Mijn geliefde in mijn armen, we liepen
langs
de paden waaraan de graven lagen,
grijs in hun ongereptheid, de stenen
de bakens
die leidden ons de weg,
hier op deze plek,
waar des mensen rust een aanvang vindt,
lagen reeds vele stappen, van jaren her,
hoe vaak al -onder een winterse lucht-
had ik hier gelopen,
de wolken braken open, toen ik hier
met mijn geliefde liep,
in mijn armen hield ik haar, zacht,
het grind knerpte onder de zolen
voor immer verscholen in mijn hart
is zij nu: ik heb zolang gewacht.
Ik heb gelopen met mijn geliefde
tot aan de opening in de donkere grond,
o teer beminde, ik was verwond
toen ik je aan de aarde toevertrouwde,
ik heb je gedwongen teruggegeven,
jouw leven staat nu eeuwig stil
in mijn hart besloten:
in brons gegoten ben jij mijn mal,
tot ik mij op een dag bij je voegen zal.
