijgelegen Cotignac geheel anders.

In 2002 kwamen we al bij een pizzabakker met een restaurantje met zes tafels. Er was geen buiten. De eigenaar en zijn vrouw runden het en het was er altijd ongegeneerd gezellig. Op een dag was het restaurant gesloten. Seb et Patou, zo heten zij, hadden hun oog laten vallen op een andere plek aan de andere kant van het dorp. Met een buiten. Wij blij, zij blij. Seb had wel een fout gemaakt. De oven had hij na laten bouwen in zijn nieuwe restaurant maar wel met 5 keer zoveel tafels. Hij werkte zich dus een slag in de rondte en de wachttijden voor eten schoten omhoog.

Maar hé, het waren wel Seb et Patou, dus dat wachten was niet erg.

Seb viel uit door kanker maar op miraculeuze wijze heeft hij het overleefd en begon gewoon weer, sterk vermagerd maar zeer levendig. Al die tijd had zijn gezin een en ander in de lucht gehouden. Zoonlief kon ook pizza’s bakken.

Vorig jaar spraken we hen op een rustige avond. Ze waren moe, heel moe. De inkomsten waren nog maar 60% van voor corona en ze hadden het gevoel uitgewoond te worden. Ik had al eens geopperd de prijs per pizza met €3,- te verhogen maar dat vonden ze niks.

En nu hoor ik dat ze zijn gestopt. Dat is mijn, en ook hun kleine leed, in een veranderend Frankrijk. Er waren minder en minder klanten, mensen gaven minder uit vanwege de (lokale) economie. Waar grote gezinnen samen uit eten gingen waren het nu de lokale jongeren die wegtrokken uit het dorp. Op zoek naar werk of een goede opleiding.

Ze zijn een pizzeria begonnen op het parkeerterrein in Thoronet naar het schijnt. Alleen open overdag. Zou wel eens hun redding kunnen zijn maar wat een gemis voor het dorp. Dorpen kunnen verdampen.

Klein leed dus.

En het grote? RN is waarschijnlijk de grootste partij geworden in Carcès. De uitslagen van de tweede ronde staan nog niet online, maar de kans is groot. De armoede en de afkeer van Parijs en Macron, gecombineerd met de idiote simplificaties van extreem rechts (zoals bij ons ook het geval is) hebben effect. Ook mijn mooie dorpje heeft zich overgeleverd aan de bruine wolven die een zuiver Europa nastreven. Seb et Patou zijn door datzelfde bruine volk nog nooit geholpen overigens.

Ça ira.

Lekker zitten in Zeist? (*)

En opeens was het bankje er. Op de Boulevard. Best een mooi bankje, goed vormgegeven. Het zag eruit alsof je er lekker op kunt zitten. En toch knaagde er ook iets. Wat deed die extra armleuning daar? Drie zitplekken en tussen plek twee en drie, of een en twee, een extra leuning. Hmm.

Dan zijn er twee mogelijkheden. 

De eerste is een mooie uitleg. Dit bankje is bedoeld om mensen nader tot elkaar te laten komen. Stelletjes en mensen alleen kunnen hier samen zitten, zonder te dicht op elkaars lip te zitten. Er is letterlijk een barrière aangebracht tussen het stel en de eenling. Toenadering is mooi maar het moet niet te gek worden. De gemeente Zeist die verbroedering tot stand wil brengen, zomaar langs de openbare weg. 

De tweede uitleg is de meest waarschijnlijke. We hebben hier te maken met een uiting van ‘hostile architecture’, vijandige architectuur. Dit is een bouw- en ontwerpstijl die het oneigenlijk gebruik van openbare plekken onmogelijk maakt. Meestal als reactie op heel veel jeugd op een plek, waar men overlast van heeft. Of als reactie op zwervers die zomaar ergens gaan liggen slapen. Dit bankje past daar prima in. Zo elegant het eruit ziet, zo ongemakkelijk is het om op te slapen. Het is altijd met opzet zo ontworpen, nooit bij toeval.

Er zijn meer voorbeelden van dit soort architectuur. Zo is de betonnen rand van het grasveld bij de Jumbo op de Korte Steynlaan voorzien van stalen pinnen. Waar de rand ooit perfect was voor scateboarders is hij nu onbruikbaar. Je moet ook niet op zo’n pin gaan zitten.

Dat maakt het bankje tot een sneu bankje. Een bang bankje. Stel je voor dat zwervers massaal Zeist gaan kiezen om op het mooie straatmeubilair te liggen! Dat moeten we voorkomen. Het is een bankje dat uitstraalt dat alle mensen hetzelfde moeten zijn: nette brave burgers. Het is een anti-bankje.

Dat wil zeggen, als het klopt dat het vijandige architectuur betreft. Zo niet, dan trek ik al mijn woorden terug en omarm het gebaar van liefde en samenhang dat Zeist heeft geplaatst. Het samen-komen-we-verder-bankje. Maar ik vraag het me af.

(*) ook gepubliceerd op Zeistermagazine.nl

PS: inmiddels is er een reactie van Wethouder Wouter Catsburg: het bankje is er om mensen die moeilijk lopen en opstaan te helpen.

Een liberale socialist.

Wat momenteel in Den Haag gebeurt stemt me heel droevig. De meeste moeite heb ik met de VVD. Hoewel ik nooit VVD stem, heb ik het wel altijd een fatsoenlijke partij gevonden. En een belangrijke. Het liberalisme gaat ver terug in Europa en op die erfenis is veel goeds gebouwd. Te zien hoe Yesilgöz, met instemming van de gehele fractie, die erfenis te grabbel gooit opdat met aan de macht kan komen vind ik echt stuitend. Voor mij is de VVD een intens onfatsoenlijke partij geworden. Volstrekt niet meer de moeite waard. Extreem rechts aan de macht helpen maakt jou extreem rechts. De VVD als liberale partij is opgehouden te bestaan. Weg.

Ik ben liberaal

Ik geloof ten diepste dat ieder individu verantwoordelijk is voor de manier waarop hij/zij het leven vormgeeft. Wat de omstandigheden ook zijn: de manier waarop je die omstandigheden een plek en betekenis geeft in jouw leven is jouw werk. Van niemand anders. De mens is veroordeeld tot die vrijheid en kan zich nergens achter verschuilen. Niet achter een geloof, een opvoeding, een karakter, een dominante moeder, opleiding. Jij en alleen jij maakt je leven.

Dat de overheid daarin zeer terughoudend moet zijn spreekt voor mij voor zich. Iedere overheid categoriseert en is als systeem dodelijk voor de individualiteit. Wil je als mens een plek hebben binnen de systeemwereld van de overheid, dan zul je je eigenheid moeten opgeven. Er is geen ruimte voor individuen, in het beste geval behoor tot een heel kleine subcategorie. Een individu ben je nooit.

Als ik in Frankrijk in mijn dorp rondloop zie ik Liberté, Égalité, Fraternité boven de deur van het Hôtel de Ville staan. Precies die drie woorden zijn voor mij leidraad in het bestaan. Mensen worden gelijkwaardig geboren, moeten vrij zijn in hun handelen en denken en -zoals The Social Hub zegt- ‘everybody should like everybody’. Zie het als een ideaalbeeld voor een samenleving van vrije individuen die in hun vrijheid hun leven en omgeving kiezen. Negatieve vrijheid: laat me met rust en ik ben gevrijwaard van iedere dwang. Positieve vrijheid: ik kan maken van mijn leven wat in mijn vermogen ligt.

De mens is wat hij doet en moet met rust worden gelaten. De staat heeft daar niets te zoeken. Daarom ben ik liberaal.

Ik ben socialist

Vrije mensen zullen altijd hun eigen maximale nut nastreven. Voor de een is dat maximale nut uit te drukken in geld, voor de ander in macht. Omdat mensen wel gelijkwaardig geboren worden maar niet gelijk zijn zullen er ook altijd verschillen tussen mensen ontstaan. Dat is op zich niet erg. Dat er verschillen zijn maakt het leven tot een feest.

Maar het is niet alleen mooi. En hoewel ik zelf een voorbeeld ben van het tegendeel is het moeilijk van een dubbeltje een kwartje te worden. Die maatschappij waarvan de liberaal in mij zegt dat die een optelsom van individuen is, is erg weerbarstig. Geboren worden in een bepaald milieu is vrijwel zeker een determinant voor de rest van je leven. Als je wilt weten welke plek iemand gaat innemen in zijn leven, moet je kijken naar de ouders. Dat wordt het dan ook ongeveer.

Dat betekent dat er niet één maatschappij is, maar meerdere naast elkaar. De vrije mens is dus helemaal niet zo vrij, maar gegrond in zijn komaf. En waar ik vind dat men die komaf nooit kan gebruiken als reden om iets te doen, vormt diezelfde komaf de lens waarmee men de wereld bekijkt. In een arm gezin geboren zal de wereld een onvoorspelbare wereld zijn, waarin armoede altijd op de loer ligt. Je automatische piloot is sociaal gefundeerd, je blik op en uitleg van de wereld is gefundeerd in je opvoeding, je eigen cultuur, je omgeving et cetera. Je hele leven overigens. Zit je aan de onderkant van de samenleving dan leef je minder lang en je brengt meer jaren door in slechte gezondheid.

En omdat dit zo breed en gelijkvormig is, lijkt er iets te bestaan dat geheel losstaat van individueel handelen. Zie het als taal: die is er voor je geboorte, je spreekt hem en na je dood is die taal er nog steeds. De taal van en voor de een is zeker niet de taal van en voor de ander.

Het woord van Brecht geldt nog steeds („Denn die einen sind im Dunkeln Und die anderen sind im Licht. Und man siehet die im Lichte Die im Dunkeln sieht man nicht.“) en het is broodnodig aandacht te besteden aan hen in het duister. Willen we een fatsoenlijke samenleving zijn dan moeten we erkennen dat niet iedereen mee kan komen, dat niet iedereen dezelfde kansen heeft. Dan zullen we voor elkaar moeten zorgen. Omstandigheden creëren waarin mensen verder kunnen, vrij kunnen zijn van armoede en achterstelling.

Daar is een staat voor nodig. Juist dan is het systeem perfect: zonder onderscheid op individueel niveau kunnen groepen worden geholpen om verder te kunnen. De ideale staat heeft een visie op mensen waarbij men bijstuurt en faciliteert om het mogelijk te maken dat mensen meer vrijheid hebben én voelen om zich te ontwikkelen.

De mens is sociaal gegrond en moet geholpen worden om verder te kunnen komen. De staat heeft daar veel te zoeken. Daarom ben ik socialist.

Een liberale socialist

Laat je de wereld over aan liberalen dat leven mensen in onbekommerde vrijheid als zij zich dat kunnen veroorloven. Geen staatsinmenging, vrije burgers waarbij er wel eens een of meer van de kar vallen. Jammer. Je bent immers zelf verantwoordelijk voor de kar. Liberalen zijn goedgemutst met een grote blinde vlek voor hen aan de onderkant.

Laat je de wereld over aan socialisten dat zal de overheid zich met alles bemoeien. Veel regels en vooral veel normatieve opvattingen: goed en slecht zullen de bron zijn voor beleid. De onderkant zal zich kunnen verheffen maar ook onder curatele komen.

Waar liberalen bevrijden en verwaarlozen, zullen socialisten ondersteunen en afhankelijk maken.

Ik wil een samenleving waarin mensen bevrijd zijn van ketenen en beperkingen én waar we goed voor elkaar zorgen, elkaar helpen. Niet (alleen) op individueel niveau maar vanuit de staat: een verdelende rechtvaardigheid.

Toch even politiek. Het is niet anders.

Het lijkt allemaal zo simpel: voor complexe problemen zijn er twee routes. De eerste is ontkennen dat er een groot probleem is. Klimaat verandert nou eenmaal altijd en het valt nu wel mee en zo erg is het niet en we bestaan zelf voor 99% uit stikstof. De tweede route is een heel simpele oplossing verzinnen voor een zeer complex probleem. Ter Apel loopt over en dus gooien we de grenzen dicht.

Interessant is dat beide routes niets veranderen aan de werkelijkheid.

Je kunt ontkennen wat je wilt, maar de grote meerderheid van mensen die ervoor hebben doorgeleerd geeft toch echt aan dat er een klimaatprobleem is. De aarde warmt op, het klimaat verandert eigenlijk overal en de mens is de oorzaak van dat alles. Ontkennen heeft dan iets kinderachtigs. De koekjestrommel is leeg en jij houdt vol dat dat altijd al zo was en trouwens je kreeg de deksel maar heel moeilijk open.

Je kunt simpele oplossingen suggereren wat je wilt, maar de werkelijkheid verandert daar niets mee. Je kunt iedere grens dicht willen gooien maar dat kan niet eens. Het kan fysiek niet, er is gewoonweg teveel grens, en het kan juridisch niet. Je moet mensen opvangen. Dit soort oplossingen vormen nooit een oplossing. Complexe problemen vergen complexe oplossingen, die tijd, geld en aandacht vragen.

De vier partijen die aan tafel zitten maken zich schuldig, onder andere, aan beide simplificaties. Nu al is te voorspellen dat geen van hun voorstellen ooit werkelijk beleid gaan worden. Zoals die schattige lieve Lientje stelde: je mag wensdenken omdat je hoopt dat je wens uitkomt. Zoals dat Brussel alle beleid gaat aanpassen aan de wensen van dit narrenschip.

De insteek van deze vier partijen is dan ook helemaal niet fatsoenlijk beleid maken. Geheel niet, zelfs.

Wat is de insteek wel?

Zoveel onzin schetsen dat het onuitvoerbaar wordt. De EU zal dwarsliggen, Nederlandse rechters zullen dwarsliggen, beoogd beleid zal door ambtenaren ter discussie worden gesteld, et cetera. Dat weet men allang. En toch gaat men ermee door. Waarom dan eigenlijk?

Heel simpel. Je kunt dat het linkse establishment de schuld geven dat zij het Nederlandse volk in de steek laten. Dat de elite er alles aan doet om te zorgen, dat door iedereen gewilde maatregelen niet door kunnen gaan. Dat D66-rechters de politiek dwarsbomen. Dat ‘zij’ in Brussel Nederland niet eerbiedigen. En cetera, enzovoort.

Er komen dan nieuwe verkiezingen en bruin wordt nog groter dan het nu al is.

Dat scenario ligt bij ieder van de vier op tafel. Nu breken leidt zeker tot zetelverlies en dus zal geen van de vier breken. Dan maar dit, dan kun je anderen de schuld geven en dan kun je ook verontwaardigd zijn. Tegengewerkt worden wil niemand en die boosheid zal het Nederlandse volk zeker herkennen. Schande. Hier heb je mijn stem.

Het zijn duistere tijden waarin we leven. Ik ben niet optimistisch.

Astma, een leven met astma.

Zo tussen mijn vierde en veertiende jaar was ik ziek. De helft van de tijd was ik thuis. Piepend, zagend, naar adem happend. Onze huisarts, dokter Ogterop op de Sweder van Zuylenweg op Zuilen, Utrecht, was een heer van stand die op zijn fiets naar je toe kwam. Op ziekenbezoek. Tien jaar lang ben ik behandeld voor iets wat ik niet had, waardoor er geen enkele vooruitgang geboekt werd. Ik bleef thuis.

Ik ging weinig naar school, ik sportte nooit, zat niet op schoolzwemmen. Iedere inspanning moest ik bekopen met een aantal dag rust.

Toen ik veertien was werd onze huisarts zelf ziek. Er kwam een vervanger, een jonge vent. Die luisterde naar mijn longen, sprak met me en zei ‘je hebt astma’. Hij verwees me naar een longarts op diezelfde Sweder van Zuylenweg, maar dan een paar huizen verderop. Ik deed een longinhoudtest en het resultaat was dat ik anderhalve liter longinhoud bleek te bezitten. Prima voor een muis maar ernstig voor een jongen van veertien. Ik kreeg een nieuw medicijn, Lomudal, en ging dat dagelijks gebruiken. Een smerig soort poedertje dat je diep moest inhaleren. Erbij kreeg ik Bricanyl-tabletjes als het heel erg was. Als ik die nam kon ik niet eens meer schrijven, zo trilde ik.

Na een half jaar was mijn longinhoud bijna zes liter.

Die tien jaar hebben mijn leven bepaald. Ik vertrouw wel op mijn hersenen, niet op mijn lichaam. Als ik een moeilijk boek pak, zeg van Heidegger, dan begin ik daaraan in de overtuiging dat me dat gaat lukken. Ik lees nog steeds twee boeken per week. Ik lees alles en vergeet niets. Als ik moet kanovaren dan zinkt de moed me in de schoenen. Ik zal zeker en vast omslaan, en dat doe ik dan dus ook. Alleen kickboksen bak ik wat van. Vind ik zelf.

Ik heb in die jaren alleen mijn verstand getraind en verder niet zoveel.

En nu?

Tja, nu ben ik een middelbare man met astma. Al mijn hele leven heb ik dat dus. Het hoort bij mijn zijn. Ik kan me geen leven zonder voorstellen. Als ik het benauwd heb ga ik oppervlakkig ademen. Ik hoor dan mijn moeder in mijn oor die zegt ‘wat piep je, gaat het wel goed?’ Dat wil ik niet meer horen dus onderdruk ik mijn gepiep. Soms, het komt altijd ’s nachts, word ik wakker van mijn eigen gepiep. Dat is heel vertrouwd en zorgelijk. Ik haat mijn piepen. Mijn lichaam laat me dan weer in de steek en mijn teleurstelling is enorm. Ik wil een lijf dat er is, dat het doet, een lijf waarin ik veilig kan wonen. En soms heb ik dat niet.

Je kunt oud worden met astma. Ook heb ik ooit, kinderlijk, gedacht dat ik geen enkele andere nare ziekte kan krijgen omdat ik al astma heb. En er zijn ziekten die veel naarder zijn dan gewoon astma.

Je kunt het doorgeven. Het gevolg is dat mijn beide zonen ook astma hebben. Een puffende familie. Maar geleerd van mijn eigen leven, heb ik direct actie ondernomen toen ze nog heel jong waren. En sindsdien gebruiken zij goede medicijnen waardoor ze er nooit last van hebben.

Dus leven met astma gaat prima. Op sommige dagen na dat je ondanks alles medicatie er toch last van hebt. Ook dat gaat weer over waarbij je hoogstens een paar dagen moe bent. Dat is het dan ook.

Soms let ik niet op en puf al twee weken met een lege puf. Gebeurt me eens in de zoveel tijd. Dat merk ik snel genoeg. Gierend naar bed en fluitend de dag door.

Astmalijders zijn vrolijke types.

Psychiatrie als verlokking

In een diep verleden stuitte ik op een boekje over Freud. Ik zal een jaar of 15 zijn geweest en liep zoals altijd in Utrecht alle boekhandels af. Ook De Slegte, toen nog een geweldige winkel aan de Oudegracht. Het was een biografie meen ik en ik las het in een paar dagen van kaft to kaft. Niet dat ik alles begreep, maar wat ik wel begreep: deze man had enorme impact gehad op ons denken over de mens. Het onbewuste, het geweten, het Es, de omgang met taal, dromen: in ons denken zijn we doordesemd door Freud. Zonder dat nog te weten.

Een paar jaar later studeerde ik psychologie (en nog het een en ander) en kon me verder in zijn werk verdiepen. Ik kreeg namelijk een achtergrond en begrippenkader waarmee ik een en ander kon duiden.

Het is net als met bijvoorbeeld filosofie: je moet de filosoof begrijpen in zijn tijd als onderdeel van de geschiedenis van de filosofie. Waarom zegt A dit en dat? Waar is het een reactie op? Zo begon ik ook Freud te begrijpen.

Waar ik nog het meest van onder de indruk was, was zijn moed. In alle voorzichtigheid durfde hij dingen te poneren (bijvoorbeeld over dromen) die onwetenschappelijk waren. En toch poneerde en onderzocht hij ze. Daar is durf voor nodig. Freud had durf.

Onlangs was ik in Wenen en ik had me voorgenomen naar Berggasse 19 te gaan. Het oude woonhuis van Freud.

We vertrokken te voet uit het hotel en Sam wees de weg. Feilloos kwamen we uit in de Berggasse. Nummer 33 zag ik staan. Bij mezelf merkte ik een lichte opwinding: ik ging het huis van Freud bezoeken! Na zolang ging het gebeuren.

Bij nummer 19 gingen we naar binnen en ik keek mij ogen uit. Inmiddels ken ik zijn werk vrij goed en hoefde ik niet iedere uitgave te bekijken en over te lezen. Ik keek mijn ogen uit naar de kamers (waar vrijwel geen meubels staan. Die staan in Londen), naar het uitzicht uit de vensters, zijn uitzicht. Naar de verschillende overgangen van kamers, van huis- naar behandelkamer. En ik wist dat hij daar ook had gelopen, zo’n 90 jaar geleden nog.

Gebruiksvoorwerpen vind ik het meest interessant: zijn pen, zijn bril, het briefpapier.

Ik heb me ondergedompeld in sfeer en ruimte. Het was prachtig. Meer dan dat. Het was onvergetelijk.

Ik ben nooit terechtgekomen in de psychiatrie en ik ben ook geen praktiserend psycholoog. Voor het begrijpen van de mens, van zijn driften en verlangens, van zijn woede en liefde en ook voor het begrijpen van het onbehagen in onze cultuur blijf ik teruggrijpen op Freud. Zijn psychiatrie is een grote verlokking.