Een zaterdagochtend eind juli. We zijn na een rit van twaalf uur aangekomen op onze bestemming. Het is rond zeven uur en we rijden de laatste kilometers tussen afslag Brignoles en ons huis. Ik draai mijn raampje open en ik ruik de Var. Een droge kruidige geur komt de auto in. De jongens op de achterbank worden een beetje wakker en mijn vrouw zet Yannick Noah op, ‘Destination Ailleurs’. Het is perfect. De vroege ochtend, het ontwaken van de natuur, de geuren, de muziek en mijn gezin dichtbij me.
Bocht door naar links, rechts, langs de Mousquetaires, rechtsaf langs de Place Respélido, rechtsaf onder de platanen door, langs Les Chineurs waar we vanavond bij Seb et Patou pizza gaan eten en dan de berg op. Berg, nou ja, flinke heuvel. 737 meter later staan we voor het hek en ik parkeer de auto. Thuis.
Na het uitladen van de koffers gaat de rest naar bed om bij te slapen. Ik niet. Na een koffie stap ik in de auto en rij terug naar het dorp. Ik parkeer langs de weg en loop het dorp in. Het is zaterdag en dus is er markt! De juffrouw met de jurkjes, de kippenboer, de man met de plantjes, alles is er te krijgen. Olijven, kazen, worst, tweedehands boeken. Ik loop de bakker binnen en word begroet: je bent er weer! Ik loop de markt over en praat met de juwelier annex burgemeester. Hij heeft nog wat mooie Lip horloges liggen. Of ik kom kijken? Zeker.
Ik groet de jonge pastoor, abbé Gempp. Vandaag heeft hij een oranje zonnebril op. Toen ik hem vroeg te lachen voor de foto zei hij ‘ik lach alleen voor God’. Ik loop de kerk in en steek een kaarsje op, wat ook schijnt te werken als je er niet in gelooft, en ga espresso drinken bij Bar Central. Daarna doe ik boodschappen in de supermarkt die inmiddels open is.
Het is voor iedereen zo herkenbaar, zoveel gewoonte en routine, zoveel vertrouwdheid op de vierkante meter. Zelfs de boodschappen die ik doe zijn als altijd hetzelfde. Inclusief de fles J&B.
Maar zo was het niet altijd. Dit, deze vertrouwdheid is ooit ergens begonnen. Het was ooit nieuw en onbekend en langzaam is het ‘gewoon’ geworden, zonder ooit gewoon te worden.
Maar wanneer is dat geweest? Waar is die liefde ooit begonnen? Laat ik maar eens proberen mijn reis naar Carcés te vertellen. Ik denk dat er voor velen wat herkenning in zal zitten.

Hoe een liefde ooit begon
Frankrijk was voor mij altijd een natuurlijke bestemming. Tijdens mijn studie heb ik een paar maanden in Parijs gewoond. Een toen ik eenmaal de smaak te pakken had, ging ik met de FTS met de trein naar Bretagne, het strand bij Bordeaux en Normandië. Altijd naar Frankrijk. En ik dacht dat ik het wel wist: Bretagne was voor mij de plek van bestemming.
Maar dat liep anders.

Op een dag kocht ik een Peugeot 405 diesel. Ik draaide er gele koplampen in en voelde me heel wat op mijn paar vierkante meter Frankrijk waar ik in rondreed. Als vanzelf stuurde de auto altijd richting zuiden, alsof hij naar huis wilde. Ik heb hem zijn zin gegeven.
Met vriendin naast me reden we in de zomer naar het zuiden. Maastricht, Luxemburg, Metz, Langres steeds verder naar door.
Voor het eerst in mijn leven zou ik ergens in de Provence terechtkomen. Het gevoel bij het eerste ‘Route du Soleil’-bordje kan ik me nog levendig herinneren. Ik voelde me een hele reiziger. Eindelijk zou ik dan Saint-Tropez zien, Cannes, Nice en al die andere plaatsen die ik uit films kende. We pakten wat tussenstops mee en na drie dagen kwamen we aan op de camping bij Saint-Maximin-La-Sainte-Baume.
We mochten een plekje uitzoeken en dat vonden we. Het was spartaans camperen. Geen stoeltjes of tafeltje maar wel een campinggas pitje, en heel erg warm.
Ik heb niet veel feitelijke herinnering aan die vakantie. Een paar dingen wel natuurlijk. Het dorpje was klein en mooi. De kerk prachtig, het beeld ervoor van de dichter Mistral, de winkeltjes. ’s Avonds in de pan zo’n combinatieblik couscous en dat ook nog lekker vinden. Maar wat me vooral bij is gebleven is de sfeer, de geur, het landschap, de bergen. De mensen. Ik was verkocht.
Verkocht aan de Var
Het sterkste beeld dat ik nog heb is een tocht naar de grot van Maria Magdalena in de berg Sainte Baume. De auto langs de weg en dan met de verkeerde schoenen en te weinig drinken klimmen. Lang klimmen in mijn geheugen. Af en toe een blik over de vlakte achter ons. Die schoonheid, het geel van het zand en de droogte, het groen van de bomen langs het pad, de geur van de rozemarijn, de wilde tijm, de wilde venkel, al die geuren zijn binnengekomen en nooit meer vertrokken.
Iedere rit die we maakten maakte dat ik meer van de Provence ging houden. ’s Morgens de tent openritsen en die geweldige geur opsnuiven!
Ik leerde ook de mensen kennen. De man in de campingwinkel bleek niet zozeer stug te zijn maar gereserveerd. Hij sprak alleen Frans en pas als je Frans terugsprak ontdooide hij. Een ruige kop van veel buiten in de zon zijn. Een vet accent en trots op camping en dorp.
Ik ging houden van het leven in het dorp. Formica tafeltjes met plastic tuistoelen eromheen. Niks opsmuk, gewoon een plek om te zitten. Ook geen chic diner maar lokale gerechten met de lekkerste tomaten ooit. Veel olie en knoflook. Veel lokale wijn. En ook de lokale bevolking die relaxt rondliep en te vinden was op het terras. Ik wilde niet meer weg. Van het plan om naar de kust te rijden is toen niet veel terecht gekomen. Het dorp en de omgeving waren genoeg.
Dertig jaar later
We hebben inmiddels alles bezocht in de Provence. Van Nice als heerlijke stad tot het dorpje Villecroze met dat geweldige parkje met troglodytes. Van een bedje aan zee in Sainte-Maxime tot aan de surfsfeer van het Lac Sainte-Croix. Er is zo onmetelijk veel te zien en te beleven in de Var dat je tot ver na de dood ermee bezig kunt zijn. Dat is ook mijn streven overigens.

Er is veel veranderd in die dertig jaar. Ik heb Brignoles zien afglijden tot de uitgewoonde stad die het nu is. Ik heb in het dorp winkeliers failliet zien gaan en op wonderbaarlijke wijze weer zien herrijzen met een heel ander aanbod. De groenteboer verdwijnt en een jaar later zit opeens Marie in zijn winkel met het beste fruit van de wereld. Twee van de vier bakkers zijn verdwenen en de supermarkt is ongeveer vier keer zo groot als twintig jaar geleden. Dingen hebben met elkaar te maken.
Wat is gebleven is de kern van de Var. De droge stoffige natuur in de zomer, de regens in mei en de geweldige l’été Indien in oktober. De natuur, de geuren en de kleuren, het gezoem van de insecten, het getsjirp van de krekels, de grote struiken met wilde kruiden, de rode aarde tussen de wijnranken, dat alles is niet veranderd. En iedere keer dat ik ’s morgens vroeg, stijf en vermoeid na die lange rit uit mijn auto stap ben ik weer thuis. De Var is onderdeel geworden van wie ik ben en wil zijn. Al heel lang en ooit begonnen op een camping, voor een tentje met in mijn handen een mini-pizza uit de winkel en een fles goedkope lokale wijn.
Wie wil dat nou niet?
(*) ook gepubliceerd in Côte & Provence, nazomer 2023