Je moet het willen vinden, Carcès. Het staat niet met koeienletters op snelwegborden en TomTom heeft er soms geen zin in. Maar als je er eenmaal bent, weet je het: hier gebeurt iets. Of eigenlijk: hier gebeurt níets — en dat is precies de bedoeling.
Ik kwam er op een dinsdag. De markt was al bijna opgeruimd, behalve een norse man met tomaten die eruitzagen alsof ze ’s nachts dromen hadden gehad. De fontein op het pleintje klaterde zonder publiek. Zelfs de duiven leken met siësta.
Carcès ruikt naar tijm, oude wijn en stenen die te lang in de zon hebben gelegen. De muren zijn beschilderd met muurschilderingen die je vertellen over het verleden — of over gisteren, dat is in dit soort dorpen hetzelfde. Kinderen spelen er verstoppertje tussen verhalen. En als je lang genoeg stilzit, komt er vanzelf een kat langs die vindt dat jouw stoel eigenlijk van hem is.
’s Avonds dronk ik een glas rosé onder een olijfboom die waarschijnlijk de Romeinen nog heeft meegemaakt. De lucht kleurde roze, oranje, dan paars. Iemand zong een chanson op een balkon zonder dat iemand luisterde. Of misschien luisterde iedereen.
Carcès is niet de plek waar je heengaat om iets te doen. Het is waar je naartoe gaat om even níét te zijn wat je normaal bent.