We kennen ze allemaal: lege dorpen in Frankrijk. Je rijdt over een RN richting een stadje en je komt door een lange reeks Buffalo Grill’s, Kyabi’s, Leclercs enzovoort. Kilometers soms, aaneengeregen blokkendozen met enorme parkeerplaatsen er omheen.

Handig, denk je dan, alles bij elkaar. Tot je in het stadje zelf komt en er een leegte gaapt. Nauwelijks nog winkeltjes, misschien een met toeristenmeuk of een bakker. Als ook de bakker is vertrokken dan weet je dat je in een dood dorp bent aangekomen.

Ik zit nu ook in een leeglopend dorp, Val Thorens.

Normaliter zijn we hier zo’n zes weken eerder maar het is niet anders. We zijn er nu. Het sneeuwt al dagen onafgebroken. De pistes zijn goed begaanbaar en er zijn niet miljoenen skiërs aan het afdalen. Het is aangenaam rustig.

En als je dan hier rondloopt valt op dat er al heel veel dicht is. Zelfs de markt bestaat uit drie kraampjes. Ik praat met mensen hier en die zeggen allemaal hetzelfde: nog twee weken en dan is het gebeurd. Dan sluit het hier echt. Ik schat dat ongeveer 80-90% van alle mensen die hier werken import zijn. Het betekent dat over een maand dit dorp leeggelopen is.

Wat blijft is een aantal supermarktjes waar je vers brood kunt kopen en gewonen levensmiddelen. Veel mensen zullen hier niet achterblijven.

Ik kan me voorstellen dat in de zomer het weer wat drukker wordt met wandelaars enzo. Veel zullen het er niet zijn. Althans niet zoveel als wintersporters.

Hier in de bergen geen blokkedozen met grote winkels. Wel onderaan de bergen in Moutiers. Hier vooral dorpjes met een functie: accomoderen van wintersporters.

Voorbode van toenemde leegte: Dutch week. Dat is komende week en dan komen Frans Duits en alle B-schnabbelaars hier naartoe om nog een keer met een grote snik het seizoen uit te luiden.

En dan, na die emotionele oprisping, zal Val Thorens imploderen tot wat het eigenlijk is: een snelweg met hotels eraan.