Praten is klanken uitstoten met als doel dat de ander mij hoort. Praten is je mening uiten met als doel dat de ander weet wat je ergens van vindt. Praten is afwachten dat de ander adem haalt zodat jij jouw mening kunt uiten. Praten is het vinden van een haakje in het verhaal van de ander om je eigen overtreffende-trapverhaal te vertellen.

Eigenlijk is dat allemaal geen praten. Althans, geen praten mét. Met een ander. Het is praten tegen een ander.

Praten kan en moet veel meer zijn, praten moet deel uitmaken van een gesprek.

Wat is een gesprek.

Als je de definitie van ‘gesprek’ opzoekt komt er iets uit als:

‘Een goed gesprek is een gelijkwaardige, open dialoog gericht op echt begrip, persoonlijke aandacht en verbinding, waarbij actief luisteren centraal staat zonder direct naar oplossingen te zoeken. Kenmerken zijn onder meer veiligheid, oprechte interesse, non-verbaal contact en de ruimte voor kwetsbaarheid en wederzijdse feedback.’

Er staat dus ‘een GOED gesprek’. En daarna komt er een hele uitleg die vooral gaat over interconnectiviteit, convivialiteit, verplaatsen in de ander, je goed voelen, veilig zijn, kwetsbaar zijn et cetera, enzovoort.

Dit herkenen we allemaal. Een lekker gesprek kennen we allemaal. Met vrienden eerst een beetje ouwehoeren, een wijntje erbij en dan komen misschien wel persoonlijke ontboezemingen. Omdat we ons geborgen voelen bij elkaar durven we dingen te zeggen die ons kwetsbaar maken. Gewoon om een keer je hart te luchten bijvoorbeeld, of te vertellen waarmee je omhoog zit. Persoonlijk of in je werk. Niet de diepte in maar gewoon even kunnen leeglopen. Zonder oordeel vanuit de ander.

Dat moeten we sowieso kunnen en doen.

Ik zou er nog een stap aan willen toevoegen: communicatief handelen.

We praten veel maar bereiken niets

Woorden zijn daden. Als ik op dit moment de tv aanzet, de radio, luister naar een politiek of maatschappelijk debat, dan hoor ik veel geluid, veel woorden. Mensen die tegen elkaar praten, wachten tot het moment dat de ander adem moet halen om er direct in te komen met de eigen mening, een jij-bak (Yeşilgös) of een verwijt. Het ergst zijn talkshows, praatshows. Daar mogen volstrekt ongeïnfomeerden, volstrekte nitwits, hun mening uiten over de aanvallen op Iran. Iedereen een mening. Iedereen praat. De deskundige van dienst wordt meestal het minst serieus genomen want de mening van de man in de straat telt meer. In de politiek geldt dat adagium ook: we moeten inclusief zijn en luisteren naar iedereen. En daar moeten we dan vervolgens wat mee doen. Dat is vreemd op zich. Als ik een kast wil maken luister ik ook niet naar iedereen. Ik luister dan vooral naar mensen die het al vaak hebben gedaan en er beter in zijn dan ik. Maar wij zijn eraan gewend geraakt dat iedere mening telt.

We luisteren naar iedereen en bereiken er niets mee.

Ik stel voor dat we stoppen met deze geestelijke luiheid. Het klinkt heel aardig die inclusiviteit, maar het is extreem lui. Onverschillig bijna. Waarom zou ik luisteren naar een gemiddelde mening over een moeilijk onderwerp? Gewoon, om geen gezeik te krijgen. Omdat de persoon met een mening, maar zonder visie zeker heel lui is, maar tegenwoordig ook beschikt over een enorme megafoon: social. De versterkte grote mond.

Laten we het anders gaan doen

Ik stel voor dat we elkaar weer meer serieus gaan nemen. Zo serieus dat we elkaars uitspraken beoordelen op drie onderdelen: waarheid, juistheid en legitimiteit.

Ik heb dit niet zelf bedacht, maar daar kom ik zo wel op terug. Voor nu wil ik heel kort uitleggen wat ik ermee bedoel en wat het betekent. Maar ook waarom het nodig is, maar niet zo modieus.

Wat ik zou willen is dat als wijzelf of iemand anders een uitspraak doet, we ons altijd afvragen: is het feitelijk waar wat er wordt gezegd, is het normatief juist wat hij zegt, weet hij waar hij het over heeft, en als laatste pas, mag die ander dat zeggen, meent hij het oprecht, is hij waarachtig?

Neem de politiek, gewoon een debat in de Tweede Kamer. Daar mag iedereen zeggen wat hij of zij wil. Daar ben ik overigens juist daar niet op tegen. De reacties op overduidelijke nonsens (er is een Deep State die ons wil onderdrukken) zijn altijd moreel en persoonlijk. Moreel omdat er met afschuw wordt gereageerd en persoonlijk omdat de legitimiteit van de spreker in twijfel wordt getrokken. Als Wilders weer eens zijn bekende riedeltje afdraait (overigens steeds vermoeider) dan is er onverschilligheid, verontwaardiging en soms ook de vraag “en wat heeft u dan bereikt in het kabinet?” Meer niet.

Waarheid, juistheid, waarachtigheid

Wat altijd moet gebeuren is eerst een zoektocht naar de feitelijke waarheid. Wat bedoelt u, hoe komt u aan de cijfers, wat zijn die cijfers, hoe werkt immigratie door op woningnood, werkgelegenheid etc. Vragen, vragen vragen. Vervolgens vragen naar concreet beleid: wat stelt u voor, hoe gaan we dat doen, hoe zit het met wetgeving, wat kost dat beleid, welke keuzes maakt u. Kortom: stel de feiten vast en kijk of er feitelijk een grond is voor de uitspraken. Pas daarna kun je een moreel oordeel vellen of vaststellen uitgaande van de feiten die kloppen. Feiten die geen feiten zijn kun je vervolgens negeren in het debat.

Een gesprek gebaseerd op deze drie uitgangspunten is altijd noodzakelijk. Ook in mijn werkzame leven gebruik ik het, om uit te vissen wat er precies aan de hand is. Als een collega zegt dat het niet goed gaat, begin ik altijd met de feiten: waar verwijs je naar, waarom gaat het niet goed, waaraan relateer je die uitspraak et cetera. Daarna stap ik over naar de juistheid van de uitspraak en de waarachtigheid van die uitspraak. In het begin leverde dit best gekke gesprekken op maar inmiddels is dit steeds de riedel die we aflopen: wat zijn de feiten, wat vinden we ervan (welke betekenis geven we aan die feiten) en zijn wij in staat er iets aan te doen, te veranderen? Heel concreet: als ik stel dat het niet goed gaat en dat oordeel klopt, en uiteindelijk ben ik als eindverantwoordelijke de oorzaak daarvan, dan is mijn waarachtigheid pas hoog als ik opstap. Zo’n gesprek is dus nooit vrijblijvend, laat staan relaxed.

Zoals gezegd, ik heb dit niet zelf bedacht. De onlangs overleden filosoof Jürgen Habermas heeft in twee dikke boeken in de jaren 80 uitgewerkt wat hij ermee bedoelde. Het voert te ver nu om daar uitgebreid op in te gaan. Wat mij toentertijd trof was de manier waarop hij het ideale (maatschappelijke) debat ontleedde en vorm wilde geven. Met deze drie eisen dus. Pas dan kom je tot common ground, waarbij je het niet met elkaar eens hoef te worden maar waarmee je wel een fatsoenlijk gesprek kunt voeren.

Mijn wens is dat we leren op deze manier met elkaar te praten. In het begin voelt het wat gemaakt aan, alsof je een lijstje afwerkt. Dat verdwijnt. En als dat verdwijnt merk je dat gesprekken beter worden. Dat je minder uit elkaar ligt dan je dacht. Dat je meer begrip krijgt voor de standpunten van een ander. Meer begrip voor de betekenis die een ander geeft aan een feitelijke gebeurtenis. En nog veel belangrijker, je krijgt meer vat op jezelf en je gedrag.

Mijn droom is dat in politiek tot aan talkshows dit wordt doorgevoerd. Het zal zeker ten koste van de kijkcijfers en de politieke ratings gaan. Het bekt minder lekker, opeens blijkt dat veel mensen met een mond vol tanden komen te staan en het duurt langer. Communicatief handelen bestaat niet uit one liners en slimmigheden of jij-bakken. Voor iedereen komt de lat hoger te liggen. Zeker. Maar we nemen elkaar ook serieuzer.

Woorden zijn immers daden, en daden doen ertoe.