En opeens is iemand dood. Een mens, iemand die je heel goed kende, waar je van hield en dat al 28 jaar. Het was een aangekondigde dood. Dementie, langzame aftakeling en toen kwam de versnelling. Lichamelijke klachten. Sneller toch dan verwacht waren er in de vroege ochtend in de slaap, vijf versnelde ademstoten en dat was het. Een mens werd lichaam, meer niet.
De aanblik van de dode was een vertrouwde. Al vaker dode mensen gezien en eigenlijk altijd gelijkend. De wasachtige kleur en de diepe verstilling op het gelaat. Alsof iemand in grote vaart een huis had verlaten en het kopje thee stond nog onaangeroerd op tafel. Die verstilling. De aanwezigheid van een groot Niets.
De dode was voor ons dood. Hij was niet dood. Ik zal ook nooit dood zijn.
Alles wat de mens mens maakt was verdwenen. Op slag. Slechts herkenning van het lichaam, maakte dat er nog iets van voortzetting van een gezamenlijk leven was. Maar het was slechts een lichaam waar ik naar keek.
Dat is vandaag twee weken geleden. De wereld nam het over. Er kwam een mevrouw die met draaiboek in de hand alles regelde. Alles werd geregeld. Een liefdevol afscheid, mooie liefdevolle woorden en uiteindelijk de crematie. De laatste aanraking van de kist in de ruimte bij de oven.
Toen werd het stil.
In die stilte is het mijn omgang met de dood die me bezighoudt. Een wereld zonder hem, waarin ik nu leef. De berusting dat het een gezegend einde was. Geen gruwelijke strijd, geen gevecht tegen het onvermijdelijke, zoals bij mijn ouders het geval was.
De wetenschap dat je zelf nooit zult genieten van de rust die de dood ook is, na bijvoorbeeld een lang ziek zijn.
Er is geen geest zonder lichaam. De mens is lichaam. Als het lichaam sterft, sterft de mens.
Wat rest, zijn wij: de achterblijvers.